Is uw broertje echt groter?

Het lukt me nooit zo goed om met kinderen te praten. Op de dagen dat ik Tinus ophaal van de opvang, staren de andere baby’s altijd met grote ogen naar me. Als ik dan op mijn hurken ga zitten en alleen maar “Hallo Fenne, ben jij het vriendje van Tinus?” zeg, begint langzaam het onderlipje te trillen (Ik: “Oh nee, oh nee, nee joh lieverd”) – tot de ogen zich met tranen vullen en Fenne het op een krijsen zet. “Het ligt niet aan jou hoor,” zegt de leidster die snel het jongetje oppakt.

Maar met oudere kinderen gaat het niet veel beter. Gisteren liep ik bijvoorbeeld langs een paar voetballende jongetjes, toen een lomp, bol ventje een kleinere speler een duw gaf. “Dat zag ik,” zei ik, “gele kaart voor jou.” Ik stak de denkbeeldige kaart in de lucht. Ze keken me aan alsof ik gek was.

De praatjes met de buurtkinderen laat ik dus meestal aan mijn vriendin over, die veel beter is in simpele, oprechte opmerkingen als “Wat ben jij een stoer meisje zeg!”. Ik begrijp niet hoe kinderen denken: de wilde associaties, de onnavolgbare gedachtesprongen, hun kleine wereld. Als ik zeg: “Hoe gaat het op school?” dan is het antwoord: “Ik zag gisteren een naaktslak.” Tja, daar stokt het gesprek. Daar kan ik gewoon niets mee.

Maar sinds kort heb ik eindelijk aansluiting gevonden. Vorige week kwam ik de straat in lopen en zag dat het jongste zoontje van de Ghanees-Nederlandse buurvrouw op de grond zat te huilen. Zijn oudere broer Joshua stond erbij te kijken, samen met een ander buurjongetje.

“Moet je je broertje niet helpen?” vroeg ik. “Hij is gevallen,” zei Joshua schouderophalend. “Weet je,” zei ik, “je moet wel lief zijn voor je broertje hoor. Het is niet makkelijk, maar je moet het echt doen.” De kleinste was stil geworden, ze keken me nu alledrie met grote ogen aan. “Ik was ook niet altijd lief voor mijn broertje,” vervolgde ik, “maar later werd hij groter dan ik, en toen nam hij wraak.”

Ik vertelde over de keer dat mijn broertje me voor het eerst versloeg met stoeien. Hij was een jaar of twaalf en opeens heel sterk geworden. We stoeiden zoals altijd op zijn bed, en tot mijn grote verrassing belandde ik tussen het bed en de muur, waar hij me stevig vasthield. Ik zat volledig vast, maar ik kon het niet accepteren. Een half uur lang probeerde ik me met woede-aanvallen los te rukken, om de tijd terug te draaien, maar hij had me. Mijn vanzelfsprekende dominantie was voorbij.

Sinds ik dat verhaal heb verteld, word ik telkens als ik naar buiten ga omringd door buurjongetjes. Ze vragen: “Is uw broertje echt groter?” “Wie van jullie wint met judo?” “Bent u nu wel lief voor hem?” “Wanneer komt hij langs?”

De antwoorden: hij is reusachtig, hij wint sowieso met judo, ik ben nu héél lief voor hem en hij komt binnenkort langs om jullie stuk voor stuk een kilometer de lucht in te gooien.