Verhaaltje

“Het hoeft niet altijd goed af te lopen hè,” schreef een redacteur laatst in haar commentaar. Het was een goede redacteur, want ze betrapte me op iets dat me zelf ook al was opgevallen, maar waarvan ik hoopte dat niemand het nog doorhad. Wat dat betreft is een goede redacteur net een goede psycholoog.

Natuurlijk is een schrijver niets zonder lezers (hoi, dank, welkom terug), maar uiteindelijk is alles wat ik schrijf een soort brief aan mezelf. Een manier om helderheid te vinden, zoals Joan Didion zei. Of was het Zadie Smith? Ach, voor deze stukjes heb ik toch geen redacteur.

Met een goed einde stel ik mezelf gerust. En dat is iets waar ik de laatste jaren extra veel behoefte aan heb. Zeker als ik over het ouderschap schrijf, snak ik ernaar om het rond te maken, om optimistisch af te sluiten.

We besteden allemaal een groot deel van onze dagelijkse energie aan zelfbedrog, aan het overeindhouden van een kloppend verhaaltje. We moeten wel, als de zelfbewuste apen die we zijn: het alternatief is depressie. Er is niets mis met je groothouden, of met een relativerende grap. Maar soms overdrijven we het een beetje, waarop een goede redacteur voelt: dit is onecht. Vaak staat je verhaal dan op barsten.

Het verhaaltje dat ik de laatste tijd vertelde, ging ongeveer zo: “Ik vind het mákkelijker, een tweede kind. Het voelt nu compleet. Natuurlijk is het druk, maar het is overzíchtelijk druk. Bij de eerste verlangde ik terug naar mijn oude leven, nu weet ik: dit is het.”

Het was een goed verhaaltje. Er zat ook veel waarheid in. Maar ik verzweeg dat babygehuil me nog steeds tot waanzin kan drijven. Dat ik soms schrok van mijn woedeuitbarstingen naar onze peuterpuber.

Dat ik laatst alleen thuis was met de kinderen na een lange slopende dag waarop het even niet was gelukt om alle zorgen over onze stijgende huur buiten de deur te houden, toen Frenkie opeens toch nog honger bleek te hebben en begon te krijsen, waarna ik ontdekte dat we alleen nog maar ingevroren melk hadden. Dat Tinus op dat moment besloot om op de woonkamervloer te plassen.

Dat ik kalm probeerde te blijven terwijl ik de ijsmelk in de flesopwarmer deed en Frenkie nóg harder begon te huilen en Ajax met 1-0 achterkwam tegen de meest vreselijke Spaanse schopploeg aller tijden en Tinus vrolijk maar onophoudelijk tegen me kletste terwijl hij eigenlijk naar bed moest. Dat ik op de grond stampte van woede als een machteloos kind.

Dat ik na het langzaamste half uur uit mijn leven eindelijk Frenkie een flesje (ijskoude) melk kon geven en toen uit pure uitputting begon te huilen. Dat op dat moment mijn vriendin thuiskwam, waarop ik nog harder begon te grienen en dingen zei als: “Je mag echt nooit meer weggaan, ik kan dit helemaal niet.”

Dat Tinus stond toe te kijken en toen fijntjes tegen zijn moeder zei: “Papa heeft geen borsten mama. Helaas!”