Bluetooth-verbinding

Ik fietste in volle vaart naar de pont toen Nick Cave plotseling stopte met zingen. In een paar nanoseconden ging ik alle mogelijke oorzaken na, terwijl mijn handen al in lichte paniek mijn zakken aftastten. En ja hoor: de Bluetooth-verbinding tussen mijn koptelefoon en mijn telefoon was verbroken, wat betekende dat ik het ding honderden meters terug had laten vallen.

Terwijl ik terugfietste bedacht ik koortsachtig dat ik mijn tweedehands telefoon al twee jaar bezat, waardoor de schade meeviel, maar aan de andere kant had ik nul zin om weer dagenlang telefoons te vergelijken op tech-blogs en over verzendkosten te onderhandelen met Marktplaats-idioten.

Elke persoon die ik passeerde was een potentiële verdachte, of een potentiële medestander – ik probeerde overdreven zoekend naar de grond te turen, om duidelijk te maken dat ik die sukkel was die net zijn telefoon uit zijn zak had laten glijden terwijl hij gehaast zijn handschoenen pakte, omdat hij te laat was voor een afspraak en helemaal gegrepen was door Nick Cave’s ‘Today’s Lesson’.

Maar niemand sprak me aan, mensen keken slechts geïrriteerd terug, wat ze alleen maar verdachter maakte. Mijn route liep dwars door een louche deel van de wijk.

Ik kwam weer bij mijn huis aan, wetende dat mijn telefoon daar niet kon liggen, zo ver ging mijn Bluetooth-bereik niet, maar het was de laatste plek waar ik hem had gezien, en daar moet je beginnen met zoeken volgens mijn moeder. Ik besloot om nog één keer goed onder alle auto’s te kijken.

Halverwege was een stratenmaker bezig in een zandkuil. Hij zat onder de jeugdpuistjes, maar had tegelijk een onmiskenbare volwassenheid in zijn ogen. Ik vroeg hem of hij iets had gezien. Hij stak kalm een sigaret op en zei: “Ja, er liep hier net een vrouw met een telefoon. Ze had een paars moslim-ding aan. Ze ging dat hotel in.” Hij wees naar het kleine buurthotel. Ik bedankte hem en ging naarbinnen.

De hotelmanager, een kleine, droge man, bevestigde dat er een paarsgeklede dame was binnengekomen. “Kunnen we bij haar kamer aankloppen?” Hij aarzelde even, maar knikte toen.

Onderweg naarboven zei hij op de toon van een teleurgestelde vader: “Als zij hem heeft gevonden, had ze hem bij mij moeten afleveren. Zo hoort dat. Dit is niet goed.” Op de bovenste verdieping van het versleten hotelletje klopte hij op een deur. “Soraya?” zei hij.

De deur ging open met het kettingslot er nog op, als in een film over drugsmisdaad. Twee grote ogen staarden ons aan. Toen de deur volledig open ging zag ik twee magere vrouwen, waarvan de voorste een paarse djellaba droeg. De kamer was een zooi, het rook naar wiet en andere geuren die ik niet kon thuisbrengen. De andere vrouw was met mijn telefoon bezig. Het hoesje was er al af, zag ik.

Ik wees ernaar en zei vlug: “Dat is mijn telefoon.” “Oh!” riep Soraya verschrikt. “Is die van jou!” De tweede vrouw voegde eraan toe: “We waren al aan het wachten tot iemand zou bellen!” Ze drukte hem snel samen met hoesje in mijn hand. “Nou fijn dat het goedgekomen is!” zei Soraya voor ze de deur dichtdeed. De hotelmanager sloeg dit alles emotieloos gade.

Eenmaal buiten liep ik naar de stratenmaker. “Wat is je merk?” vroeg ik. “Marlboro,” zei hij. Ik kocht een pakje Marlboro bij de sigarenboer en gooide het naar hem vanaf de straat – misschien wel het coolste wat ik ooit heb gedaan. “Je hebt me gered man,” zei ik. Hij knikte slechts.

Even later stond ik hevig bezweet op de pont terwijl Nick Cave de draad weer oppakte. Meer heb ik er niet over te zeggen.