Verraad

“Ik zou het maar voor je houden,” zei een vriend toen ik hem vertelde dat ik met mijn gezin naar een natuurhuisje zou gaan. Ik begreep wat hij bedoelde: er heerst een grote behoefte om mensen aan de schandpaal te nagelen. De gekmakende onzekerheid zorgt ervoor dat we ons vastklampen aan onze morele superioriteit. Sommige mensen zijn zo teleurgesteld in hun medemens dat ze zich woedend opsluiten in hun ivoren toren (met Wifi).

Waren we eigenlijk wel in overtreding? Dat was, zoals zoveel tijdens deze crisis, onduidelijk. Binnenlandse vakanties werden ‘afgeraden’, maar social distancen is veel makkelijker op het platteland.

We waren doodop. Het algoritme van Twitter weet precies wat me provoceert en toont daarom willekeurige tweets die me gegarandeerd woedend zullen maken. Zo zag ik een bericht van een onbekende die schreef dat veel ouders hopen dat de scholen en kinderopvang opengaan “omdat ze hun “kutkind” naarbuiten willen bonjouren zodat ZIJ rust kunnen hebben”.

Ik hapte. Waar komt toch het idee vandaan dat ouders die het zwaar hebben, dan maar geen kinderen hadden moeten nemen? It takes a village, zeggen ze: niemand kan een kind opvoeden zonder hulp. Kun je het nu niet aan in je eentje? Schaam je! Neoliberaler kun je het niet krijgen – maar dit soort kritiek komt steeds vaker van links-progressieve mensen.

Het algoritme van Instagram weet dan weer precies waar je naar verlangt en toonde me dus prachtige plaatjes van andere ouders, die hun kinderen konden laten uitrazen in de tuinen van familiehuisjes. Groen van jaloezie boekte ik ons eigen huisje aan het bos.

In het natuurhuisje vond ik eindelijk de rust om ‘t Hooge Nest van Roxane van Iperen uit te lezen. Het was vreemd om tijdens de grootste crisis van ons leven in zo’n levensecht verslag van de Tweede Wereldoorlog te duiken. Er waren overeenkomsten: de twijfel tussen optimisme (‘Het zal wel meevallen’) en waakzaamheid. De onverwachte momenten van schoonheid: het onderduikadres uit de titel lag ook in een bosrijke omgeving. Maar het deed vooral beseffen dat het nog veel erger kan.

Termen als ‘NSB’er’ en ‘verzetsstrijder’ zijn ook onzinnig als de vijand bestaat uit onzichtbare virusdeeltjes. En wat betekent ‘verraad’ in deze tijd? Is het nu goed om je op het internet kwaad te maken over een vage telelens-foto van aso’s die toch samen Koningsdag lijken te vieren? Of is het juist goed om binnen deze nieuwe grenzen op zoek te blijven naar medemenselijkheid? Je weet het niet.

Het is zoals die grap van Theo Maassen: “Tijdens de Tachtigjarige Oorlog zeiden ze ook niet na veertig jaar: ‘Hè gelukkig, we zijn op de helft.'”

We maakten een boswandeling met vrienden en hun kinderen. Op anderhalve meter – afstandelen noemde ik het. Was dat oké? Of waren we zo hardwerkende zorgmedewerkers indirect in hun gezicht aan het spugen? Het was prachtig weer, de kinderen speelden en ik genoot van het gezelschap, maar het verdriet lag op de loer. Alles was vaag.

Ik heb het gevoel dat deze crisis de climax is van de eeuwig terugkerende discussie die de laatste jaren weer oplaaide: kiezen we voor individualisme of voor collectivisme? Nadat de samenleving decennialang was uitgehold onder het mom van ‘eigen verantwoordelijkheid’, en we de laatste tijd zo met onszelf en onze telefoons bezig waren dat we niet eens meer in staat waren om een gesprekje met de buurvrouw te voeren, leken we weer te neigen naar de tweede optie.

Het is omgedraaid: in plaats van samen te leven als individualisten, leven we nu apart uit solidariteit. Daar schuilt een kans in. Maar die empathie moet dan wel echt zo ver mogelijk reiken, en niet ophouden bij anderen die zich niet zo perfect gedragen als jij – of die je toch al niet mocht.

Waakzaamheid betekent zorgen voor de mensen om je heen, met alles wat je hebt, en die cirkel proberen te vergroten – niet keihard oordelen over mensen die je niet kent. Dat is de les van ‘t Hooge Nest.