Enge jongens

Tinus kan opeens zelf over de touwbrug in de speeltuin lopen. “Kijk wat ik doe papa!” roept hij met een mengeling van trots en verbazing in zijn blik, een blik die ik nu al mis.

Bij de schommels hangt een groepje jongens van een jaar of acht. Ze waren me meteen al opgevallen; een oude reflex. Al van kinds af aan ben ik bang voor dit soort stoere jongens, terwijl ze me tegelijk fascineren. ‘Enge jongens’ noemden we ze in ons dorp. Soms gingen we met een groepje kleinere kinderen bij hun hangplek kijken. Één keer vond ik daar een spijker die rood was gespoten, waarvan ik natuurlijk volhield dat het bloed was.

Twee jongens beginnen elkaar nu te schoppen. Ik ken dit spel maar al te goed: op de middelbare school hoorde ik zelf bij zo’n stoer groepje. We daagden elkaar de hele dag uit, tot eentje te ver ging en een keiharde stomp op zijn arm kreeg – of erger. Je moest constant op je hoede zijn.

Deze jongens trappen elkaar keihard op de bovenbenen. De roodharige verliest (uiteraard) en de ander draait snel zijn arm op zijn rug. Als de verliezer loskomt geeft hij zijn belager nog twee trappen, maar je ziet dat hij vooral tegen zijn eigen tranen vecht. Het lukt hem om niet te huilen.

Tinus heeft niets door. Als de jongens iets roepen, doet hij ze na. “Haaaaaaaa!” echoot hij dan vol bravoure vanuit zijn speeltoren. Verder zit hij nog helemaal in zijn eigen wereld.

Ik help Tinus de glijbaan op, maar ik kijk alleen maar naar de jongens. Ze trappen nu tegen het hekje van de speeltuin. Het geluid van hun getrap overheerst alles. Ze wéten toch dat hier een volwassene staat? Ik begrijp ze, ik ken ze, maar mijn ergernis is groter. Ik wil tegen de roodharige jongen zeggen: vrienden die je zo hard schoppen, zijn niet echt je vrienden.

“HÉ! KAP DAAR EENS MEE!” roep ik uiteindelijk terwijl ik op ze af been. De jongens staan stil. “Straks gaat het kapot, dan rennen kleine kinderen zo de straat op, die worden dan aangereden, en dat is dan óók jullie schuld,” bries ik. Het is veel te heftig, besef ik meteen. In mijn hoofd is een orkaan opgebouwd. Het groepje kijkt me slechts uitdagend aan. “Ga je ergens ánders vervelen,” zeg ik nog vruchteloos voor ik weer wegloop.

Terwijl ik Tinus – nog immer onbezorgd – op de schommel duw, voel ik de spanning van de confrontatie nog nagieren in mijn lijf. “Hoger papa!” zegt mijn zoon. Intussen zijn de jongens me aan het uitdagen: “Ik ben ook een kind meneer, ik ren zo de straat op!” roepen ze. Ik negeer ze met moeite.

Even later besluiten ze verstoppertje te gaan spelen en zijn het inderdaad opeens weer kinderen. Ze zijn mij alweer vergeten terwijl ze giechelend naar hun verstopplekken rennen. “Zullen we ons ook verstoppen papa?” zegt Tinus gretig als een van de jongens weer tot tien telt. “Nee,” zeg ik terwijl ik vlug zijn handje pak, “laten we naar huis gaan.”