Ik help wel

Herinnert u zich dat stukje over mijn onderbuurvrouw die steeds dezelfde dertig euro van ons komt lenen? Ze heeft inmiddels een vlot kortgeknipt kapsel en we hebben de drie tientjes al een tijdje niet meer teruggezien. Nu had ze weer twintig nodig, voor de belasting. “In april krijgen jullie alles terug hoor, ik hou het allemaal bij,” zwoer ze vanuit onze deuropening.

Wij waren net op weg naar buiten en zo stonden we dus met z’n allen in ons krappe halletje: Wilma, mijn vriendin, Tinus, Wilma’s hondje Lucy en ik. Tinus keek bezorgd naar het hondje en ik stond ook nog een beetje onzeker op mijn benen, na twee dagen buikgriep.

Toch kon ik het niet laten en vroeg: “Heb je nog gestemd, Wil?” “Neh,” zei ze, “dat doe ik niet meer. Maar ik vind wel dat dat ‘Forum voor Democratie’ – erg lange naam trouwens – goeie ideeën heeft hoor.” Ik had er natuurlijk op gerekend, maar bij het horen van die partijnaam wendde ik me vlug af en deed alsof ik bezig was met Tinus’ jas, waardoor ik mijn vriendin met het probleem opzadelde.

“Ja, maar ze zeggen ook rare dingen hoor,” deed mijn vriendin een dappere poging. “Zoals hoe ze de wetenschap achter klimaatverandering ontkennen.” “Jaaaa daar zijn ze allemaal toch veel te laat mee, ik heb het steeds gezegd,” reageerde Wilma met een vaag handgebaar. Ik wilde zeggen: “Echt nooit op FvD stemmen Wilma. Thierry Baudet heeft racistische en vrouwonvriendelijke overtuigingen en geeft om niemand behalve zichzelf.” Maar het moment was alweer voorbij. “Nou, ik ga weer naar binnen.” “Ja, wij gaan boodschappen doen.” “Daaaag.” “Daaaag.”

We liepen met z’n drieën traag door ons straatje, terwijl het zacht regende en een agressieve wind ons zo nu en dan bijna omver blies. Ik keek naar al het zwerfafval in de voortuintjes. “Als je erop gaat letten, is het echt heel erg hè,” zei ik tegen mijn vriendin, die niets terug zei. “Auto,” zei Tinus tegen elke auto.

Bij de snackbar raapte ik een groot stuk plastic op. We wonen vlakbij het water en soms zie ik gewoon hoe al die troep er naartoe waait, om over twintig jaar in de vorm van microplastics in Tinus’ lichaam terecht te komen natuurlijk. Loopt hij straks rond met een minuscuul stukje van de Dirk-tas van Wilma in zijn bloed. Ik voelde mijn misselijkheid langzaam terugkeren.

We staken het zebrapad over, waar de auto’s van de ene richting keurig stopten, maar vanuit de andere richting scheurde een taxi vlak voor ons langs. “KLOOTZAK!” schreeuwde ik en stak woest mijn middelvinger op. Ik zag nog net hoe de bestuurder verschrikt opkeek van zijn telefoon. Aan de overkant smeet ik het plastic in de container.

In de supermarkt waren we van alle kanten omringd door de leugens van het consumentisme. Ik kwam nauwelijks vooruit. “Ga jij maar alvast naar huis,” zei mijn vriendin. “Ik help wel,” bromde ik. Ze draaide zich opeens om en griste het mandje uit mijn handen. “Nee,” zei ze, “wat jij doet, helpt helemaal niets.”