Heb je alles?

“Hebben jullie alles?” vroeg de overbezorgde moeder voor we uit haar vakantiehuisje vertrokken. “Opladers, zonnebrillen, babykleertjes?” Jaaahaaa, wilde ik zuchten.

Toen we ons huis naderden, realiseerde ik me dat mijn sleutels nog op het hoektafeltje van het huisje lagen, waar ik ze een paar dagen eerder meteen bij binnenkomst had neergelegd, terwijl ik dacht: “Dit is een handige plek. Hier zal ik ze niet vergeten.”

Onze schoonmaker had de sleutels van mijn vriendin door de bus gegooid. We overlegden dus voor onze deur: terugrijden of bij onze overbuurman Patrick vragen of hij een hengeltje kon maken? Ik gluurde door onze brievenbus.

“Hier is toch niet gebeurd wat ik denk dat er gebeurd is hè?” klonk de rokerige stem van Patrick al. Hij hing kalm uit het raam van zijn benedenwoning. “Wacht effe,” zei hij en ging naar binnen. Drie minuten later overhandigde hij me een bezemsteel waar hij een kistenhaak aan vast getapet had. Het zag eruit als een wapen voor tijdens de zombie-apocalyps.

De geïmproviseerde zeis paste niet door de brievenbus, maar Patrick stak alweer een nieuwe constructie naar buiten: een doucheslang met een haak die hij van een klerenhanger had gesloopt: “Probeer déze es.” Ook hiermee lukte het niet. Maar met de bezemsteel kon ik wel de post opzij duwen zodat ik de sleutels zag liggen: rechts tegen de muur – vanuit onze verticale brievenbus was het onmogelijk om die hoek te maken.

“Wacht, nu heb ik het!” riep Patrick en hij bracht me een afgeknipte stroomdraad waar hij een koelkastmagneet aan had vastgeboden. “Je bent een soort McGyver!” zei ik, maar hij begreep het niet en ging snel weer naar binnen, naar zijn keihard tetterende tv.

De magneet pakte niet. Ik was klaar om het op te geven. Toen stond opeens Patrick naast me, met zijn grote, oude, betatoeëerde lijf. “Déze wordt het,” zei hij en hij stak een rieten stok met een ijzerdraadhaak de brievenbus in, die hij met zijn lange vingers kon besturen. “Hou jij die klep open voor me.” Ik had nog nooit zo dichtbij hem gestaan, maar nu bevonden we ons opeens in de vreemde intimiteit van de fysieke samenwerking. Zijn geur van oude man, bier en nicotine was prettig.

“Hij ligt te plat…” mompelde Patrick, in innige concentratie. In gedachten reed ik al terug naar het huisje, maar ik baalde niet, omdat het zo’n grappige situatie was geweest. “Ik hóór wel iets,” zei ik plagerig.” “Ja, omdat ik ’em héb toch,” antwoordde hij kordaat, terwijl hij voorzichtig de sleutels omhoog takelde. “Wow serieus?” Hij legde ze in mijn handen en zei: “Ik kom niet voor níks naar de overkant hè.”

“Geweldig man,” zei ik en klopte hem op de schouder, maar hij verzamelde vlug al zijn gelegenheidsgereedschap, draaide zich om zonder oogcontact te maken en verdween weer zijn huis in.