Wat er moet gebeuren

Ik heb vanochtend mijn vriendin ten huwelijk gevraagd. Ik geloof niet dat ze doorhad dat ik het meende. Dat kwam deels doordat ik te lang had nagedacht over mijn kleine ontbijt-speech, en deels doordat ze tussendoor een hoestbui kreeg.

Sowieso heeft ze deze week moeite om me serieus te nemen, omdat ik nogal dramatisch ben aangelegd en niet kan stoppen met Corona-nieuws lezen (het is nu ook nog eens mijn werk). In de Whatsapp-groep van haar nuchtere familie word ik steeds bespot. “Maar misschien is dit wel een van die unieke situaties waarin mijn paranoia preciés de juiste respons is!” typte ik.

Ik voelde de Corona-crisis al aankomen, waarmee ik niet wil zeggen dat ik het heb voorspeld. Maar er hing al tijden iets in de lucht, toch? In november schreef ik nog een stukje getiteld ‘Alles Valt’, waarin één gemene griep mijn hele leven op losse schroeven zette. De afgelopen maanden sloeg de ene na de andere storm tegen de ramen, alsof iemand ons wakker wilde schudden. Op straat waren mensen gefrustreerd en agressief.

Veel mensen, links en rechts, hebben al tijden het gevoel dat er iets grondig mis is met onze wereld. Dat het weleens helemaal uit de hand zou kunnen lopen. Vandaar dat de supermarkten zo snel worden leeggegraaid: iedereen had al eens over dat doemscenario nagedacht. Het Corona-virus test nu al de limieten van onze huidige manier van samenleven. Het speelt zich af op een schaal die de meesten van ons nog nooit hebben meegemaakt, en die nauwelijks te bevatten is.

Ik voel me al weken alsof ik ben losgezongen van de werkelijkheid, waardoor ik gek genoeg helemaal niet zo paniekerig ben. Ik zie juist opeens heel helder wat belangrijk is; wat er gedaan moet worden. Ik werd ook niet ziek, terwijl ik normaal gesproken door elke griepgolf word meegesleurd.

Een paar dagen geleden trok ik de deur achter me dicht na een ochtend waarop mijn vriendin had gerocheld als een oude man, mijn eveneens zieke peuter me constant had geschoffeerd (“Jij mag niet naar mij kíjken papa!”), en de baby had ge-baby’d. Het gevecht ging nog even verder in mijn koptelefoon, toen ze inbraken op mijn Spotify-account en ik opeens naar ‘Nijntje, een lief klein konijntje’ luisterde (of zoals mijn vriendin dat extreem aanstekelijke nummer noemt: ‘Nijntje, tering-konijntje’).

Maar ik miste ze al zodra ik de straat uit fietste. Het lukte me eindelijk om Elbow op te zetten, Guy Garvey zong “Just this morning alone with you worth/A lifetime alone on this earth” en opeens wist ik zeker dat ik met hen alledrie wilde trouwen. Dat ik nergens liever wilde zijn dan bij hen. Noem het liefde in tijden van Corona.

We mogen hopen dat we hier (na een diepe recessie) Trumploos uitkomen, met meer waardering voor zorgmedewerkers, leraren, kunstenaars, de natuur etc. In de tussentijd moeten we maar dicht tegen diegenen aankruipen, die we toch wel zouden aansteken.

Verhaaltje

“Het hoeft niet altijd goed af te lopen hè,” schreef een redacteur laatst in haar commentaar. Het was een goede redacteur, want ze betrapte me op iets dat me zelf ook al was opgevallen, maar waarvan ik hoopte dat niemand het nog doorhad. Wat dat betreft is een goede redacteur net een goede psycholoog.

Natuurlijk is een schrijver niets zonder lezers (hoi, dank, welkom terug), maar uiteindelijk is alles wat ik schrijf een soort brief aan mezelf. Een manier om helderheid te vinden, zoals Joan Didion zei. Of was het Zadie Smith? Ach, voor deze stukjes heb ik toch geen redacteur.

Met een goed einde stel ik mezelf gerust. En dat is iets waar ik de laatste jaren extra veel behoefte aan heb. Zeker als ik over het ouderschap schrijf, snak ik ernaar om het rond te maken, om optimistisch af te sluiten.

We besteden allemaal een groot deel van onze dagelijkse energie aan zelfbedrog, aan het overeindhouden van een kloppend verhaaltje. We moeten wel, als de zelfbewuste apen die we zijn: het alternatief is depressie. Er is niets mis met je groothouden, of met een relativerende grap. Maar soms overdrijven we het een beetje, waarop een goede redacteur voelt: dit is onecht. Vaak staat je verhaal dan op barsten.

Het verhaaltje dat ik de laatste tijd vertelde, ging ongeveer zo: “Ik vind het mákkelijker, een tweede kind. Het voelt nu compleet. Natuurlijk is het druk, maar het is overzíchtelijk druk. Bij de eerste verlangde ik terug naar mijn oude leven, nu weet ik: dit is het.”

Het was een goed verhaaltje. Er zat ook veel waarheid in. Maar ik verzweeg dat babygehuil me nog steeds tot waanzin kan drijven. Dat ik soms schrok van mijn woedeuitbarstingen naar onze peuterpuber.

Dat ik laatst alleen thuis was met de kinderen na een lange slopende dag waarop het even niet was gelukt om alle zorgen over onze stijgende huur buiten de deur te houden, toen Frenkie opeens toch nog honger bleek te hebben en begon te krijsen, waarna ik ontdekte dat we alleen nog maar ingevroren melk hadden. Dat Tinus op dat moment besloot om op de woonkamervloer te plassen.

Dat ik kalm probeerde te blijven terwijl ik de ijsmelk in de flesopwarmer deed en Frenkie nóg harder begon te huilen en Ajax met 1-0 achterkwam tegen de meest vreselijke Spaanse schopploeg aller tijden en Tinus vrolijk maar onophoudelijk tegen me kletste terwijl hij eigenlijk naar bed moest. Dat ik op de grond stampte van woede als een machteloos kind.

Dat ik na het langzaamste half uur uit mijn leven eindelijk Frenkie een flesje (ijskoude) melk kon geven en toen uit pure uitputting begon te huilen. Dat op dat moment mijn vriendin thuiskwam, waarop ik nog harder begon te grienen en dingen zei als: “Je mag echt nooit meer weggaan, ik kan dit helemaal niet.”

Dat Tinus stond toe te kijken en toen fijntjes tegen zijn moeder zei: “Papa heeft geen borsten mama. Helaas!”

Hypocriet

De laatste tijd probeer ik te leven volgens de filosofie van de Stoa, door me niet druk te maken over dingen waar ik geen controle over heb. Dat betekent ook weer niet dat je lekker achterover mag leunen – je moet je vol inzetten voor alles waar je wél iets aan kunt doen. Daarom kocht ik een afvalgrijper via Bol.com.

Ik ergerde me al tijden aan het zwerfafval in ons volksbuurtje, met name het plastic natuurlijk, dat het nabijgelegen water in waait en over twintig jaar zal terugkeren in de kibbeling van de viskraam op de hoek, om ons tenslotte allemaal onvruchtbaar te maken. Even overwoog ik om overal campagneposters op te hangen met de slogan “Laat je chipszak niet zomaar vallen, straks zit-ie in je ballen”, maar in plaats daarvan kocht ik de grijper.

Zo wandelde ik dus op een druilerige dag met mijn zoon door ons buurtje, met de grijper en twee vuilniszakken: één voor huisvuil en één voor plastic. Ik dacht dat het een leuk uitje zou zijn (mijn zoon loopt toch ontzettend langzaam), en bevredigend bovendien, maar Tinus had geen zin om plastic te spotten en ik voelde me eigenlijk vooral een sukkel terwijl ik een patatbakje met verregende satésaus uit andermans tuin stond te wurmen.

Toen we bij de huisvuilcontainer aankwamen, bleek deze vol te zijn. Er lag al een hoopje vuilniszakken naast. Ik had spierpijn in mijn hand van het grijpen (een heel specifieke beweging, zo blijkt), Tinus smeekte “Jij mij draaaaaagen”, dus ik legde onze zak er ook bij. Ik breng eerst het plastic weg, dacht ik nog. Op de terugweg was die gedachte al geëvolueerd naar: ik kan er verdomme toch óók niets aan doen dat die container vol zit?

Een week later kregen we een kaartje in de bus waarop vermeld stond dat we we een boete kregen voor verkeerd geplaatst vuilnis. Er zat blijkbaar een envelop met ons adres in die zak. Zoals iedereen met grote woorden en principes ben ik onvermijdelijk hypocriet, een vegetariër met leren schoenen, een klimaatstrijder op vliegvakantie, een Joaquin Phoenix met een milkshake. Maar dit was wel heel ironisch. Ik overwoog om het geldbedrag met mijn grijper bij het gemeentehuis af te geven.

Op het kaartje stond dat we op dinsdag of donderdag tussen 10 en 12 konden bellen als we wilden reageren. Een 06-nummer van de heer Uiterwijk. Ik bestudeerde het handschrift van dit ingevulde deel. Streng en priegelig, als van een oude man. Nu moest ik wel bellen.

“Goedemiddag, Jens Uiterwijk, Gemeente Amsterdam.” “Goedemiddag, ik bel over de boete voor het huisvuil. Ik ben het er op zich mee eens hoor, maar ik moet zeggen dat het wel erg ironisch is…” Ik vertelde het verhaal, maar al snel besefte ik dat ambtenaren en ironie een ongelukkige combinatie zijn.

“De container was inderdaad vol meneer, maar in ons onderzoek hebben wij geconstateerd dat er binnen 150 meter nog een lege container stond,” was zijn lauwe reactie op mijn hilarische anekdote. “Snap ik, maar ik heb dus speciáál een grijper…” “Mag ik misschien meteen een documentnummer noteren voor het proces-verbaal? De boete bedraagt 95 euro.” “95?!” “Ja meneer, ik bepaal die bedragen niet helaas.” “Jezus.” “Wilt u een verklaring geven?” “Dat heb ik u net verteld.” “Kunt u het misschien herhalen? Dan noteer ik het als officiële verklaring.” Ik had net zo goed met de vuilniscontainer zelf in gesprek kunnen gaan.

“Heeft u nog vragen?” zei hij tenslotte. “Hoe reageren de meeste mensen als ze bellen?” vroeg ik oprecht nieuwsgierig. “Tja, ze worden kwaad. En meestal geven ze anderen de schuld.”

Kon ik dat ook maar, dacht ik, anderen de schuld geven. Maar dat mag niet van de Stoa.

Poep

In de buurtboerderij waar we met mijn broer hebben afgesproken, blijkt een harp-concert bezig te zijn, waardoor we met onze peuter en baby buiten moeten wachten (harp-concerten en kinderen zijn een slechte combinatie). Mijn broer appt dat hij later komt – zijn zoontje is pas net wakker uit zijn dutje. We willen er pissig over worden, maar we kunnen ons zijn situatie te goed voorstellen.

Het begint donker te worden. “Waar zijn de dieren mama?” vraagt de peuter. We hadden hem dieren beloofd. “Kijk daar!” roep ik. Er glipt een enorme rat uit een vuilnisbak. Mijn zoontje mist hem net, maar is toch tevreden: “Er was daar een rát mama!”

Als het harp-concert eindelijk klaar is, bestellen we snel thee om op te warmen. Nadat de drankjes zijn gearriveerd vragen we om menu’s. “Ah nee sorry,” zegt de barvrouw, “vanavond hebben we geen eten. En we gaan ook zo dicht.”

Mijn broer stelt een ander restaurant voor. “Dan moeten we nú gaan,” zeg ik met een blik op de klok, waarna ik mijn bek brand aan mijn dampende muntthee. We laden vlug alles en iedereen weer in de auto. De baby huilt bij elk stoplicht, en is stil als we weer rijden.

In het café-restaurant spot ik de ene BN’er na de andere. Er loopt zelfs een acteur uit mijn favoriete serie Succession langs. Maar mijn broer heeft een hoek in een iets rommeliger familie-deel geclaimd, waar we zonder schaamte met onze troep kunnen neerzijgen.

Ik ben sowieso de schaamte voorbij. Vroeger vond ik mensen met kinderen asociaal als ze een ruimte overnamen met hun rommel en lawaai, nu begrijp ik: je moet wel. Kinderen spelen nu eenmaal met autootjes die van tafel flikkeren. Natuurlijk corrigeer je ze, maar dat heeft zijn beperkingen. Ik voel de blikken van de andere restaurantgangers, en denk: tja, zo zijn we.

Halverwege mijn hamburger zegt mijn zoon verschrikt: “Poep.” Ik sta als eerste op.

Tinus wil niet op de uitklapbare verschoontafel liggen, dus blijft hij staan terwijl ik zijn tuinbroek naar beneden trek. Ik slik. Een zee van diarree is langs zijn benen gelopen. “Oké,” zucht ik, “dat is oké.” Er moeten nu pijlsnelle beslissingen genomen worden. “Die broek kunnen we opgeven,” mompel ik. Hij knikt. Maar dan moet hij gaan zitten, en daarvoor moeten eerst zijn billen schoon zijn. Operatie-Stronthoop gaat van start.

Ik hoor opgewonden vrouwenstemmen aan de andere kant van de deur, moeders die ook hun kinderen willen verschonen, dus ik zeg op luide toon: “Jeetje wat een diarree! Dit gaat nog wel even duren zeg!”

Nu moet ik de wasbare luier in de wc uitspoelen. Intussen is mijn zoon met zijn poepvoeten over het verschoonkussen aan het paraderen. “Niet bewegen!” roep ik over mijn schouder. Ik gebruik een halve wc-rol om alles af te vegen: luier, broek, zoon, wc en het verschoonkussen, dat helemaal onder zit. Ik trek wel acht keer door en was mijn handen zestien keer. “Heel veel poep papa,” zegt mijn zoon. We moeten er samen om lachen.

Even later loopt hij slechts gekleed in een rompertje en schoenen parmantig door het chique restaurant. Een ouder stel kijkt hoofdschuddend toe.

Mijn vriendin schiet in de lach als ze ons ziet. Zodra ik weer aan mijn hamburger wil beginnen, zie ik dat mijn trui op buikhoogte nog onder de poep-korrels zit. 

We rijden door het donker naar huis, sommigen met broek, anderen zonder. Het was zwaar, maar het is gelukt, en nog zonder irritaties ook. En ik kan je zeggen: ook al stinkt alles naar kak, er is geen bevredigender gevoel dan dat.

Snor

“De populairste scholen zijn er niet,” fluistert een andere vader. We staan op de scholenmarkt; zoals verwacht is het er ontzettend druk. Noord barst van de kinderen, de jaarlijkse basisschool-loting schijnt een grote soap te zijn.
Toch lukt het me niet om het serieus te nemen. Thuis zeiden mijn vriendin en ik al tegen elkaar dat we naar een ‘partnerruil-markt’ gingen, waar alle ouders vooral naar elkaar kijken. “We nemen gewoon de school waar de knapste mensen staan, oké?”
En inderdaad, nu staan we vooral met andere (knappe) ouders te praten. De vader tegenover me is een acteur met een snor, die ik meteen mag. Zodra ik doorheb dat hij het ouderschap net zo ironisch benadert als ik, haal ik opgelucht adem. Mijn beste vrienden zijn allemaal kinderloos; ik snak naar iemand met wie ik grappen kan maken over de hand-mond-voetziekte.
“Jezus, die school geeft Engels vanaf groep 1!” zeg ik, wijzend naar een kraampje. “Ja, die moeten wel, ze zitten heel ver weg,” verklaart de acteur. Hij laat me een kaart met de 34 scholen zien.
Hij wijst op een stipje niet ver van ons huis: “Daar zitten de kinderen van Marjolijn van Heemstra. Schijnt een leuke, diverse plek te zijn.” “Natuurlijk, als Marjolijn haar kinderen daar heeft…” De acteur kijkt me speels, bijna flirty aan terwijl hij quasi-serieus knikt: “De basisschool van Marjolijn van Heemstra: dáár wil je je kinderen hebben.”
Dan laat hij me alleen. “De tiger dad komt in me los,” zegt hij gespannen.
Mijn vriendin en ik duiken er ook in en raken aan de praat met een juf van de school bij ons om de hoek – met een slechte reputatie, zo weten we. Haar glimlach grenst aan het wanhopige terwijl ze haar optimistische verhaal afratelt, en wij al weten dat we een andere keuze zullen maken.
Naast de juf staat een directrice van een snel groeiende school. Het is alsof iemand een plaatje van een basisschooldirecteur uit een kinderboek heeft geknipt: piekfijne krullenbos, grote bril, stevige houding. “Onze zoon is pas twee, dus dit voelt erg vreemd,” bekent mijn vriendin. “U krijgt een brief waar alles in staat,” zegt de directrice. “Staat er ook in wie we allemaal moeten omkopen?” vraag ik. “Ja,” antwoordt ze met een glazige blik. Het duurt drie seconden voor ze toch in de lach schiet.
Aan het eind van de krappe gang staat de acteur samen met een stel andere ouders de Montessorischool-directrice te ondervragen. “Bieden jullie continuïteit voor de klas?” vraagt hij, terwijl hij naar mij knipoogt. Ze zucht. “Dat is moeilijk in deze tijd. Ik kan niets garanderen.”
Opeens is daar de realiteit: terwijl er talloze ouders langskomen om scholen te shoppen, zijn er niet genoeg mensen die zélf voor de klas willen staan.
Als de markt wordt opgedoekt, hebben we nog geen keuze gemaakt. Op weg naar de uitgang zegt de acteur: ” Misschien kunnen we een keer met onze zoons naar een zandbak ofzo?” Ik probeer niet te gretig te klinken als ik zeg: “Ja, leuk.”

Speech

Niets is zo mindful als een dag met een peuter. Op straat moet alles benoemd worden (“Kijk papa, twee hóndjes!”), een rij witte tegels verandert in een rails waar hij als een trein overheen moet rijden, etc.

Als we eindelijk het cafeetje bereikt hebben, kan ik godzijdank even een blik op mijn dopamine-machine werpen. Maar een tafeltje verderop zie ik een vader tegenover zijn dochter ook op zijn telefoon zitten, terwijl zij “Papa, papa?” zegt, en die schaamtespiegel zorgt ervoor dat ik het ding toch weer in mijn zak stop.

Dat meisje zit in de opvang-groep van mijn zoon, trouwens. Ze glimlachen verlegen naar elkaar. Dat is me al vaker opgevallen: peuters kunnen een dag enthousiast met elkaar spelen, maar buiten de context van de crèche is het contact opeens weer ongemakkelijk.

Ik ken alle kinderen uit Tinus’ klasje en op de fiets naar huis vraag ik altijd met wie hij vandaag heeft gespeeld – nu al stimuleer ik zijn vermogen om personages te onderscheiden. Maar ik vergeet steeds dat dit niet voor andere ouders geldt, en dat het best wel vreemd is als een wildvreemde vent in de supermarkt hun kind uitgebreid groet. Toch zwaai ik nu naar het meisje.

We eten zwijgend onze croissantjes. Hij begint moe te worden, al zal hij dat ontkennen. Ik luister naar het gesprek aan de tafel naast ons. Hier gaat het stukje eigenlijk over, dus zet je schrap.

Het zijn twee verzorgde Amerikaanse vrouwen van eind dertig. Terwijl ze hun salades eten praten ze over wat ze verder allemaal eten – en niet meer eten. Met hun vette Amerikaanse accent ratelen ze over hun leventjes, waarbij ze elkaar constant in de rede vallen, alsof de stilte tussen hun zinnen een afgrond is waar ze in zullen storten.

“I don’t do breakfast anymore,” zegt de een. “No?” “Uh-uh: intermittent fasting. And no carbs, obviously.” Nu valt me pas op dat ze zich als een hongerige wolf op haar salade heeft gestort. Behalve dat wolven geen salades eten, maar goed.

De vrouwen zijn irritant. Hun obsessie met eten is irritant, hun manier van praten is irritant, en even later blijkt dat ze ook nog rijk zijn – super-irritant. Ze hebben huizen in het centrum van de stad, waren net nog in Parijs – the real Paris – blablabla. Ze hebben alles, maar vervelen zich kapot.

In mijn hoofd bereid ik – al net zo verveeld – een speech voor. Hun schaamteloze veeleisendheid is precies wat deze stad kapotmaakt. De exacte tekst weet ik nog niet, maar er moet sowieso “You guys deserve Trump!” in. Ik zie hun geschokte gezichten al voor me.

Op dat moment worden mijn gedachten onderbroken doordat Tinus – sowieso een en al kruimels – appelsap over zichzelf heen gooit. Terwijl ik hem dep, kijkt de vastende vrouw oordelend toe – ook vanwege al die carbs natuurlijk.

Terwijl ik opsta om te betalen, besluit ik het simpel te houden. Ik zal expres iets in het Nederlands tegen ze zeggen, en als ze dan fijntjes antwoorden met “Sorry, we don’t speak Dutch”, zal ik met opgetrokken wenkbrauwen zeggen: “Why not? You guys live here, right?” Ja. Perfect.

Maar als ik Tinus z’n jas aantrek en mezelf klaarmaak voor de confrontatie, hoor ik een van hen met een charmant Amerikaans accent tegen de barjongen zeggen: “Pardon, mag ik nog een cappuccino met havermelk alstublieft?”

“Die mevrouw zegt ‘havermelk’, papa!” roept Tinus triomfantelijk. “Ja,” zeg ik, “kom op, we moeten gaan.”

Alles valt

Ik denk regelmatig aan een kop van The Onion: ‘Man gets life in order for 36 precious minutes’. Leven is zo verschrikkelijk moeilijk, zeker nu, zeker als freelancer met artistieke ambities en zéker als je ook nog kinderen hebt: je bent voortdurend dingen aan het regelen, constant aan het opruimen, en dan zijn er nog de zorgen over je werk, familie en vrienden.

Afgelopen zomer werkte ik de achterstand eindelijk weg en voelde ik me een tijdje als de Onion-man. Ik was tevreden over mijn spullen en niemand was ziek. Maar toen ging het rap: een interview werd afgezegd, mijn zoon kreeg een oorontsteking, het hele gezin werd lamgelegd door de griep. Opeens donderde alles in elkaar, het was bijna lachwekkend om te merken dat niets, maar dan ook niets nog volgens plan verliep.

Ken je dat moment dat alles valt? Letterlijk: je trekt een keukenkastje open en meteen springt er een suïcidale zak rode linzen naar buiten, die natuurlijk niet goed dichtzat. Als je de linzen-invasie geïrriteerd wilt opvegen, stoot je je favoriete koffiekan omver, die onmiddellijk in duizend stukjes uiteenbarst, alsof hij er ook genoeg van had. Op dat moment gooit je zoon zijn melk om.

Alles faalt. Samenwerkingen worden opeens beëindigd, er zit lood in onze waterleiding, mijn telefoon is stuk, de auto piept, mijn peuterpuber wil niet slapen, de schimmelinfectie op mijn arm is terug en mijn hoogzwangere vriendin ligt de hele nacht te hoesten. Werken komt er niet van. Binnen een paar weken is al het plezier uit mijn leven verdwenen en ben ik alleen nog maar bezig met onderhoud.

Het is zo moeilijk om alles bij te houden, om overeind te blijven, en dan mag ik nog niet eens klagen met mijn opeenstapeling van kleine problemen (wat ik alsnog doe natuurlijk). Kijk naar de schandalige toeslagenaffaire en je ziet meteen hoe kwetsbaar we zijn in ons uitgeholde VVD-land. Lees Lieke Marsmans Twitter-relaas over terminale kankerpatiënten die op dezelfde manier getreiterd worden door de overheid. Denk aan de ouders van een gehandicapt kind.

(Het is ook vreemd om te merken hoe je die ‘ieder voor zich’-mentaliteit incorporeert. Tijdens zo’n chaotische periode komt het nauwelijks in me op om hulp te vragen. Al mijn vrienden zijn toch te druk met hun eigen problemen, denk ik dan.)

Sommige mensen kiezen er daarom maar voor om het leven zo lang mogelijk uit te stellen. Om te klagen over hun gebrekkige libido als een relatie ‘serieus’ wordt, of om hun ouders overal de schuld van te geven. Ik heb dat puberale denken zelf ook lang volgehouden. Dat is de tragiek: toen ik deze verantwoordelijkheden nog niet had, deed ik niets met mijn vrijheid, en nu ik eindelijk de urgentie gevonden heb, is er nooit genoeg tijd.

Alles waar ik bang voor was, is ook echt uitgekomen. Toch heb ik geen spijt. Dit leven is zoveel gelaagder dan ik me toen kon voorstellen. Mensen zijn ongelofelijk veerkrachtig (zelfs als we denken dat we het alleen moeten doen). En hoe moeilijk het vaak ook is: het is echt.

In de buik van mijn vriendin wacht intussen onze dochter, tot ze alles nog meer in de war kan gaan schoppen. Dat is oké. Ze hoort bij ons.

Hier pijn

Elke massage is anders. Misschien ‘neem’ ik daarom wel zo vaak een massage: ook als het tegenvalt zit er wel een verrassend moment bij, een techniek die ik niet kende of een spiergroep waarvan ik me niet realiseerde dat hij bestond.

Dus toen er een nieuwe optie op het menu van mijn Chinese massagesalon stond, was ik meteen geïntrigeerd. Ik had overal pijn nadat ik anderhalve week was geteisterd door een motherfucker van een griep. Er stond al een masseuse, een meisje met paarsgeverfd haar, glimlachend te wachten.

“Is die massage goed na griep?” vroeg ik aan de mevrouw achter de balie. Ze keek me met grote ogen aan. “Oooh, Tuina heel hard.” Ze zei iets in het Chinees tegen het meisje, dat teleurgesteld afdroop. In haar plaats verscheen een potige vrouw van middelbare leeftijd. Zij glimlachte niet.

“Met guasha hè,” zei de baliemevrouw ernstig. “Zwart… Drie dagen… Pijn… Ik jou niet bang maken…” Ik begreep haar maar half, en zei: “Oké, oké.”

Even later kleedde ik me uit en ging oprecht benieuwd op de massagetafel liggen. Op de achtergrond klonk de vaste pling-plong-muziek met de hoge Chinese zang.

De massage begon met de intensiteit van een Wagner-stuk. Het was alsof ik gemasseerd werd door de sterkste vrouw ter wereld, die tegelijk enorm veel haast had. Ze pakte de knopen in mijn nek van alle kanten aan, in moordend tempo, met de doeltreffendheid van een slager. “Hier pijn?” “Ja.” “Hier pijn?” “Ja.” “Hier pijn. Hier pijn, hier pijn.”

Telkens als ik dacht dat ik het niet meer aankon, dat ik echt mijn safe word moest inzetten, stopte ze even om olie te pakken, waarop ik een paar tellen kon uithijgen, voor ze zich weer op me stortte. “Hier pijn, hier pijn, hier pijn.” “Jaaaaargh.” Het was alsof ik gemasseerd werd door een enorm gespierd Duracell-konijn.

Er ontstond een band. Soms moest ze lachen vanwege mijn gekreun, soms maakte ze een afkeurend geluid met haar tong. Ze was vooral teleurgesteld over de staat van mijn heupen.

Na een tijdje fluisterde ze: “Jij teveel pijn. Jij moet extra: negentig minuten.” Ik vond dat een vreemde zinscombinatie, maar ik knikte. Toen pakte ze een zenuw in mijn onderarm vast en had ik meteen spijt.

Vervolgens kwam de guasha. Met een klein schelpvormig schijfje begon ze als een malle over mijn rug en schouders te schrapen. Weer maakte ze het afkeurende geluid.

Tijdens het laatste deel nam het tempo af. Ik lag uitgeteld op mijn rug, zodat ik haar kon aankijken. “Eén week, dan jij goed,” bezwoer ze me terwijl ze het zweet van haar voorhoofd veegde. Ze boog zich naar me toe en fluisterde: “Anderen hier, niet goed.” Daarna wees ze agressief op haar eigen borst, als een voetballer na een doelpunt, en zei met een felle blik: “Alléén ik Tuina.” De boodschap was duidelijk: I own this bitch. Ik geloofde haar meteen.

Thuis liet ik mijn rug aan mijn vriendin zien. Ze sloeg verschrikt een hand voor haar mond. In de spiegel zag ik dat ik inderdaad onder de donkerrode striemen zat. Het voelde alsof ik in elkaar was geslagen. Voor honderd euro. Ik zou weer een week moeten herstellen.

Maar goed, ik had wel iets nieuws meegemaakt. 

Helaas niet meneer

Volgens Google kon ik het nét halen, dus toen er geen tram in zicht was, wist ik dat ik te laat zou komen. Ik moest een taxi pakken, en verdomd, daar reed er net eentje voorbij. Ik stak mijn hand op alsof ik een yellow cab op Fifth Avenue in New York aanhield – in feite was het een oude Skoda van een onbekend taxibedrijf.

“Naar De Plantage alstublieft,” zei ik tegen de chauffeur, een bleke jongeman met een strak verzorgd zwart baardje. Ik stapte achterin, zo kwam dat nou eenmaal uit.

“Gaat u naar Artis meneer?” vroeg de chauffeur met een zachtaardigheid die me verraste. Zijn open, nieuwsgierige ogen verschenen even in de achteruitkijkspiegel.

De laatste keer dat ik een taxi had genomen, was de chauffeur (die geen oogcontact maakte) de hele rit bezig geweest met een telefoongesprek via zijn AirPods. Een traag en eenzijdig gesprek, want telkens als hij na een lange tussenpose reageerde – “Ben jij oké ermee?” – dacht ik dat hij het tegen mij had, waardoor we steeds in hetzelfde misverstand terechtkwamen, tot hij vroeg (de blik strak vooruit gericht): “Hier goed?” en ik ervan overtuigd was dat hij zich dit keer tot zijn vriend had gericht.

“Nee,” zei ik tegen de bleke taxichauffeur, “maar ik was dinsdag nog in Artis. Met mijn zoontje.” “Het is leuk daar hè?” “Ja,” zei ik geamuseerd. Het was een kort ritje, praten was niet echt nodig, maar ik waardeerde zijn poging om contact te maken. “Heb jij kinderen?” vroeg ik. “Helaas niet meneer.”

In dat woordje ‘helaas’ zat heel veel, begreep ik: onvruchtbaarheid misschien, of een overleden vrouw. In elk geval leek het een verklaring voor zijn behoefte aan een echt gesprek.

We praatten even over de route, hij zou een illegale U-turn moeten maken, maar dat was geen probleem. “Wij taxichauffeurs zijn natuurlijk de ergsten op de weg, maar vergeet de fietsers niet hoor,” zei hij met een zelfbewustzijn dat opnieuw mijn vooroordelen onderuit haalde.

Na zijn voortreffelijke U-turn was het een paar tellen stil. Toen zei hij: “Ze is overleden, onze dochter. Na twaalf dagen.” Hij keek me via de spiegel aan met betraande ogen. “Te vroeg geboren. Vijfentwintig weken. Ze was sterk weet je. Echt een sterk meisje. Maar op dag twaalf was ze toch te moe.” “Jeetje man. Wat vreselijk.” “Ja.” We zwegen.

“Dit was recent dus,” zei ik. Hij knikte. “Juli.” Ik keek naar buiten. Het maakte niet meer uit of ik te laat kwam. “In het begin zit je thuis. Maar ik ben toch maar weer gaan werken hè. Afleiding.” “Ja.” Ik moest denken aan mijn eigen dochter, veilig in de buik van mijn vriendin.

“We zijn er.” Misschien wilde hij wel niet dat ik wegging. Maar we moesten door. Ik betaalde en legde nog even mijn hand op zijn schouder. “Sterkte man,” zei ik. “Dank u wel meneer,” zei de bleke taxichauffeur.

Uw beleving

Toegegeven, ik was al geïrriteerd toen we met de kinderwagen over het smalle dijkje bij ons in de buurt liepen. Mijn vriendin en ik hadden ruzie gemaakt omdat ze vond dat ik te veel op mijn telefoon zat – maar het ging om wérk! – en nu liepen we zwijgend naar huis.

Ik duwde de kinderwagen – met kind erin, voor de duidelijkheid – en was net bij een bocht beland waar de stoep zo smal was dat ik op de weg moest lopen, toen ik merkte dat er een auto achter me reed, die zacht doch dwingend aandrong ter hoogte van mijn elleboog. Ik begon de kinderwagen dus toch op het stoepje te tillen, maar halverwege trok de auto al agressief op, waarbij hij mij en de kinderwagen op een haar na miste.

“HÉ!” riepen mijn vriendin en ik woedend.

De auto stopte meteen, en even was er het moment van anticipatie: wie zou er uit de auto stappen, en zou dat onze reactie beïnvloeden?

Er schoot een nette man van eind dertig omhoog als een stokstaartje: halflang donkerblond haar, een poloshirt en een uitstraling die niet anders als ‘hautain’ beschreven kan worden. Hij stak zijn neus half de lucht in, en keek ons vanuit die positie aan.

“Wat is dat voor geschreeuw?” vroeg hij met een kalme beschaafdheid die zijn trillende stem moest maskeren, een beschaafdheid die moest bewijzen dat hij beter was dan wij. “U scheurt opeens vlak langs ons!” riep mijn vriendin. “Oh, dat had ik niet door,” zei de man. “Dat was dan uw beleving.”

“U stopte dus niet om uw excuses aan te bieden?” vroeg ik met een cynisch lachje. “Nee, ik stopte om te kijken waar die consternatie vandaan kwam.” “U biedt uw excuses aan!” eiste mijn vriendin. “Geen sprake van,” zei de man en hij stapte alweer in, naast zijn vrouw, die hij er vast ook regelmatig van overtuigde dat iets aan haar ‘beleving’ lag. “Fijne dag lul!” schreeuwde ik voordat de auto wegreed.

Terwijl we doorliepen analyseerde ik de hele uitwisseling in razend tempo, om te bedenken wat ik beter had kunnen kunnen zeggen.

Ik kreeg verrassend snel een herkansing. “Daar heb je hem,” mompelde mijn vriendin. En inderdaad, de man had honderd meter verderop geparkeerd en liep nu met opgeheven kin onze richting op. Vlak voor hij ons passeerde zei hij: “Nog steeds niet!”

Nu wist ik wat ik hem moest naroepen: “Nooit je excuses aanbieden, het ligt aan de ervaring van anderen – wat een goede levensfilosofie man! Veel succes daarmee! Veel succes met je leven!”

“Dat was oké toch?” vroeg ik even verderop aan mijn vriendin, nog nahijgend van de adrenaline. “Dat was oké schatje,” zei ze. “Wát een lul.” Ik pakte haar hand.

Ik hoopte dat de man ‘s avonds in bed, als hij zijn verdediging even liet zakken, zou inzien dat hij zo niet verder kon leven. Ergens wist hij dat hij fout zat – ik had het in zijn ogen gezien. Maar dat was misschien mijn beleving.

Mr Marcel

The first time I met Etgar Keret, on the terrace of one of Tel Aviv’s many laid-back white cafés, he told me: “When you order a pasta, but the waiter brings you a cheese sandwich, and you say: ‘Ah, no matter, I’ll just eat the sandwich’ – that’s not the essence of life. But it contains a bit of that essence, and if I describe it really well, I might convey it to the reader.”

I thought about that as I was waiting at a check-in desk, while a middle manager from United Airlines was trying to solve a problem with my ticket to Philadelphia, where I was supposed to show our documentary about Etgar. The film festival had apparently made a mistake while booking my flight: they’d put my third name where my last name was supposed to be, so that the reservation was made out for Mr Rutger Stephan MARCEL, while I was trying to check in as Mr Rutger Stephan Marcel LEMM.

“I’m sorry Mr Marcel,” said the middle manager, a tall, lean guy with a business-like appearance that suggested he could solve anything, “I don’t think we’ll be able to solve this for you.” The flight was booked through Orbitz, offered by Lufthansa and operated by United, so it was unclear who was responsible. He handed me my passport and suggested I’d call Orbitz, before turning to another passenger with a problem. In Philadelphia everybody was asleep of course, and I had about an hour left to board the plane.

The Orbitz customer service employee spoke told me with his upbeat Indian accent that he could only change the name if I could prove that I got divorced, and then it would still take 24-48 hours for the change to get through. He connected me with the Lufthansa customer service, where an American lady told me that she could only change two letters. That was not enough. I needed to change all five of them.

In the middle of these futile phone calls, as I was listening to psychedelic hold music, I again thought about what Etgar had said. There was an essence in this weird, but also quite uneventful situation. But what was it? And how could I tell it right?

Actually, I was too tired to really think about that, because I’d spend two nights comforting our two-year-old son, who turned out to have a persistent ear infection. I’d spend the day before comforting my 7-months-pregnant girlfriend, who was close to a nervous breakdown at the prospect of me leaving. As I’d walked through the airport entrance hall that morning, I’d cried a little bit, out of sheer desperation.

But what now? Did I have to book another flight, hoping the festival would reimburse it? Should I just go, keep going? I noticed the rushed and panicky feeling in my belly, that ticklish feeling that puts everything in sharp focus and exhausts you at the same time, and I realised that I hadn’t felt this way in a long, long time. When I was in my twenties, I lived by this feeling, this exciting energy of always being too late. It pushed me forward, until it left me depleted. Nowadays, I’m seldom in a hurry.

Maybe it was Mr Marcel’s stress that I was experiencing. Maybe Mr Marcel still needed this speedy, relentless drive towards new experiences. Maybe it really was Mr Marcel who needed to go to Philadelphia, not me.

Another friend, a big handsome man who always wears a calm smile on his face, told me recently: “You should strive for a balance between two things: what you want, and what’s your responsibility.” It’s simple, but I live by it.

So I turned away from the check-in desk, and went back home to my family.

——-
Yes, this stukje was in English. Bite me. And subscribe to my goddamn news letter: https://www.rutgerlemm.com/nieuwsbrief.

Tractor

Aangezien ik een kind van twee heb, ben ik een expert op het gebied van landbouw. Tinus wijst moeiteloos de maaidorser en de vorkheftruck in zijn plaatjesboek aan. Tijdens de ellenlange dagen van buikgriepjes of oorontstekingen keken we urenlang naar YouTube-series waarin het boerenleven vakkundig wordt geromantiseerd met klassieke muziek en drone-shots.

Met name ’12 Months on a UK Farm’ is hartverwarmend. Hierin keert stadse hipster Rufus terug naar de boerderij van zijn moeder Sarah, om te leren over het boerenleven. Elke aflevering verandert het seizoen. Rufus is onhandig, maar niet karikaturaal zoals in andere reality-tv, en hij bewondert zijn moeder oprecht: niemand werkt zo hard als Sarah, en niemand houdt zoveel van dieren. De zoon-moeder-interviews geven het programma een unieke intimiteit (“Papa huílen!”).

Misschien dat ik daarom bevooroordeeld ben over de stikstofprotesten. Milieu-activisten klagen over de disproportionele aandacht voor de boeren, maar iedereen begrijpt toch dat een colonne tractoren gaver is dan 25.000 mensen met bordjes? Vraag maar aan een peuter! (Die peuter ziet overigens ook meteen wanneer het te ver gaat: “Wat doet die tractor nou?” zei mijn zoon bij het filmpje van het Groningse boerenprotest.)

Het probleem is dat die boeren vaak helemaal niet meer op de kinderplaatjes of zelfs boer Sarah lijken. De boerderijen zijn tegen wil en dank veranderd in gigantische boerenbedrijven, waar geen hooivork meer aan te pas komt.

In de kern zijn we namelijk nog steeds peuters: we willen groter, sneller, méér. Als ik mijn zoontje nu ’12 Months on a UK Farm’ laat zien, zegt hij al snel: “Niet die. Andere!” Tot we bij een filmpje uitkomen waarin een Amerikaanse macho-boer zijn mega-tractor showt.

Opportunistische rechtse partijen doen intussen beloften die zelfs een kind niet zou geloven. “Minder mensen!” is de oplossing van rechts Twitter. Ja, een beetje genocide, altijd een goed idee.

Maar later dacht ik: misschien is dat wel de kern. We leven in een klein land, in overvolle tijden, terwijl steeds duidelijker wordt dat ons systeem van eeuwige groei niet houdbaar is. Iedereen voelt dat, iedereen is erdoor in de war, maar het uit zich op verschillende manieren.

Mijn zoon is de laatste tijd ook regelmatig overweldigd. Hij wil alles tegelijk: boekje lezen, rennen, chocomelk tijdens het ontbijt. Als blijkt dat iets niet kan, raakt hij volledig overstuur, of wil hij opeens helemaal niets meer. Volslagen melodramatisch werpt hij zich dan op de bank: “Ik wíl niet melk! Ik wil ándere melk!”

De stikstofcrisis biedt een kans op verbinding. Iedereen vindt tractors gaaf, maar we willen ook andere melk. We willen alles, maar tegelijkertijd hebben we zoveel behoefte aan mínder. Iedereen wil de realiteit van ’12 Months on a UK Farm’. Als ik een politicus was, zou ik hard gaan werken aan een kinderboek over stikstof. Met heel veel gave plaatjes.