Lekker Rut!

Sinds kort heb ik een werkplek buiten de deur, in een ‘ondernemershuis’ bij ons in de buurt. Het is goedkoop, de koffie is gratis en er is bijna nooit iemand. De enige voorwaarde is dat je de ruimte schoonhoudt en beschikbaar moet zijn om te netwerken, maar er is dus zelden iemand om mee te netwerken. Met andere woorden: het is perfect.

Vandaag kwam er echter een andere freelancer binnen, met harde muziek op zijn koptelefoon, een grote jongen met een kinderlijke blik en een brede kaak, die recht tegenover me ging zitten. We knikten even naar elkaar. Ik kende hem ergens van – ook dat nog. Maar gelukkig leek hij mij niet te herkennen en werd het contact niet uitgebouwd.

Toen ik me weer over mijn laptop boog, herinnerde ik me opeens wie hij was. Vorige zomer had ik een kickboksles bij hem gevolgd, in een garage die tot dojo was omgebouwd. Hij zat hier dus als kickboks-ondernemer.

De jongen pakte twee broodjes uit het meest krakerige zakje ter wereld. Vervolgens haalde hij twéé Johma-bakjes tevoorschijn – huzarensalade en krabsalade – en begon de broodjes uitgebreid te smeren, terwijl hij naar iets staarde op zijn laptop. Tijdens het eten stopte hij steeds wel vier happen tegelijk in zijn enorme hoofd, en smakte luid. Ik kromp ineen.

Vorig jaar zaten we in de laatste fase van de zwangerschap. Ik was al maandenlang zo ongelofelijk moe – soms kon ik om twee uur ‘s middags al nauwelijks mijn ogen open houden. Meezwangeren noemen ze dat, maar in feite schijnt het te komen door het stresshormoon cortisol. Iemand raadde me aan om op kickboksen te gaan: “Je moet echt topfit zijn als de baby komt.”

Op een zaterdagochtend meldde ik me dus in de garage. De andere deelnemers waren een dikkige nerd, een studente, twee dames met veel tatoeages, en Arie: een enorme kerel met een kaalgeschoren hoofd en een lichte bochel. Hij had als enige zo’n echt kickboksbroekje aan.

De leraar kwam binnen en zei: “Oké jongens, eerst de warming-up!” We deden jumping jacks, kikkersprongen, squats, sit-ups, push ups. Er kwam verdomme geen einde aan. Een voor een kregen we de taak om af te tellen voor de groep: “En nu Rutgerrrr: twintig leg raises graag!” Ik haalde met moeite de twaalf, en moest daarna hijgend doortellen voor de rest van de klas. Na de warming-up was ik al bijna aan het kotsen.

Ik hou van sport, ik kan bloedfanatiek zijn, maar kapotgaan om het kapotgaan heb ik nooit begrepen. Je door de modder laten schreeuwen door een gespierde sadist: waarom zou je jezelf dat in godsnaam aandoen?

Nu moesten we gaan sparren. De paartjes werden gevormd; Arie en ik bleven over. “Geen zorgen vriend, we doen het rustig aan,” zei de man die zeker anderhalve kop groter was dan ik.

Arie ging eerst. Ik moest het stootkussen vasthouden, draaien van been naar been, en me schrap zetten. “Goed recht houden Rut, anders breek ik zo je elleboog,” zei Arie ernstig. Het leek hem goed te doen om eens iemand de les te lezen. Maar hij had gelijk: het kostte me al mijn kracht om de klappen op te vangen, hij trapte zo beestachtig hard dat ik elke keer een halve meter achteruitvloog. “Recht houden Rut! Recht houden!” schreeuwde Arie tussendoor.

Toen was het mijn beurt. Ik trapte uit alle macht op het kussen in, tot hij me onderbrak om op vaderlijke toon tips te geven. “Hóger trappen Rut! Hóger!” Ik knikte en ging weer verder. “Lekker Rut!” riep Arie nu. “Lekker!” Ik was een en al zweet, zelfs mijn gedachten waren nat en zout.

De oneindige les eindigde met de zaktraining. Dat woord alleen al. Maar goed, het kwam erop neer dat we vijf minuten lang non-stop op de zak moesten trappen en beuken, tot we niet meer konden. “Even tot het gaatje jongens!” riep de leraar. Ik probeerde de zak recht te houden terwijl Arie als een losgeslagen stier tekeerging. Ik weet niet aan wie hij dacht terwijl hij die zak toetakelde, maar God beware hen.

“Doe het voor je baby!” schreeuwde Arie tijdens mijn beurt – tussendoor had ik hem piepend en hijgend mijn hele levensverhaal verteld – “Doe het voor die baby Rut!” Het hielp even: ik gaf de onverzettelijke zak een paar goede klappen en trappen. Maar al snel werden mijn stoten plichtmatig. “Nog eentje Rut!” riep Arie tijdens de laatste tien seconden. Ik gaf de zak een tikje met die debiele bokshandschoen, en stortte naar de grond.

In de kleedkamer zei Arie vrolijk: “En, lekker of niet?” Ik knikte traag, oprecht dankbaar voor zijn hulp. Er was een band ontstaan tussen ons, en dat had hem ook goed gedaan. Toch dacht ik alleen maar: fuck deze shit.

Dat was dus wat ik ook voelde bij mijn smakkende kantoorgenoot, naast mijn ergernis over zijn lompheid: vernedering. Hij wist precies hoe slap ik was. Als ik wat van zijn gedrag zou zeggen, zou hij maar een blik op me hoeven werpen – size me up, zoals de Engelsen zeggen – om te weten dat hij me makkelijk aankon.

Uiteindelijk zette de kickboksleraar zijn vuile vaat op het aanrecht en ging ervandoor. Ik staarde naar het bordje, het mes en het kopje. Toen stond ik op om het af te wassen. Zoals vaders doen. “Lekker Rut!” hoorde ik Arie roepen in mijn achterhoofd. “Lekker!”