Wat een leventje

“Wat een leventje heeft zo’n baby hè,” zei mijn zus laatst terwijl ze Tinus appelmoes aan het voeren was, “alles wat je wil, wordt je aangereikt.” Op dat moment begon mijn zoon te huilen. Hij gebaarde een paar minuten wanhopig met z’n mollige armpjes, tot mijn zus eindelijk het flesje met water in zijn mond stak en hij gretig begon te drinken.

Het lijkt me juist vreselijk om een baby te zijn. Ik zou ook de hele dag huilen als ik volledig afhankelijk was van anderen, zonder dat ik met ze kon praten. “Nee sukkels, ik wil geen rijstwafel, ik heb in mijn broek geplast! Mijn broek! Nat! Vies! Hier! Help!” En dan heb ik het nog niet eens over subtielere problemen als een iets te strakke luier, spierpijn of een zaadje tussen je twee tandjes. “Rot op met die speen, krab gewoon even op mijn rug, linksboven please, linksboven!” Dat is wat baby’s proberen te zeggen als ze huilen. Denk daar maar eens aan als je je zit te ergeren tijdens je vliegreis.

Mentaal gezien moeten de eerste levensjaren bovendien voelen als één lange drugstrip. Om de paar weken wordt een baby wakker in een compleet nieuwe wereld. Baby-ontwikkelingsboeken klinken als de hallucinatie-beschrijvingen van Aldous Huxley: “Je baby begreep eerder hoe de relaties tussen voorwerpen en handelingen werken, nu kan hij ze op afstand van zichzelf plaatsen en in categorieën indelen: hij merkt dat hij net zo’n wezen is als mama, dat hij dezelfde bewegingen kan maken als zij.” Wow dude. Wow.

Daarnaast hebben baby’s nog nauwelijks een afweersysteem, waardoor ze zo’n tien keer per jaar een paar weken zwaar verkouden zijn – maar ze kunnen óók nog niet goed door hun mond ademen, zodat ze tijdens zo’n periode constant high zijn van het zuurstoftekort en ‘s nachts steeds weer half stikkend wakker worden. Bij zulke onmogelijke combinaties weet je zeker dat Moeder Natuur een sadist is.

Als je alles bij elkaar optelt, mogen we van geluk spreken dat we ons niets van deze helse periode kunnen herinneren.

Misschien vind je me te negatief, maar het helpt me juist om meer liefde voor Tinus te voelen. Om te waarderen hoe vrolijk hij meestal is. Als je ervan uitgaat dat een baby het makkelijk heeft, vind je hem al snel moeilijk. “Nou nou, chagrijntje,” zei ik vanochtend bijvoorbeeld toen hij huilerig was – een van zijn twintig (!) tandjes is de laatste dagen langzaam zijn tandvlees aan het doorboren. Hij keek me aan met een blik van: chagrijntje? Really?

Opeens herinnerde ik me hoe ik zelf als kind tijdens een vakantie voortdurend op mijn kop kreeg omdat ik chagrijnig was. Tot mijn ouders me na een week toch naar een huisarts brachten en ik bronchitis bleek te hebben. Blijkbaar durfde ik niet te zeggen dat mijn longen pijn deden. Ik kreeg sowieso nooit koorts.

Mijn zoon mag dus een onredelijke klootzak zijn. We zien later wel weer wat voor trauma’s dat heeft opgeleverd.

Zwembad

Onze onderbuurvrouw heeft een zwembad. Een uitklapzwembad van twee bij drie, met een luchtbed waar ze op dobbert in haar bikini. Daarnet mompelde ze gelukzalig tegen haar hondje: “Wat een leven, Lucy, wat een leven.”

Dezelfde buurvrouw leent een keer in de maand dertig euro van ons. Of eigenlijk leent ze het van mijn vriendin, want als ik opendoe zegt ze snel: “Hé schat, alles goed, is je vrouw thuis?” Eerst leende ze het sporadisch, maar al snel kwam er een regelmaat in. Ik maakte me zorgen over afhankelijkheid, maar mijn vriendin zei dat het wel mee zou vallen, en natuurlijk kreeg ze gelijk.

Het grappige is: we geven haar telkens dezelfde dertig euro. Als ze de terugbetaling door de brievenbus gooit (‘Bedankt weer meis!’) bewaart mijn vriendin de envelop, om hem een maand later weer te overhandigen. Ze krast de vorige boodschap door en schrijft er iets nieuws bij. De buurvrouw kan daar de humor wel van inzien. We zijn een soort bank voor drie schamele tientjes.

Toen we hier net woonden, was er geluidsoverlast – of ik was paranoïde, dat zou ook goed kunnen. Ik hoorde telkens een dreunende bastoon. Het moest bij de buurvrouw vandaan komen. “Ha buurman!” zei ze toen ze opendeed. Ik vroeg haar of ze muziek draaide. “Nee jongen, ik ben alleen wat computerspelletjes aan het spelen.” “Oh ja? Game jij?” “Ach ja, gewoon wat life simulation games weet je. The Sims enzo.”

Het ijs was gebroken. We praatten over de geluidsoverlast en toen zei de buurvrouw: “Ja, ik hoor jullie ook weleens. En zij van hiernaast ook, met die kinderen. Maar dan denk ik altijd maar: het leeft, weet je. Het lééft.” Daar moet ik nog vaak aan denken.

Soms denk ik dat de wereld naar de klote gaat dankzij de valse belofte van het consumentisme: alles is leuk, iedereen is bijzonder. Die ijdele en hedonistische gedachte is zo wijdverspreid dat zelfs de laagste sociaal-economische klassen hun luxe opeisen. “Leef, alsof het je laatste dag is. Pak alles wat je ka-ha-ha-haaan,” klinkt uit elke geluidsinstallatie van onze achterstandsbuurt. Ja, en als dat niet lukt? Dan maak je schulden, of geef je iemand anders de schuld.

Maar dan kijk ik vanaf ons balkon naar onze dobberende buurvrouw en dan denk ik: voor een paar tientjes tovert ze haar sociale huurwoning om tot een villa in Saint-Tropez. Dat kan alleen in deze tijd, en dat is prachtig. Het leeft, weet je. Het lééft.