Helaas niet meneer

Volgens Google kon ik het nét halen, dus toen er geen tram in zicht was, wist ik dat ik te laat zou komen. Ik moest een taxi pakken, en verdomd, daar reed er net eentje voorbij. Ik stak mijn hand op alsof ik een yellow cab op Fifth Avenue in New York aanhield – in feite was het een oude Skoda van een onbekend taxibedrijf.

“Naar De Plantage alstublieft,” zei ik tegen de chauffeur, een bleke jongeman met een strak verzorgd zwart baardje. Ik stapte achterin, zo kwam dat nou eenmaal uit.

“Gaat u naar Artis meneer?” vroeg de chauffeur met een zachtaardigheid die me verraste. Zijn open, nieuwsgierige ogen verschenen even in de achteruitkijkspiegel.

De laatste keer dat ik een taxi had genomen, was de chauffeur (die geen oogcontact maakte) de hele rit bezig geweest met een telefoongesprek via zijn AirPods. Een traag en eenzijdig gesprek, want telkens als hij na een lange tussenpose reageerde – “Ben jij oké ermee?” – dacht ik dat hij het tegen mij had, waardoor we steeds in hetzelfde misverstand terechtkwamen, tot hij vroeg (de blik strak vooruit gericht): “Hier goed?” en ik ervan overtuigd was dat hij zich dit keer tot zijn vriend had gericht.

“Nee,” zei ik tegen de bleke taxichauffeur, “maar ik was dinsdag nog in Artis. Met mijn zoontje.” “Het is leuk daar hè?” “Ja,” zei ik geamuseerd. Het was een kort ritje, praten was niet echt nodig, maar ik waardeerde zijn poging om contact te maken. “Heb jij kinderen?” vroeg ik. “Helaas niet meneer.”

In dat woordje ‘helaas’ zat heel veel, begreep ik: onvruchtbaarheid misschien, of een overleden vrouw. In elk geval leek het een verklaring voor zijn behoefte aan een echt gesprek.

We praatten even over de route, hij zou een illegale U-turn moeten maken, maar dat was geen probleem. “Wij taxichauffeurs zijn natuurlijk de ergsten op de weg, maar vergeet de fietsers niet hoor,” zei hij met een zelfbewustzijn dat opnieuw mijn vooroordelen onderuit haalde.

Na zijn voortreffelijke U-turn was het een paar tellen stil. Toen zei hij: “Ze is overleden, onze dochter. Na twaalf dagen.” Hij keek me via de spiegel aan met betraande ogen. “Te vroeg geboren. Vijfentwintig weken. Ze was sterk weet je. Echt een sterk meisje. Maar op dag twaalf was ze toch te moe.” “Jeetje man. Wat vreselijk.” “Ja.” We zwegen.

“Dit was recent dus,” zei ik. Hij knikte. “Juli.” Ik keek naar buiten. Het maakte niet meer uit of ik te laat kwam. “In het begin zit je thuis. Maar ik ben toch maar weer gaan werken hè. Afleiding.” “Ja.” Ik moest denken aan mijn eigen dochter, veilig in de buik van mijn vriendin.

“We zijn er.” Misschien wilde hij wel niet dat ik wegging. Maar we moesten door. Ik betaalde en legde nog even mijn hand op zijn schouder. “Sterkte man,” zei ik. “Dank u wel meneer,” zei de bleke taxichauffeur.