Uw beleving

Toegegeven, ik was al geïrriteerd toen we met de kinderwagen over het smalle dijkje bij ons in de buurt liepen. Mijn vriendin en ik hadden ruzie gemaakt omdat ze vond dat ik te veel op mijn telefoon zat – maar het ging om wérk! – en nu liepen we zwijgend naar huis.

Ik duwde de kinderwagen – met kind erin, voor de duidelijkheid – en was net bij een bocht beland waar de stoep zo smal was dat ik op de weg moest lopen, toen ik merkte dat er een auto achter me reed, die zacht doch dwingend aandrong ter hoogte van mijn elleboog. Ik begon de kinderwagen dus toch op het stoepje te tillen, maar halverwege trok de auto al agressief op, waarbij hij mij en de kinderwagen op een haar na miste.

“HÉ!” riepen mijn vriendin en ik woedend.

De auto stopte meteen, en even was er het moment van anticipatie: wie zou er uit de auto stappen, en zou dat onze reactie beïnvloeden?

Er schoot een nette man van eind dertig omhoog als een stokstaartje: halflang donkerblond haar, een poloshirt en een uitstraling die niet anders als ‘hautain’ beschreven kan worden. Hij stak zijn neus half de lucht in, en keek ons vanuit die positie aan.

“Wat is dat voor geschreeuw?” vroeg hij met een kalme beschaafdheid die zijn trillende stem moest maskeren, een beschaafdheid die moest bewijzen dat hij beter was dan wij. “U scheurt opeens vlak langs ons!” riep mijn vriendin. “Oh, dat had ik niet door,” zei de man. “Dat was dan uw beleving.”

“U stopte dus niet om uw excuses aan te bieden?” vroeg ik met een cynisch lachje. “Nee, ik stopte om te kijken waar die consternatie vandaan kwam.” “U biedt uw excuses aan!” eiste mijn vriendin. “Geen sprake van,” zei de man en hij stapte alweer in, naast zijn vrouw, die hij er vast ook regelmatig van overtuigde dat iets aan haar ‘beleving’ lag. “Fijne dag lul!” schreeuwde ik voordat de auto wegreed.

Terwijl we doorliepen analyseerde ik de hele uitwisseling in razend tempo, om te bedenken wat ik beter had kunnen kunnen zeggen.

Ik kreeg verrassend snel een herkansing. “Daar heb je hem,” mompelde mijn vriendin. En inderdaad, de man had honderd meter verderop geparkeerd en liep nu met opgeheven kin onze richting op. Vlak voor hij ons passeerde zei hij: “Nog steeds niet!”

Nu wist ik wat ik hem moest naroepen: “Nooit je excuses aanbieden, het ligt aan de ervaring van anderen – wat een goede levensfilosofie man! Veel succes daarmee! Veel succes met je leven!”

“Dat was oké toch?” vroeg ik even verderop aan mijn vriendin, nog nahijgend van de adrenaline. “Dat was oké schatje,” zei ze. “Wát een lul.” Ik pakte haar hand.

Ik hoopte dat de man ‘s avonds in bed, als hij zijn verdediging even liet zakken, zou inzien dat hij zo niet verder kon leven. Ergens wist hij dat hij fout zat – ik had het in zijn ogen gezien. Maar dat was misschien mijn beleving.