Een dag met de kinderen

Mijn probleem is niet dat ik een slechte intuïtie heb, maar dat ik een goede intuïtie heb waar ik vaak niet naar luister. Het begon ‘s ochtends al, toen ik mijn lievelingstrui uit de kast trok en ergens vaag in mijn achterhoofd klonk: ‘Doe maar niet, je hebt een dag met de kinderen.’ Ik trok de trui alsnog aan en compenseerde hem met een joggingbroek.

De oudste was gelukkig in een uitstekende stemming, wat alles makkelijker maakt, maar wat er ook voor zorgt dat hij non-stop peuterpraat, wat alles weer wat moeilijker maakt. Hoe dan ook reageerde hij verrassend positief op mijn voorstel om naarbuiten te gaan.

‘Naarbuiten gaan’ klinkt bedrieglijk simpel als er kinderen bij betrokken zijn. ‘Zul je zien dat zij net gepoept heeft’, dacht ik over de jongste, maar ik negeerde die gedachte tot de geur onontkoombaar was. ‘Wacht hier,’ zei ik tegen mijn zoon en rende naarboven met mijn gore, gore dochter, die intussen grijnzend kwijl, snot en banaan over mijn trui smeerde.

Het was veel poep. Heel. Veel. Poep. En ook nog het soort poep dat grotendeels uit poepballetjes bestaat, waardoor je het niet echt kunt afvegen, maar meer moet verzamelen op je wc-papiertje, terwijl je uit alle macht probeert te voorkomen dat er poepballetjes van de verschoontafel in je broekzakken rollen en je natuurlijk stampvoetjes uit het rampgebied moet houden en oh nee hè het zit ook helemaal op haar rug. ‘Papaaaaa?’ ‘EVEN WACHTEN TINUS!’ riep ik zwetend terwijl mijn dochter begon te krijsen. ‘Ik kom je helpen papa!’ ‘Niet doen! Blijf daar!’ Even later stond hij voor me, poedelnaakt.

Toen de schade was hersteld en mijn rugzak was volgepropt met álle dino’s, moest Tinus nog plassen, waarop hij halverwege kreunde ‘Het is… ook… poep… papa’. Hij dreigde woedend te worden als Frenkie en ik alvast naar beneden zouden gaan, dus stonden we daar maar te kijken naar hoe hij zat te poepen. Waarmee ik bedoel dat ík stond terwijl Frenkie door mij werd gedragen, natuurlijk.

Na het afvegen en het onderwijl voorkomen dat Frenkie in de wc-pot zou klimmen, sprintte Tinus de woonkamer weer in om een enorme Brachiosaurus te halen. ‘Die past echt niet meer,’ zuchtte ik. Waarna hij op die lief-dwingende manier van hem zei: ‘Dan draag ik hem, oké papa?’

Op de fiets bleek dat het inderdaad nét iets te koud was zonder jas, zoals ik al had vermoed. De Brachiosaurus viel maar één keer, wat ruimschoots werd gecompenseerd door de iets te grote schoentjes van mijn dochter, die elke honderd meter een vluchtpoging waagden. Onderweg passeerden we zeventien cafés waarvan ik dacht: ‘Hier zou ik nu broodjes moeten halen’, waarna ik toch doorreed.

Intussen praatte Tinus aan één stuk door, zonder dat ik luisterde naar wat hij precies zei – ik reageerde gewoon met ‘ja’ op alles wat als een vraag klonk en met ‘nee inderdaad’ op ‘nee toch papa?’. In gesprek met mijn zoon ben ik soms een algoritme, dat precies de juiste antwoorden geeft terwijl het totaal blind is voor de inhoud.

In het park was er gelukkig ook een café. Nadat ik de loodzware kinderen uit hun zitjes op de half omvallende fiets had gehesen, bleek dat café gesloten te zijn. Mijn zoon plaste in de bosjes en deed dat uitstekend, het ging maar een béétje over zijn broek heen. Zijn zusje at intussen twee blaadjes en een takje waar zeker zes soort AIDS op zaten. Kortom, we begonnen honger te krijgen, en het voorkomen van honger is toch zo’n beetje je belangrijkste taak op zo’n dag.

Op Google Maps zag ik dat de dichtstbijzijnde bakker op 200 meter lag, een reusachtige afstand met twee kleine kinderen in een grote stad, dus hees ik die twee donderstenen van honderd kilo weer húp de fiets op en reed naar de ecologisch-veganistische bakker – we waren immers in een yupperig deel van de stad beland.

Tussen alle rijke, hippe mensen in de rij voor de bakker besefte ik opeens hoe goor we er alledrie uitzagen, maar dat zorgde ook voor een bepaalde trots. Frenkie kroop over de vloer terwijl Tinus de vrouw van de bakkerij over zijn Brachiosaurus vertelde en dat tafereel zorgde er misschien wel voor dat ik de gedachte ‘Geen koffie nemen – die kun je niet dragen!’ overrulde met de uitspraak ‘En nog een grote cappuccino met havermelk alstublieft’.

Ik propte ontspannen de zak met croissantjes en pizzabroodjes tussen de dino’s in mijn rugzak en plaatste de koffiebeker heel voorzichtig in één van mijn zijvakjes. Moet lukken, dacht ik, gewoon zorgen dat-ie rechtop blijft. Dat besef zorgde ervoor dat ik met een soort overdreven squat-beweging – rug recht, billen achteruit gestoken – hurkte om Frenkie op te tillen. Toen ik overeind kwam voelde ik hoe het warme vocht zich over mijn rug en bovenbeen verspreidde.

De koffie was door de kracht van mijn squat geëxplodeerd, zag ik toen ik mijn rugzak afdeed. Ik zat helemaal onder. “Dat heeft die dinosaurus zeker gedaan?” zei de ballerige man die na mij aan de beurt was, maar ik zei: “Nee hoor, ik was het”, omdat ik niet zo’n laffe lul ben die altijd anderen de schuld geeft. Toen we weggingen zei hij ook nog: “Sterkte hè”, wat ik altijd de meest denigrerende vorm van medeleven vind.

Ik had ook geen sterkte nodig, in het park speelde Tinus geen seconde met zijn dino’s en ze hadden ook schijt aan het mooie picknickkleed dat ik had meegenomen waardoor al snel alles en iedereen onder de modder zat, maar op dat moment had mijn intuïtie het allang opgegeven, ik had me overgeven aan de Roald Dahl-achtige goorheid van mijn trui en hun monden, ik was één geworden met de situatie en mijn beresterke kinderen, die kraaiden van plezier tijdens het stoeien.

Na zeven weken hard werken lukte het me eindelijk weer om helemaal met hen te zijn zonder met een half oog mijn e-mail te checken, en daarmee ontstond er ook weer een beetje ruimte in mijn hoofd voor ideetjes, voor dit stukje, en ik wilde dat het nooit zou ophouden, maar toen moest ik plassen en de jongste moest slapen en dus denderde ons treintje weer voort, naar huis, naar de douche en de wasmachine, zodat het morgen allemaal weer opnieuw naar de gallemiezen kon gaan.