Onverschrokken

Maak je klaar wereld, mijn dochter komt eraan. “Ze is nergens bang voor hè?” zegt de leidster als ik haar kom halen, en het is waar: ze grijpt met een schrikbarende kracht borden van tafel en werpt zich vol overtuiging van de bank. Ik kan even wild met haar stoeien als met haar twee jaar oudere broer; elke nekhap beantwoordt ze direct met een trefzekere tegenaanval.

Ze kruipt pijlsnel door de kamer en trekt zich stevig en trots aan alles op. Ze beukt door muren heen, nog net niet letterlijk. En dat komt allemaal samen in dat verbeten bekkie van haar, in die onverschrokken blik waarmee ze zo gúlzig de wereld in kijkt. Die grijsgroene pretoogjes. Dat is Frenkie. Godverdomme.

Vaak lijkt het alsof ze haar geluk niet op kan dat ze nu juist in óns groepje terecht is gekomen. Dan kijkt ze ons stuk voor stuk flirtend aan, kruipt naar ons toe om ons liefdevol in ons gezicht te slaan. Toch kan niemand tippen aan haar grote broer, die ze onderaan de trap onthaalt met de extatische gilletjes van een Beatle-fan.

Ik vermoed dat ze zo wild is doordat ze deels door hem wordt opgevoed, dat ze denkt dat een kronkelende, grappende en bij vlagen woedende peuter de standaard is waaraan ze moet voldoen. Zij krijgt geen rustig huis met aarzelende ouders om in op te groeien, en soms voel ik me daar schuldig over. Op de leeftijd dat hij zijn eerste woordjes sprak, maakt zij dinosaurusgeluiden.

De keerzijde is bovendien dat haar woede net zo grenzeloos als haar levenslust is, of misschien is dat wel hetzelfde. Voor ze kon kruipen lag ze maandenlang op de grond te spartelen, ziédend dat ze niet vooruit kwam. Ze gilt oorverdovend hard als ze uit haar stoel wil. En dan zijn er nog de nachten. ‘s Nachts verandert ze in een duivelskind.

Als tiener was ik verslaafd aan het computerspel Max Payne, waarin een rechercheur wraak neemt voor de moord op zijn jonge gezin. Een van de levels was een nachtmerrie waarbij je door een hallucinant bloed-doolhof de uitgang moest vinden, terwijl op de achtergrond constant babygehuil klonk. Ik werd helemaal gek.

Het afgelopen half jaar voelde alsof ik weer in dat Max Payne-level vastzat, ‘s nachts half gehypnotiseerd wanhopig op zoek naar een uitgang, terwijl op de achtergrond een baby krijste met alle woede die ze in zich had. Ik geloof niet dat in de geschiedenis van de mensheid een baby zo intens hard heeft gehuild als Frenkie. Troosten maakt het soms alleen maar erger.

We zijn ermee bezig, we komen er wel uit. Met dat soort praktische zaken zal ik je niet vervelen. Het vreemdste is bovendien dat die nachten een grote bron van zorg zijn, terwijl ze tegelijk al mijn zorgen over mijn dochter wegnemen. Ze zal zich niet laten temmen, door niemand niet. Dus berg je maar. Frenkie komt eraan.