Speech

Niets is zo mindful als een dag met een peuter. Op straat moet alles benoemd worden (“Kijk papa, twee hóndjes!”), een rij witte tegels verandert in een rails waar hij als een trein overheen moet rijden, etc.

Als we eindelijk het cafeetje bereikt hebben, kan ik godzijdank even een blik op mijn dopamine-machine werpen. Maar een tafeltje verderop zie ik een vader tegenover zijn dochter ook op zijn telefoon zitten, terwijl zij “Papa, papa?” zegt, en die schaamtespiegel zorgt ervoor dat ik het ding toch weer in mijn zak stop.

Dat meisje zit in de opvang-groep van mijn zoon, trouwens. Ze glimlachen verlegen naar elkaar. Dat is me al vaker opgevallen: peuters kunnen een dag enthousiast met elkaar spelen, maar buiten de context van de crèche is het contact opeens weer ongemakkelijk.

Ik ken alle kinderen uit Tinus’ klasje en op de fiets naar huis vraag ik altijd met wie hij vandaag heeft gespeeld – nu al stimuleer ik zijn vermogen om personages te onderscheiden. Maar ik vergeet steeds dat dit niet voor andere ouders geldt, en dat het best wel vreemd is als een wildvreemde vent in de supermarkt hun kind uitgebreid groet. Toch zwaai ik nu naar het meisje.

We eten zwijgend onze croissantjes. Hij begint moe te worden, al zal hij dat ontkennen. Ik luister naar het gesprek aan de tafel naast ons. Hier gaat het stukje eigenlijk over, dus zet je schrap.

Het zijn twee verzorgde Amerikaanse vrouwen van eind dertig. Terwijl ze hun salades eten praten ze over wat ze verder allemaal eten – en niet meer eten. Met hun vette Amerikaanse accent ratelen ze over hun leventjes, waarbij ze elkaar constant in de rede vallen, alsof de stilte tussen hun zinnen een afgrond is waar ze in zullen storten.

“I don’t do breakfast anymore,” zegt de een. “No?” “Uh-uh: intermittent fasting. And no carbs, obviously.” Nu valt me pas op dat ze zich als een hongerige wolf op haar salade heeft gestort. Behalve dat wolven geen salades eten, maar goed.

De vrouwen zijn irritant. Hun obsessie met eten is irritant, hun manier van praten is irritant, en even later blijkt dat ze ook nog rijk zijn – super-irritant. Ze hebben huizen in het centrum van de stad, waren net nog in Parijs – the real Paris – blablabla. Ze hebben alles, maar vervelen zich kapot.

In mijn hoofd bereid ik – al net zo verveeld – een speech voor. Hun schaamteloze veeleisendheid is precies wat deze stad kapotmaakt. De exacte tekst weet ik nog niet, maar er moet sowieso “You guys deserve Trump!” in. Ik zie hun geschokte gezichten al voor me.

Op dat moment worden mijn gedachten onderbroken doordat Tinus – sowieso een en al kruimels – appelsap over zichzelf heen gooit. Terwijl ik hem dep, kijkt de vastende vrouw oordelend toe – ook vanwege al die carbs natuurlijk.

Terwijl ik opsta om te betalen, besluit ik het simpel te houden. Ik zal expres iets in het Nederlands tegen ze zeggen, en als ze dan fijntjes antwoorden met “Sorry, we don’t speak Dutch”, zal ik met opgetrokken wenkbrauwen zeggen: “Why not? You guys live here, right?” Ja. Perfect.

Maar als ik Tinus z’n jas aantrek en mezelf klaarmaak voor de confrontatie, hoor ik een van hen met een charmant Amerikaans accent tegen de barjongen zeggen: “Pardon, mag ik nog een cappuccino met havermelk alstublieft?”

“Die mevrouw zegt ‘havermelk’, papa!” roept Tinus triomfantelijk. “Ja,” zeg ik, “kom op, we moeten gaan.”