Pastrami

Het café waar ik heen wilde, blijkt gesloten te zijn. Als ik voorstel om wat verder te lopen, zegt mijn vader: “Of misschien zit er nog iets op de terugweg?” Hij zal niet snel toegeven dat hij moe is of ergens last van heeft – als ik vraag hoe het gaat, antwoordt hij altijd kalmpjes: “Goed hoor” – maar ik begrijp de boodschap. Over een paar dagen wordt hij 72.

We nemen plaats in een iets te chique restaurant. De verwarming staat aan, hoewel het een zonnige dag is. Mijn vader voelt eraan met een kritisch gezicht en zegt: “Het is hartstikke warm hier.” We verhuizen naar een plek in het midden van de zaal.

Als een prachtige zwarte vrouw onze menu’s komt brengen, zegt mijn vader: “We zijn hier gaan zitten, want het was hartstikke warm daar.” Ze knikt begripvol. “We zullen ernaar kijken meneer.” Ik glimlach zo breed mogelijk.

Op de kaart is elk gerecht maar met één woord aangeduid. “Pardon, betekent ‘Pastrami’ gewoon ‘Een broodje pastrami’?” vraagt mijn vader aan de serveerster, zonder haar aan te kijken, zijn leesbril op het puntje van zijn neus. “Ja,” zegt ze en ze licht alles geduldig toe, terwijl ik overdreven vriendelijk meeknik. “Ik vind het maar onduidelijk hoor,” bromt mijn vader. “Dank u wel,” zeg ik.

Ik vraag me af waarom mijn vader zo onaardig doet; normaal geniet hij er juist van om een praatje met serveerders te maken, tot het bijna weer gênant wordt (“En wat heb jíj gestemd bij de verkiezingen, Gaston?”). Zou hij een racist zijn? Is dat het?

Maar dan snap ik het: hij moet simpelweg zijn aandacht steeds zorgvuldiger verdelen. Daarom had hij me ook van tevoren gebeld om te vragen naar wat voor café we precies zouden gaan: “Gewoon een lunchtent met broodjes?” Hij moet zich nu heroriënteren, de controle weer vinden, en kan de serveerster er even niet bij hebben.

Tegelijkertijd besef ik dat de moeite die ik nu doe om zijn nukkigheid te compenseren, een manier is om hem te verzorgen – iets wat hij nóóit zou toelaten. Ik heb nog genoeg energie om het menu te bestuderen en tegelijk beleefd te zijn, dus kan ik dat voor ons allebei doen. Ik ben mijn vader dus gewoon aan het hélpen, wie had dat ooit gedacht. Nu maar hopen dat hij het niet doorkrijgt.

Die ochtend luisterde ik toevallig nog een podcast-interview met comedian Ray Romano, waarin hij zei: “If my father had hugged me once, I would’ve become an accountant.”

Zo eenduidig is het niet met ons. Mijn vader heeft zijn beperkingen, we steken graag de draak met elkaar, maar tijdens de broodjes pastrami hebben we opeens een open gesprek, waarin hij zich scherp en zelfkritisch toont, alsof hij zich hiervoor heeft gespaard. Buiten omhelzen we elkaar kort en stevig.

Ik zal nooit een emotioneel stabiele accountant worden, maar mijn vader zegt de laatste jaren steeds vaker dat hij trots op me is. Per e-mail, maar toch.

Misschien wordt het tijd om een keer te zeggen dat ik ook trots op hem ben.