Een stoel op het strand

Toen mijn vriendin en ik nog tijd hadden om urenlang op de bank te hangen, hadden we een terugkerend grapje. Als ik vroeg: “Wat zullen we kijken?”, antwoordde zij: “Shoah…?” waarna we tegelijk zeiden: “Nêhhh.” De film stond al tijden klaar op mijn laptop, maar wie heeft er ooit zin in een ruim negen uur durende documentaire over de Holocaust?

‘Zin’ is natuurlijk niet het punt, dus op een regenachtige zondag kwam het er toch van. Het is moeilijk om de kijkervaring van Shoah in woorden te vatten, maar de uitgestrekte lengte bleek een essentieel onderdeel, omdat het je dwingt om erin op te gaan. Dat is wat regisseur Claude Lanzmann continu doet: je dwingen om erin op te gaan (helaas drong hij zich ook regelmatig aan vrouwen op).

De trage beelden van natuurschoon op plekken waar de gruwelijkste misdaden hebben plaatsgevonden, bezorgen je dezelfde misselijkmakende desoriëntatie als de tegenstellingen in het gedicht ‘Todesfuge’ van Paul Celan: “dein goldenes Haar Margarete/dein aschenes Haar Sulamith”.

En ook tegenover de overlevers is Lanzmann dwingend. Zoals bij de man die op een terras aan het strand van Tel Aviv maar blijft glimlachen terwijl Lanzmann zijn vragen stelt, tot we de glimlach zien voor wat hij is: een overlevingsstrategie.

Of bij de Israëlische kapper Abraham Bomba, die in Treblinka gevangenen moest kaalknippen voor ze de gaskamers in gingen. Hij vertelt zijn verhaal op luide, afstandelijke toon, terwijl hij een klant in zijn kapsalon blijft knippen. Tot hij plotseling toch stokt. De camera zoomt in, we zien hoe hij zijn emoties probeert te onderdrukken. “Come on Abe, you have to,” dringt Lanzmann aan. “I can’t do it,” fluistert Bomba. “Don’t make me do it.” Het lukt hem toch.

Of bij Jan Karski, die als spion namens de Poolse regering het ghetto van Warschau binnendrong, en zo een van de eerste getuigen van de rassenzuivering werd. “Now I go back thirty-five years…” kondigt hij aan bij het begin van het interview. Maar dan wordt hij door herinneringen overmand en roept hij uit “No! No! I don’t go back!” waarop hij geëmotioneerd de kamer uitloopt. Ook hem lukt het bij de tweede poging alsnog.

Onlangs las ik Beloved, de klassieke roman over de Amerikaanse slavernij van Toni Morrison, die een paar jaar na Shoah verscheen. De mechaniek van het trauma is hier hetzelfde: “To Sethe, the future was a matter of keeping the past at bay.” Maar ook Sethe ontmoet mensen – en geesten – die haar toch dwingen om het verleden in de ogen te kijken.

Mensen beschikken over een bizar groot vermogen om verdriet te onderdrukken, net zoals we er goed in zijn om andere negatieve kanten van onszelf en het leven te ontkennen. Zullen we Shoah kijken? Nêhhh.

Voor mij was dat het belangrijkste deel van Grunbergs speech gisteren: de oproep om het kwaad in onszelf onder ogen te blijven zien: “Niets doet mensen zozeer naar een onwrikbare identiteit verlangen als het knagende vermoeden dat ze geen idee hebben wie ze zijn. En het is vaak de onwrikbare eigen identiteit, de weigering er speels mee om te gaan, die ertoe leidt dat de ander als een volstrekte vreemde en een absolute vijand wordt gezien.”

En: “Als herdenken ook verlangen naar kennis is, dan zijn details belangrijk, en dan kunnen we het ons niet permitteren te zeggen dat wij bepaalde details niet wensen te horen omdat ze onze nachtrust verstoren.”

Op mijn vijftiende had ik op de een of andere manier het boek Moordenaars Onder Ons van nazi-jager Simon Wiesenthal in handen gekregen (ik denk na het lezen van De Jongens van Brazilië van Ira Levin, waarin Wiesenthal een personage is). Hierin stuitte ik op een van de foto’s die nazi’s op feestjes uitwisselden, van een officier die zijn wapen op het achterhoofd van een magere man gericht houdt, op de rand van een kuil vol lijken. De gevangene kijkt recht in de camera, met een blik die alleen maar ‘Waarom’ lijkt te vragen.

Die nacht kon ik, misschien wel voor het eerst in mijn onbezorgde leven, niet slapen. En ik vermoed dat die foto me er later toe dreef om Auschwitz te bezoeken. Ook na de officiële tour dwaalden we er nog urenlang rond, vastbesloten om elk detail in ons op te nemen.

Grunberg erkende ook dat het belangrijk is om jezelf niet helemaal in het verleden onder te dompelen – de glimlach is écht een essentieel overlevingsmiddel. Ik kan zelf ook doorschieten in mijn drang naar eerlijkheid, waardoor het zwelgen wordt, of nog erger: depressie. Daar heeft niemand iets aan. En dan heb ik nog makkelijk praten.

Toch blijf ik geloven dat we onze diepste waarheden met elkaar moeten blijven delen. Dat we onze zwaktes moeten erkennen, om te voorkomen dat we onze frustraties – ons verdriet – afreageren op de ander. Dat we onszelf en elkaar daar soms toe moeten dwingen, zodat we kunnen leren en veranderen. In plaats daarvan lijken we steeds vaker te kiezen voor een onwrikbare identiteit.

In Yad Vashem, het Holocaustmuseum bij Jeruzalem, hoorde ik het verhaal van een Joodse vrouw die de oorlog overleefde en naar het Beloofde Land trok. Ze verwachtte dat daar op het strand een stoel voor haar klaar zou staan, waar ze op zou gaan zitten zodat ze eindelijk haar verhaal zou kunnen vertellen. Maar er stond geen stoel: niemand wilde haar verhaal horen.

In Israël heerst nog steeds veel schaamte over de manier waarop Joden zich ‘als makke lammeren’ hebben laten afvoeren. Kinderen schelden zwakkere klasgenoten op het schoolplein uit voor ‘stuk zeep’. Een onverwerkt trauma kan ook leiden tot een onwrikbare identiteit, tot nieuwe haat.

Ik moet vaak denken aan die stoel op het strand. Aan de kapper die fluistert: “I can’t do it”, aan Lanzmann die dan zegt: “You have to.” Aan Paul D, die aan het eind van Beloved over Sethe zegt: “She is a friend of my mind. She gather me, man. The pieces I am, she gather them and give them back to me in all the right order.”

Een paar jaar geleden vertelde mijn vader me dat hij had ontdekt dat zijn oma Joods was en dat veel familieleden van zijn moeder in concentratiekampen zijn overleden. Zijn moeder was zelf tijdens de oorlog gehaast met zijn katholieke vader getrouwd, en ze had mijn vader nooit iets over haar Joodse achtergrond verteld.

Het gekke is: in eerste instantie wilde ik er ook niets over horen. Ik deed het af als een nieuw projectje van mijn vader, als verre familie die niets met mij te maken heeft. Misschien wordt het toch eens tijd om naar zijn verhaal te luisteren.