Italiaantje

Mijn vriendin en ik staan op de pont, op weg naar huis na een geslaagde ‘date night’. Als je eindelijk een oppas hebt weten te regelen staat er toch wat extra druk op zo’n avond, dus we zijn allebei opgelucht dat het ook echt gezellig was.

Ik kijk kalm om me heen. Op een paar meter van ons staat een groepje jonge toeristen – twee van hen filmen de nachtelijke overtocht. Eentje heeft zo’n oerlelijke Amsterdam-muts op. Ze praten hard in het Italiaans.

Opeens maakt mijn lome tevredenheid plaats voor diepe haat. Dit groepje staat voor mij, nu, symbool voor alles wat er mis is met de wereld. Hun kleding, hun gadgets, hun quasi-ongeïnteresseerde houding en de manier waarop ze mijn stad als entertainment behandelen: dit alles is onderdeel van het domme, zelfingenomen consumentisme waar de hele wereld aan kapotgaat.

Dat gevoel overkomt me de laatste tijd vaker, vooral als ik me onder de mensenmassa op het Centraal Station beweeg, en zeker als ik moe ben. Iedereen lijkt alleen maar bezig met kopen, met uiterlijk vertoon, met het delen van lege ervaringen – waarom denken ze daar niet kritischer over na? Al die kennis is nu toch ruimschoots voorhanden? Rustig Rut, denk ik dan, liefde, tranquillo. Jij koopt zelf ook graag mooie kleren. Maar het is al te laat, ik ben volledig in paniek over alles.

Een van de filmende Italianen draait zich nu om en richt haar telefoon op de passagiers van de boot; ze verblindt ons even met het licht van haar camera. Nu is mijn irritatie ook nog eens echt gerechtvaardigd. Ik denk aan hoe laatst een andere toerist op de pont opeens mijn zoon in zijn kinderzitje begon te filmen alsof hij een zeldzaam dier was. “Say hi to the camera little guy!”

Mijn agressie richt zich vooral op een kleine, magere Italiaan met een strakke coupe en een glimmend jasje aan, die opgefokt heen en weer loopt over het dek, alsof hij de fucking kapitein is. Zijn machismo is de druppel. “Kom op, raak m’n fiets aan, geef me een reden,” mompel ik als hij vlak voor ons langs marcheert. Mijn vriendin moet lachen. Maar ik meen het: als hij nog verder mijn ruimte binnendringt, zal ik hem bij zijn kraag grijpen en buitenproportioneel hard overboord smijten.

De pont komt aan, het moment lijkt voorbij te gaan. Maar als we ons door de mensenbrij hebben gewerkt, loopt het magere Italiaantje opeens zelfverzekerd op het fietspad, een paar meter voor mijn wiel. Ik roep “Hé!” en ga tegelijkertijd in volle vaart op hem af. Hij stapt net op tijd opzij, maar ik steek mijn arm uit en raak hem met mijn elleboog.

“Voel je je nu beter?” vraagt mijn vriendin even later. Ze is sarcastisch, dat hoor ik ook wel. En ze heeft gelijk: het elleboogje was zinloos en laf. Maar als ik mijn gevoel peil, merk ik tot mijn eigen verbazing dat ik me inderdaad een stuk beter voel.