Baco Bicho

Mijn zoon heet Baco Bicho. Tenminste, dat is wat hij me vertelt. “En jij heet… Brakr,” zegt hij, zijn vuistjes verkrampt van de voorpret. “En mama?” “Ehm… Goulas!” “En Frenkie?” “Gourrrrrras!” Als we lachen om zijn vondsten, lacht hij mee met de lach van een peuter die nog niet helemaal begrijpt wat er grappig is, maar die er maar al te graag onderdeel van uitmaakt.

Baco Bicho (aka Tinus) is de laatste tijd geobsedeerd met namen en rollen. Hij noemt mij graag bij mijn volle naam: “Jij heet Rutgerrrr Lemm,” zegt hij dan met een bekakte R terwijl hij naar me wijst, wat me terugbrengt naar pesterijen op de basisschool. “Mama heet Maartje Smits!” “En Frenkie?” “Frenkie heeft nog geen achternaam.”

Elke keer als ik hem uit zijn kinderstoeltje haal (van zijn moeders fiets, ik ben te gemakzuchtig om er zelf ook eentje te installeren) en naarboven wijs, waar zijn moeder en zijn zusje voor het raam staan te zwaaien (Frenkie vooral met haar hoofdje), zegt hij verdrietig: “Nee, dat is niet ons huis. Dat is een nep-mama en een nep-Frenkie. Ik wil mijn échte mama!” Hij kan nog niet begrijpen dat onze deur weliswaar beneden is, maar dat we daarna altijd meteen de trap naarboven nemen.

Als ik Tinus ‘schat’ of ‘bikkel’ noem, kijkt hij me nijdig aan. “Ik ben niet schat. Ik heet GEWOON Tinus.” Troetelwoordjes voor zijn zusje zijn ook verboden: “Ze heet FRENKIE papa. NIET Fronkeltje.”

“Ik hou van jou,” zeg ik als we samen douchen en hij eindelijk langer dan drie seconden met me knuffelt. “Ik niet van jou,” antwoordt hij fijntjes vanaf mijn schouder. “Ik hou wél van mama en Frenkie, maar niét van jou.”

Als hij na een korte strijd zijn tanden door mij laat poetsen wijst hij naar de spiegel en zegt hij: “Dat is Baco Bicho. Ik ben Tinus.” Over mij zegt hij: “Voor ánderen ben jij papa. Maar voor mij ben jij Rutger Lemm, toch?” Ik glimlach en zeg “ja”, zoals je zo vaak “ja” tegen peuters zegt.

Gisteren lagen we na het stoeien in het grote bed en kondigde hij aan: “Nu gaan wij over Baco Bicho praten.” Dat kwam goed uit, want ik was al een tijdje benieuwd naar hem. Baco Bicho blijkt van crackers en van auto’s te houden. Hij is ook een kindje, maar hij woont niet hier. “Waar dan?” “Ietsje verderop.”

“Ben jij zélf Baco Bicho?” vroeg ik hem uiteindelijk op de man af, zijn gezichtje dicht bij het mijne. Hij dacht even na. “Een beetje,” zei hij tenslotte.

Vanochtend zei hij opeens: “Jullie zijn mijn ouders.” “Klopt!” zeiden wij. “Hebben jullie ook ouders?” vroeg hij geïntrigeerd. “Opa en oma zijn mijn ouders,” verklaarde mijn vriendin. Hij staarde voor zich uit. “En weet je,” haakte ik gretig in, “wij zijn óók Frenkies ouders.”

Terwijl ik hem triomfantelijk aankeek, vulden zijn ogen zich langzaam met tranen. Wij zetten ons schrap voor het volgende peuterdrama. Van ons kind, onze grote leider, Baco Bicho.