Buren

“Uitschot zijn jullie. Uitschot!” hoor ik mijn overbuurman Patrick met zijn André Hazes-accent roepen. In reactie daarop klinken de verontwaardigde stemmetjes van drie tienermeisjes – hun straat-accenten trippelen alle kanten op. “Denkt u dat u de baas van deze straat bent ofzo?” “Ja wie denkt u dat u bent?” Ik wil uit het raam kijken, maar dat kan niet omdat ik Frenkie de fles zit te geven.

Als de kinderen in bed liggen, kan ik vlug een blik naar de overkant werpen. Inmiddels heeft zich een grote groep kinderen en volwassenen rond de tuin van ons overbuurmeisje gevormd. Ze zit zelf op de drempel van haar huis met haar handen onder haar kin, sip voor zich uit te kijken. Twee oudere gehoofddoekte vrouwen voeren het woord, maar de stemmen zijn gedempter. Patrick en zijn zus Loes luisteren mee vanuit hun tuin. De tienermeisjes houden zich achter in de groep op, met besmuikte lachjes.

De volgende dag vraag ik Patrick wat er gebeurd was. De meisjes hadden namelijk geen idee: hij is écht de baas van de straat. Zijn huis ligt precies in het midden; vanuit zijn tuinstoel houdt hij alles in de gaten. Maar het is een zachtaardige baas. Zijn motto is: iedereen is lief. Hij heeft ons al talloze keren uit de brand geholpen.

“Oh dat,” zegt hij met een lachje. Het zat zo (hou je vast): ons Ghanees-Nederlandse buurjongetje had mot met een Marokkaans-Nederlands jongetje uit een andere straat, die daarop de moeder van de buurjongen had uitgescholden voor “k-hoer”. Ons Marokkaans-Nederlandse overbuurmeisje, een verlegen type met een bril en een hazenlip, had het jongetje toen omver geduwd. Vervolgens kwamen zijn zus en twee vriendinnen verhaal halen.

“En dat pik ik niet hoor, drie van die grote tegen een kleintje. Tegen óns buurmeisje,” zegt Patrick, een witte man van in de zeventig. “Nou, meteen een grote bek jonge, die drie.” Hij neemt een hijs van zijn sigaret. “Maar ik moet zeggen: die moeder deed het top.” Ter illustratie steekt hij een duim op. De moeder van het jongetje had de boel gede-escaleerd met een groepsgesprek.

Voor Patrick en ons buurmeisje is het volkomen vanzelfsprekend om voor hun buren op te komen. Mij ontroert het. Ze zouden ook voor ons doen, weet ik. En wij voor hen, besef ik.

Waarmee ik niet wil zeggen dat er geen verschillen tussen ons zijn, in privileges of opvattingen, of dat er nooit gedoe onderling is. Het is niet perfect. Maar dit is ons straatje. Hier groeten we elkaar. Hier wónen we.

Tijdens een vliegreis fantaseer ik er soms over dat we zullen neerstorten, maar de crash overleven: hoe zouden we het doen met deze groep? Wie zou de leider zijn? Die man op rij 3 zou direct beginnen met klagen. Die vrouw op rij 8 kan ik vertrouwen, dat voel ik. Wie maakt er vuur? Hoe lang zouden we het volhouden met elkaar?

Maar over mijn straat hoef ik niet te fantaseren. Als hier ooit de pleuris uitbreekt, zitten we sowieso goed.