Klootzakje

Telkens als ik Tinus zijn wantje wil aandoen, spreidt hij zijn vingers zo wijd mogelijk, terwijl hij me met een ondeugende glimlach aankijkt. “Wat ben je toch een klootzakje,” zeg ik lachend, “een klein klein klootzakje.” Als het eindelijk lukt zegt hij: “Zó.” “Ja,” zeg ik, “Zó.” Ik sta op en bekijk het klootzakje, hoe hij volledig ingepakt in de wandelwagen zit, met die grote blauwe ogen van ’em.

“Kijk, papa doet ook een muts op.” Dat maakt hem aan het lachen. Ik begin te beatboxen en te rappen in ons smalle halletje: “Tinus heeft een muts op, papa heeft een muts op. Dikke dikke beat – dikke dikke baaaaaby.” Mijn zoon kijkt me aan met een mix van verwondering en plezier.

“Papa, buit’. Eèèsss,” lispelt hij uiteindelijk. Ja, we gaan naar buiten. Naar het ijs. Vroeger probeerde ik de hele winter binnen te blijven, maar dat kan nu niet meer.

We zijn de enigen in het witte park. “Maan,” zegt Tinus. En naar de eendjes: “Kak-kak-kak!” En dan een heel lang verhaal, vol overtuiging verteld, waar ik helemaal niets van begrijp. “Ja,” zeg ik, “zo kun je het ook zien.”

Overal in het park zitten van die zwarte vogels. Raven of kraaien ofzo. Kauwen? Het maakt ook niet uit. Ik kan Tinus toch nog alles wijsmaken. Ik zou tegen hem kunnen zeggen: “Kijk, dat zijn pinguïns.” En dan zou hij wijzen en zeggen: “Kwins.”

De vogels vliegen niet weg als we dichterbij komen – waarschijnlijk om energie te besparen. Er zit er eentje op de leuning van een bankje die ons tot een meter laat komen. Hij is dik en prachtig, zijn gitzwarte veren vormen het perfecte contrast met de hemels witte omgeving.

Toen ik depressief was en nog alleen woonde, tijdens een andere winter, zaten deze vogels de hele dag in de boom voor mijn raam. “Ka! Ka! Ka!” riepen ze. Al sinds Jurassic Park ben ik bang voor vogels.

Nu is het alsof we vrede sluiten. Hij beweegt zijn kop schichtig heen en weer, en ik kijk nog steeds wantrouwig naar zijn scherpe zwarte snavel, maar de kalmte van Tinus – half mens half dier – vormt een soort brug tussen ons. Natuurlijk is een zwarte vogel geen onheilsteken. Het is gewoon een zwarte vogel.

Ik besluit een stukje van Tinus’ ontbijtkoek naar hem te gooien. De vogel hipt er door de sneeuw naartoe.

Dan verschijnen er meer. Ze duiken niet massaal op de buit af, zoals eenden en meeuwen, maar stellen zich aan de randen op: eentje in de boom daar, eentje op de lantaarnpaal, eentje in een andere boom. Ik moet denken aan de tactiek van de velociraptors in Jurassic Park: eentje leidt je af, terwijl de rest je omsingelt.

Ik scheur gehaast de ontbijtkoek in stukken en gooi er in elke hoek één, als een soort offer, en loop dan vlug het park uit. “Ka! Ka! Ka!” roept Tinus. “Èèèèssss.”