Poep

In de buurtboerderij waar we met mijn broer hebben afgesproken, blijkt een harp-concert bezig te zijn, waardoor we met onze peuter en baby buiten moeten wachten (harp-concerten en kinderen zijn een slechte combinatie). Mijn broer appt dat hij later komt – zijn zoontje is pas net wakker uit zijn dutje. We willen er pissig over worden, maar we kunnen ons zijn situatie te goed voorstellen.

Het begint donker te worden. “Waar zijn de dieren mama?” vraagt de peuter. We hadden hem dieren beloofd. “Kijk daar!” roep ik. Er glipt een enorme rat uit een vuilnisbak. Mijn zoontje mist hem net, maar is toch tevreden: “Er was daar een rát mama!”

Als het harp-concert eindelijk klaar is, bestellen we snel thee om op te warmen. Nadat de drankjes zijn gearriveerd vragen we om menu’s. “Ah nee sorry,” zegt de barvrouw, “vanavond hebben we geen eten. En we gaan ook zo dicht.”

Mijn broer stelt een ander restaurant voor. “Dan moeten we nú gaan,” zeg ik met een blik op de klok, waarna ik mijn bek brand aan mijn dampende muntthee. We laden vlug alles en iedereen weer in de auto. De baby huilt bij elk stoplicht, en is stil als we weer rijden.

In het café-restaurant spot ik de ene BN’er na de andere. Er loopt zelfs een acteur uit mijn favoriete serie Succession langs. Maar mijn broer heeft een hoek in een iets rommeliger familie-deel geclaimd, waar we zonder schaamte met onze troep kunnen neerzijgen.

Ik ben sowieso de schaamte voorbij. Vroeger vond ik mensen met kinderen asociaal als ze een ruimte overnamen met hun rommel en lawaai, nu begrijp ik: je moet wel. Kinderen spelen nu eenmaal met autootjes die van tafel flikkeren. Natuurlijk corrigeer je ze, maar dat heeft zijn beperkingen. Ik voel de blikken van de andere restaurantgangers, en denk: tja, zo zijn we.

Halverwege mijn hamburger zegt mijn zoon verschrikt: “Poep.” Ik sta als eerste op.

Tinus wil niet op de uitklapbare verschoontafel liggen, dus blijft hij staan terwijl ik zijn tuinbroek naar beneden trek. Ik slik. Een zee van diarree is langs zijn benen gelopen. “Oké,” zucht ik, “dat is oké.” Er moeten nu pijlsnelle beslissingen genomen worden. “Die broek kunnen we opgeven,” mompel ik. Hij knikt. Maar dan moet hij gaan zitten, en daarvoor moeten eerst zijn billen schoon zijn. Operatie-Stronthoop gaat van start.

Ik hoor opgewonden vrouwenstemmen aan de andere kant van de deur, moeders die ook hun kinderen willen verschonen, dus ik zeg op luide toon: “Jeetje wat een diarree! Dit gaat nog wel even duren zeg!”

Nu moet ik de wasbare luier in de wc uitspoelen. Intussen is mijn zoon met zijn poepvoeten over het verschoonkussen aan het paraderen. “Niet bewegen!” roep ik over mijn schouder. Ik gebruik een halve wc-rol om alles af te vegen: luier, broek, zoon, wc en het verschoonkussen, dat helemaal onder zit. Ik trek wel acht keer door en was mijn handen zestien keer. “Heel veel poep papa,” zegt mijn zoon. We moeten er samen om lachen.

Even later loopt hij slechts gekleed in een rompertje en schoenen parmantig door het chique restaurant. Een ouder stel kijkt hoofdschuddend toe.

Mijn vriendin schiet in de lach als ze ons ziet. Zodra ik weer aan mijn hamburger wil beginnen, zie ik dat mijn trui op buikhoogte nog onder de poep-korrels zit. 

We rijden door het donker naar huis, sommigen met broek, anderen zonder. Het was zwaar, maar het is gelukt, en nog zonder irritaties ook. En ik kan je zeggen: ook al stinkt alles naar kak, er is geen bevredigender gevoel dan dat.