Een okapi in een hoogwerker

Tinus is gek op boeken. Mijn vriendin en ik zijn al voor zijn geboorte begonnen om deze hobby aan hem op te dringen, door een enorme boekenkast in de babykamer te bouwen. Aan het einde van zijn uitgebreide slaapritueeltje – dat steeds meer op een serie dwangneuroses van zijn papa begint te lijken – zeg ik altijd drie schrijvers uit die kast gedag (waarvan er minstens eentje een vrouw moet zijn): “Dag Etgar Keret, welterusten Lieke Marsman, slaap lekker Friedrich Nietzsche.”

Overdag trekt hij graag boeken uit de kast. Vooral La Superba van Ilja Leonard Pfeiffer, vanwege de enorme auteursfoto op de achterkant: “Heeeeeeey!” roept hij als de man met de weelderige haardos tevoorschijn komt, alsof hij een oude vriend begroet. Laatst riep hij vol overtuiging “Papa!” naar de auteursfoto van Rob Wijnberg. Dat vond ik minder leuk.

Hij wil voortdurend boekjes lezen; met name Kleine Blauwe Truck wordt vaak naar mijn schoot gesleept. Zo ontzettend vaak. Oh man, ik heb me zelden zo verveeld als bij het voor de duizendste keer voorlezen van Kleine Blauwe Truck. Om mezelf wakker te houden verzin ik er soms dingen bij: “Daar gaat die kleine blauwe truck weer… met zijn enorme CO2-uitstoot. Hij mag de stad niet meer in vanwege de nieuwe milieuzones, dus rijdt hij maar rondjes langs alle dieren op het platteland… die sadistische kleine blauwe truck.”

Want ál die kinderboekjes gaan over dieren en auto’s, en eigenlijk slaat dat nergens op. In een van Tinus’ boekjes staat bijvoorbeeld een plaatje van een kip die vrolijk een vrachtwagen vol eieren bestuurt. Een kip die de producten van de legbatterij zélf fluitend naar de mensen komt brengen? Wat is dit voor zieke fantasie?

Momenteel is Tinus in de ban van Feest Van De Machines, met op elke pagina een andere absurde combinatie: een koala op een grasmaaier, een gorilla op een trekker, een okapi in een hoogwerker. Dit boekje is echt de ultieme middelvinger naar de natuur: eeuwenlang hebben dieren terrein moeten prijsgeven aan de menselijke industrie, we hebben hun lichamen zélf massaal geïndustrialiseerd, en nu tonen we onze kinderen plaatjes waarop ze gewoon méédoen met al dat gezellige broem-broem-broem. Dan weet je zeker dat je gewonnen hebt.

Het einde van Feest Van De Machines bezorgt me altijd de rillingen. Eerst komen de dieren samen voor een macaber feest – de steenbok is de DJ, hij staat in een satanische danshouding achter de draaitafels. Als de dieren gaan ‘slapen’, springen plotseling alle koplampen aan en begint het bal waar de titel van dit zieke, zieke boekje op gebaseerd is. De machines dansen uitbundig en tegelijk beheerst: zij zijn eigenlijk de baas. Tinus klapt enthousiast in zijn handjes.

Na het lezen van dat boekje, en de rest van ons veel te uitgebreide slaapritueel, valt mijn zoon in een diepe, tevreden slaap. Maar zelf moet ik dan nog heel wat pagina’s Nietzsche lezen, voor ik de slaap kan vatten.