STOP

Zodra ik mijn huis uit stap, kijk ik mijn overburen aan, die in hun tuinstoelen – keurig anderhalve meter uit elkaar – van het zonnetje zitten te genieten. “Dag buurman, alles goed?” zeggen Patrick en Loes bijna tegelijk. Het zijn broer en zus, echte oud-Noorderlingen.

Ik zit om een praatje verlegen, dus ik blijf graag even bij hun tuinhek staan. “Ik vind het toch een soort straf voor hoe we geleefd hebben,” mijmert Loes. “Absoluut!” zegt Patrick. “Als je ziet wat er voor huizen betaald werd… En nou? Wat heb je nou aan je geld?”

“De lucht is nog nooit zo schoon geweest,” zegt Loes, terwijl ze naar de strakblauwe hemel wijst. “Heb je die foto’s gezien van de lucht boven China?” zegt Patrick, waarna hij een slok van zijn biertje neemt. “Alcohol doodt de bacteriën, zeiden ze op de radio,” verklaart hij. “En ik dronk al bijna nooit meer, hè.”

Ik groet ze en loop verder. Je hoort het vaker, de theorie dat de corona-crisis een boete is voor onze verslaving aan de eeuwige groei, dat ‘Moeder Aarde’ daar nu een correctie in aanbrengt. Er worden vele tenenkrommende filmpjes over doorgestuurd.

Aan de ene kant is dat pseudo-religieus gelul. Bovendien: er sterven onnodig mensen, met alle gevolgen van dien, en dat is niets om ‘dankbaar’ voor te zijn.

Aan de andere kant is het wel degelijk zo dat we in deze shit zitten omdat we weer eens een stel vleermuizen niet met rust konden laten. Zoals we al decennia bezig zijn om volledige ecosystemen in de war schoppen, waardoor de planeet op korte termijn onleefbaar dreigde worden.

Iedereen die zich zorgen maakte over klimaatverandering fantaseerde weleens over een grote STOP-knop. Hoe kon je ánders zo’n complex en vernietigend systeem als het wereldwijde consumentisme tot een halt brengen? Het leek maar door te denderen, terwijl we slechts met lede ogen konden toekijken.

Nu is het opeens stil.

Inmiddels ben ik bij het IJ, waar ik op een bankje ga zitten lezen. Na vijf minuten kan ik niet meer negeren dat de wind eigenlijk nog te koud is, en word ik weer terug naar huis gedwongen.

Op de terugweg schrik ik op van een meisje dat in haar telefoon schreeuwt: “IK WALG VAN JE! IK WÁLG VAN JEEEEEEEEE! VIEZE VUILE KÁNKER-DRUGSVERSLAAFDE, VIEZE VUILE KÁNKER-SEKSVERSLAAFDE! NEE, NEE, IK GA NAAR M’N ZUS!”

Even later loop ik langs een man die óók al keihard met iemand telefoneert. “Doe normaal, anders ga je de pakkie van je leven krijgen!” roept hij, terwijl hij verwoede trekjes van zijn sigaret neemt. Jeetje, denk ik, door de corona-crisis worden mensen echt steeds agressiever. Pas als hij zegt: “NIET naar je zus gaan bitch!”, besef ik dat het hier om één en dezelfde situatie gaat.

Dit is dus die drugs- en seksverslaafde, denk ik terwijl ik de man stiekem van opzij bekijk. Misschien, heel misschien, beseft hij straks ook dat hij met minder kan. Ik heb het hem nog maar even niet gevraagd.