NEE PAPA

Als ik de kamer van mijn zoon binnenkom, begint hij nóg harder te huilen. Het is twee uur ‘s nachts, hij staat in zijn pyjama in zijn bed, met zijn handjes op de houten reling. Ik zie de teleurstelling op zijn gezicht. “NEEEE! MAMAAA! MAMAAA!” schreeuwt hij.

Ik probeer hem geruststellend te aaien, maar hij duwt boos mijn hand weg. Zijn speen smijt hij de kamer in. Ik til hem op en probeer hem te knuffelen, maar hij blijft me wegduwen. Het is vreselijk moeilijk om kalm te blijven tijdens deze worsteling, maar het lukt. Hij wijst naar mij: “Nee die!” Vervolgens wijst hij naar de deur: “Dié! Diiiiieeeee! Mamaaaaaaaaaa!” “Nee lieverdje, mama moet slapen.” Die informatie maakt hem uiteraard razend.

Uiteindelijk staat mijn vriendin toch versuft in de deuropening, en is het een opluchting om hem over te kunnen dragen. Tinus klampt zich meteen aan haar vast, draait zich dan nog even om en roept met woeste wegwerpgebaren: “NEE PAPA! NEE!” De boodschap is duidelijk: opkankeren jij. Ik druip af, om in bed te gaan liggen luisteren naar hoe mijn vriendin het weer eens oplost.

Natuurlijk is het niet persoonlijk bedoeld. Dat is een van de belangrijkste lessen van het ouderschap, en überhaupt van het ouder worden: jij en al je broze kleine gevoelens doen er niet toe. Kinderen maken onverklaarbare fases door; jij bent de enige die daar een melodramatische betekenis aan kan geven. Tinus kán mij nog geen lul vinden.

Aan de andere kant: kinderen zijn een en al intuïtie. Ze voelen perfect aan wie ze kunnen vertrouwen. Zou hij dan misschien voélen dat ik een lul ben?

Mijn eigen moeder zei vroeger geregeld dat ze voor mijn broertje en mij een brandend gebouw in zou rennen. Een beetje te vaak misschien. “En voor papa?” vroegen wij dan gretig. “Daarna pas voor papa,” zei ze terwijl ze kalm in haar thee roerde. Mijn vader hield zich tijdens dit soort gesprekken wijselijk afzijdig.

Ik heb daar tijdens de eerste weken van het vaderschap vaak aan gedacht: natuurlijk, ik hield meteen zielsveel van Tinus, maar zou ik mijn leven voor hem geven? Zonder aarzelen?

Het duurde niet lang, die twijfel: inmiddels ben ik bereid om alles voor hem op te geven. Voor hem zou ik zelfs lid van de VVD worden. Toch heb ik al vanaf het begin het gevoel dat ik achterloop op mijn vriendin, die sowieso veel eerder verantwoordelijkheden oppakt dan ik. Ik ben ongeduldiger en egocentrischer: ik maak geen kans. Als ik een verwarde peuter was, zou ik ook eerder om haar roepen.

Telkens weer voel ik de verleiding om ook boos te worden. Om me terug te trekken en het op te geven: zo zijn de verhoudingen nu eenmaal. Maar dan besef ik weer dat mijn zoon in al zijn frustraties zo ontzettend op mij lijkt – terwijl ik 33 ben, en hij anderhalf. Wiens taak is het dan om geduld te tonen? Van wie moet hij dat anders leren?

Daarom mag hij me zo vaak wegduwen als hij wil. Ik zal altijd terugkomen.