Hittegolf

Er wordt de laatste tijd veel geschreeuwd in onze straat. Meer dan gewoonlijk, want in een arme wijk hoort geschreeuw er een beetje bij, zeker in zo’n opeengepakt buurtje als het onze. Laatst stond ik met de overburen te praten, toen ik een hels gegil hoorde. Pas na een paar seconden besefte ik dat het van mijn eigen zoon kwam. “Dit horen jullie dus ook?!” vroeg ik. Ze haalden gelaten hun schouders op.

Tinus zit in een fase waarin hij zijn stembanden en zijn invloed op ons aan het uittesten is. Volgens verschillende babysites moet je geen reactie tonen op zo’n oerschreeuw, dan gaat het vanzelf over. Maar zelfs als we niet boos op hem worden, moet hij merken dat we verkrampen. Een keihard geluid doet iets met je, zo zijn we geprogrammeerd. En het doet gewoon pijn aan je oren.

Volwassenen zijn over het algemeen beschaafder, maar de afgelopen weken lijkt iedereen dicht tegen zijn kookpunt aan te zitten. “Je kan nog niet eens een ei bakken!” hoorde ik de onderbuurvrouw gisteren tieren. “Het is al de hele week gezeik met jullie!” raasde de linkerbuurman tegen zijn vier kinderen. Wat de buurvrouw aan de overkant van het hof net krijste, kon ik niet precies verstaan, maar ik hoorde wel duidelijk het geluid van brekend glas.

Worden mensen agressiever als het heter wordt? Meerdere wetenschappelijke onderzoeken (onder andere van de VU uit 2016) lijken dit te bevestigen. Als het extreem heet is, bouwt je frustratie zich op, en heb je bovendien geen energie meer over om je woede onder controle te houden. Een warm klimaat zorgt ervoor dat mensen zich meer op de korte termijn focussen – water, schaduw, een briesje! – en dus gehaaster leven. Koortsachtiger.

Het doet me denken aan Do The Right Thing, de geniale film van Spike Lee uit 1989, over een multiculturele buurt die geteisterd wordt door een hittegolf, waardoor iedereen steeds bozer en racistischer wordt, tot het eindigt in een absurd gewelddadige climax. Naarmate de film vordert en de hitte toeneemt, gebruikt Lee steeds benauwdere close-ups van de hevig zwetende personages, die steeds meer als paniekerige Neanderthalers uit hun ogen kijken.

Het gaat misschien te ver om klimaatverandering en de toenemende agressie en frustratie in de wereld – op straat en op Twitter – met elkaar te verbinden. Dat verhaal zou te simpel en te rond zijn, alsof we met de CO2-uitstoot ook het racisme zouden kunnen terugbrengen. Meer regen, minder Trump! Briesjes tegen Baudet! De werkelijkheid is geen film.

Maar er is wel iets aan het gebeuren, en deze twee ontwikkelingen helpen elkaar niet. Ik zou willen dat ik slim genoeg was om te begrijpen hoe het allemaal in elkaar grijpt. Om überhaupt te snappen waarom de kans op een hittegolf nu vier keer zo groot is. Maar het lukt me maar niet om er helder over na te denken. Om mijn hoofd koel te houden.

RAAAAAAAAAAAAH!

Etgar Keret in Israel

Foto van de Q&A na de Israëlische première op het Haifa Film Festival. Mensen waren heel enthousiast. Alle vertoningen aldaar zitten tot nu toe ramvol. Te gek!

Nu verkrijgbaar: Onze Dieren

Een boek waarin 20 toonaangevende schrijvers vertellen over de band met hun huisdier, dat ik mocht samenstellen en redigeren. Het kwam uit op Dierendag; mijn verjaardag. Mooi geworden!

Onze Dieren

Momenteel verzamel ik dierenverhalen van verschillende schrijvers. Het verschijnt op Dierendag, dit is het omslag; wordt mooi.

Waar Louis CK niet eerlijk over kon zijn

In ‘Come on, God’, een van de beste afleveringen van Louis CK’s prijswinnende serie Louie, zien we de gefictionaliseerde versie van de comedian in een tv-debat over masturbatie, met een aantrekkelijke conservatief-christelijke vrouw genaamd Ellen Farber (Liz Holtan). Voor haar is seks iets heiligs, dat je pas na het huwelijk moet meemaken, terwijl Louie genot als iets alledaags ziet: “Weet je wat? Ik ben een goede vader, ik recycle, en ik masturbeer,” zegt de man die als “comedian-masturbator” geïntroduceerd wordt.

Na afloop kunnen de twee het goed vinden, en gaan ze iets drinken op haar hotelkamer, waar Ellen uiteindelijk een gepassioneerde speech houdt: “Wat als wij verliefd zouden worden, Louie? En dan zouden trouwen, waarna we eindelijk onze liefde zouden consumeren? Dat zou toch verrukkelijk zijn?” Even lijkt hij overtuigd. Dan gaat hij naar de badkamer, om zich daar af te trekken op deze puriteinse fantasie.

Door verwijzingen zoals die in ‘Come on, God’, vermoedden fans van Louis CK dat de vele geruchten over zijn masturbatie-gedrag – in 2012 publiceerde de feministische website Jezebel al een geanonimiseerd artikel over een van de incidenten – heel goed waar zouden kunnen zijn.

Louis CK heeft nooit een geheim van zijn masturbatieverslaving gemaakt. “Er is een formule voor of je een goed mens bent: hoe lang duurde het voordat je masturbeerde na de aanslagen op 11 september?” zei hij in Chewed Up (2008). “In mijn geval was het tussen het vallen van de eerste en de tweede toren.” In Live At The Beacon (2011) bekende hij dat hij (zoals elke man) constant perverse gedachten heeft: “Het is zo’n dom deel van mijn leven. Ik wil gewoon naar een boekwinkel kunnen gaan als een normaal persoon, en aan de vrouw achter de toonbank vragen: ‘Heeft u een goede biografie van Abraham Lincoln?’ In plaats daarvan denk ik meteen: ‘Argh, ik wil je haar om mijn pik binden!’” In zijn HBO-sitcom Lucky Louie, een parodie op zijn gestrande huwelijk, verstopte hij zich in een kast om te masturberen, omdat hij nergens anders in huis privacy had.

Die nietsontziende eerlijkheid en zelfkritiek, waardoor gevoelige onderwerpen algemeen herkenbaar worden gemaakt, maakten Louis CK tot de beste comedian aller tijden, die door zijn fans als een profeet geadoreerd wordt. Ook in interviews was hij altijd openhartig en kwetsbaar: als gast bij de podcast WTF van zijn vriend Marc Maron in 2010 (door Slate later uitgeroepen tot ‘beste podcast-aflevering aller tijden’) huilde hij toen hij over de geboorte van zijn dochter sprak, en vertelde hij vrolijk over zijn bezoek aan peepshows in de jaren ‘90.

Ik heb zelf ook meer van hem geleerd dan van mijn ouders. Of beter gezegd: de rauwheid van Louis CK vormt de ideale aanvulling op je opvoeding, omdat hij je dingen vertelt waar je ouders niet eerlijk over konden zijn. Hij leert je lachen om sterfelijkheid, onzekerheid, sociaal ongemak, ouderschap en seks. Zijn hilarische betoog over depressie en smartphones in de talkshow van Conan O’Brien hielp mij door een zware periode heen. Doordat Louis CK taboe’s algemeen herkenbaar en luchtig maakte, voelden zijn fans zich minder bang en alleen. Doordat hij in zijn grappen en in Louie vaak het perspectief van de ander koos (ook dikwijls de vrouwelijke kant van het verhaal), vergrootte hij ons empathisch vermogen. “Life’s too short to be an asshole,” is een van zijn vele tegelwijsheden die mijn leven sturing geven.

Na de onthullingen van afgelopen donderdagnacht, lag ik dan ook uren wakker. Aan de ene kant was het schokkend om de interviews met de vijf vrouwen in The New York Times te lezen. Aan de andere kant is er sprake van een pijnlijke paradox: Louis CK, de bekentenis-comedian die doorbrak met een show die de veelzeggende titel Shameless (2007) droeg, lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om deze incidenten in de doofpot te stoppen.

Als je reageert, wordt het echt
In 2015 publiceerde Jezebel een vervolgartikel, omdat een vriend van enkele slachtoffers een beschuldigende e-mail aan Louis CK had gestuurd, waarop de comedian hem had opgebeld en uitgehoord over wat hij wist, zonder het probleem zelf te erkennen. De geruchten zwollen dit jaar weer aan toen collega-comedian Tig Notaro aangaf niet meer met CK te willen werken tot hij zou reageren; afgelopen september stelde The New York Times er vragen over na de première van zijn film I Love You, Daddy in Toronto. “Het zijn slechts geruchten,” zei hij toen, duidelijk op zijn hoede voor de media: “Ik wil niet bijdragen aan een gerucht, want dan maak je het groter en wordt het echt.”

Het viel echter te verwachten dat de krant ernaar zou vragen, want ook deze film lijkt een aanwijzing, of eigenlijk meer een vooraankondiging: I Love You, Daddy gaat over een scenarist (Louis CK) die groot fan is van een bekende filmregisseur (John Malkovich) waarvan algemeen bekend is dat hij op te jonge meisjes valt, tot zijn eigen 17-jarige dochter (Chloë Grace Moretz) op diens avances ingaat. Een duidelijke knipoog naar Woody Allen, en de spagaat waar Allen-bewonderaars in zitten sinds de aanhoudende verhalen en getuigenissen over diens misbruik van zijn adoptiedochter Dylan (in 2016 nog bevestigd door Allens zoon Ronan). Ook Woody Allen leek in zijn werk naar zijn voorkeur te verwijzen: in zijn meesterwerk Manhattan (1979) date zijn 44-jarige personage met een 17-jarig meisje.

Louis CK, die een rol had in Allens film Blue Jasmine (2011), zag zijn film als een nuancering, zo vertelde hij The New York Times: “We praten allemaal over beroemde mensen, we willen weten of ze helemaal goed of helemaal slecht zijn. Maar de ongemakkelijke waarheid is dat je zo iemand nooit echt kunt kennen.”

Eerlijkheid kent grenzen
Dat laatste is een begrijpelijke uitspraak – Micha Wertheim zette afgelopen maandag in NRC Handelsblad nog overtuigend uiteen dat het werk van de maker en zijn persoonlijke leven niet met elkaar verward moeten worden.

Maar in Louis CK’s geval is het problematischer. Tijdens een emotioneel eerbetoon aan de overleden comedian George Carlin uit 2010, deelde hij het verhaal van zijn artistieke doorbraak. Louis CK was lange tijd een doorsnee comedian, met standaardgrappen over vliegtuigen en honden. Tot hij op een avond op het podium durfde te zeggen: “Ik kan geen seks met mijn vrouw hebben dankzij onze baby – onze baby is een fucking klootzak.” Het was een keerpunt: “Vanaf dat moment gooide ik al mijn grappen steeds weg, om mezelf te dwingen om steeds dieper bij mezelf te graven. Tot ik uiteindelijk grappen over mijn angsten en nachtmerries maakte.”

Veel mensen putten dan ook troost uit zijn stand-up, omdat hij met zijn openhartigheid niets lelijks leek te verbergen. In zijn serie Louie fictionaliseerde hij zijn leven als gescheiden vader om juist nóg dieper te gaan. Bij Louis CK leek zijn werk en zijn persoon dus bijna samen te vallen: je kon meekijken met zijn meest duistere gedachten, neigingen en fantasieën, zijn onzekerheden en zijn fouten, waardoor je je minder schaamde, en bij jezelf te rade durfde te gaan.

Daarom is deze onthulling (en de daaropvolgende bekentenis) ook een klap in het gezicht van zijn fans: zijn eerlijkheid blijkt wel degelijk grenzen te kennen. Masturberen terwijl je een collega aankijkt – seksuele intimidatie – was voor hem niet grappig of herkenbaar te maken. Dat is alleen maar heel erg naar en triest. In de masturbatie-aflevering van Louie zegt zijn alter ego: “Ik doe het thuis en ik doe er niemand kwaad mee.” Louis CK claimde dat hij alles durfde te zeggen, alles durfde te verkennen. Maar hier draaide hij toch om de hete brij heen.

Heksenjacht?
Louis CK’s woorden over onze behoefte aan zwart-wit-oordelen hadden wel weer iets profetisch. Hij deed deze uitspraken namelijk vóór de Weinstein-onthullingen, voor #metoo, voordat Kevin Spacey en vele anderen door het stof moesten.

We moeten oppassen met woorden als ‘heksenjacht’, omdat het een conservatieve reflex is: laten we niet overdrijven, alles gaat toch best oké? Het is niets voor niets dat nota bene Woody Allen deze term na de Weinstein-affaire als een de eersten in de mond nam. Nee: de stelselmatige seksuele intimatie, aanranding en verkrachting van vrouwen overal ter wereld vormt de ware onderdrukking, en die moet worden aangepakt. Louis CK’s fetisj komt voort uit een sociaal-culturele traditie van mannen die hun genot opeisen, en heeft veel schade veroorzaakt.

Maar er is nu wel degelijk sprake van enige public shaming, gevoed door de immer ongenuanceerde media. Nu betekent elke krantenkop waarin jouw naam gecombineerd wordt met ‘grensoverschrijdend gedrag’, automatisch einde carrière.

Daar schuilt een zekere hypocrisie in. Door kopstukken als Kevin Spacey en Louis CK af te stoten, lijken we onze handen te wassen in onschuld: zo, de rotte appels zijn weg, alles is weer oké. Terwijl de #metoo-actie juist aantoonde hoe wijdverspreid en alledaags seksuele intimidatie is. Het moest er juist voor zorgen dat álle mannen naar zichzelf zouden kijken, en dat het patriarchaat in het algemeen op de schop zou komen. Het is hoog tijd dat we hier eerlijker over zijn, die eerlijkheid verdient veel respect en de daders verdienen straf. Maar niet elke vorm van seksueel geweld is hetzelfde, en verdient ook niet dezelfde reactie. Nee is nee, maar niet elke klootzak is dezelfde klootzak.

Dit is geen verdediging van Louis CK’s gedrag van destijds, maar eerder een verdediging van wat hij me geleerd heeft: door zo eerlijk mogelijk te zijn, maak je perverses en de traumatische ervaringen die ze veroorzaken algemeen herkenbaar en toon je alle nuances van het leven, in plaats van ons gebruikelijke hokjesdenken. En door te luisteren, creëer je empathie. En alleen dan kan er mentaliteitsomslag ontstaan.

En dat is mijn grote teleurstelling: Louis CK zal de afgelopen maanden vermoed hebben dat hij binnenkort aan de beurt zou zijn, en hij kreeg van The New York Times voor publicatie de kans om zijn kant van het verhaal te vertellen. Hij had een jaar geleden al een keiharde aflevering van Louie over een misbruikende masturbator en de gevolgen voor zijn slachtoffers kunnen maken, misschien in samenwerking met de vrouwen zelf, weet ik veel. In plaats daarvan koos hij er steeds weer voor om niet te reageren, om te hopen dat het zou overwaaien.

Na het onthullende artikel kwam dan eindelijk de bekentenis, waarin hij zich ouderwets eerlijk, nederig en empathisch toonde: “Ik kan mezelf hier niet voor vergeven. Maar dat is niets vergeleken met waar ik hen mee heb opgezadeld. (…) Ik heb tijdens mijn lange en gelukkige carrière altijd gezegd wat ik wilde. Nu zal ik een pas op de plaats maken om te luisteren.” Maar het was veel en veel te laat.

Voorlopig zullen we het zonder de wijze raad van Louis CK moeten doen. Het geeft ons tijd om na te denken over grenzen van artistieke schaamteloosheid, en onze vele blinde vlekken.

-In mijn boek Een Grootse Mislukking schrijf ik ook over hoe stand-up comedy een unieke kunstvorm is, die een rauwe waarheid naar boven kan halen. Je kunt hem hier bestellen. Dit artikel verscheen oorspronkelijk, in iets gewijzigde vorm, in De Volkskrant

Interview: Jennifer Egan

Jennifer Egan (1962) groeide op in Chicago, als enig kind van ouders die al snel uit elkaar gingen. Ze verhuisde op haar zevende naar San Francisco en wilde eerst chirurg worden, later archeoloog. Ze wilde snijden of graven, alles om onder het oppervlak te komen, zoals ze in een verhaal in The New Yorker beschrijft. Nadat ze aan de universiteit van Pennsylvania was afgestudeerd, trok Egan naar New York om schrijver te worden. Dit was een moeilijke tijd, waarin ze worstelde met haar inkomen en schrijfambities (mooi beschreven in een interview op het blog The Days Of Yore). Pas in 1996 werd voor het eerst iets van haar uitgegeven, de verhalenbundel Emerald City. Met de daaropvolgende drie romans vergrootte haar bekendheid gestaag, maar volgens Egan kreeg ze altijd ‘gemengde recensies, op z’n best’.

Met het vorig jaar verschenen A Visit From The Goon Squad beleefde Jennifer Egan op 49-jarige leeftijd haar grote doorbraak. Het boek won onder andere de Pulitzer Prize en werd bejubeld door pers en publiek. In dertien hoofdstukken reist Egan aan de hand van vele verschillende, los met elkaar verbonden personages door de tijd. De platenbaas Bennie Salazar en zijn assistente Sasha zijn de hoofdpersonen in dit verhaal, dat eindigt in de toekomst, waar mensen communiceren in een soort sms-taal en een meisje haar dagboek bijhoudt in PowerPoint.

Jennifer Egan blijkt in persoon een oud meisje te zijn, dat graag praat, maar ook goed luistert, en vaak om haar eigen stommiteiten lacht.
———
Als je naar je naar je gehele oeuvre kijkt, heb je dan het gevoel dat je meer controle over je kunst hebt gekregen?
Ik doe steeds iets nieuws en daardoor kan ik de lessen die ik leer niet altijd goed gebruiken voor het nieuwe boek. Ik heb nooit het gevoel dat ik weet wat ik doe, blijkbaar vind ik dat een fijne manier van werken. Maar als dingen slecht zijn, weet ik inmiddels wel dat ik ze beter kan maken. Vroeger kon ik echt wanhopen, nu ben ik meer bezig met het oplossen van problemen en is het niet het einde van de wereld. Toen ik jonger was, werd alles al snel een crisis. Ik weet niet hoe ik het voor elkaar heb gekregen om voor mijn veertigste geen hartaanval of beroerte te krijgen. Ik leek geen drama queen, maar inwendig voelde het regelmatig alsof mijn leven ten einde was [lacht]. Hoe kan ik ooit zo geleefd hebben? Nu denk ik: vervelende dingen gebeuren, maar je komt er doorheen.

Denk je nog wel eens terug aan die onzekere tijd?
Ik had laatst een voorleessessie met Jeffrey Eugenidis bij het culturele instituut 92nd Street Y in New York en toen dacht ik wel aan die jaren dat ik daar zelf met open mond binnenliep en mijn idolen op het podium bewonderde. New York is uiteindelijk een heel kleine stad, waarbij je voortdurend in je eigen voetsporen loopt. Ik herleef daardoor voortdurend momenten uit het verleden. Het is een dankbaar gevoel om me te realiseren dat een paar van mijn wilde dromen uitgekomen zijn.

Dat doet me denken aan het einde van A Visit From The Goon Squad, waarbij er een nieuw jong meisje in Sasha’s oude appartement woont en de cyclus opnieuw lijkt te beginnen.
Dat hield me destijds heel erg bezig, en eigenlijk nog steeds. Ik ben constant bewust van het verstrijken van de tijd, tot op het vermoeiende af, maar ik weet niet hoe ik moet stoppen. Het krijgen van kinderen maakt het alleen maar erger. Je loopt met ze door het park en dan zie je een peuter rondstappen en denk je: huh? Hoe oud zijn mijn kinderen opeens?

Wat zou je nu zeggen tegen die worstelende jonge Jennifer?
Ik weet niet of ik gestopt ben met worstelen. Ik bedoel, nu moet ik aan een roman beginnen terwijl iedereen opeens denkt dat ik geweldig ben. Als ik daaraan denk, breekt het zweet me ook uit: wat ga ik in godsnaam doen? [lacht] Het is echt niet opeens allemaal probleemloos. Als je iets serieus wilt doen, zul je ermee worstelen.

Maar het vreemde aan die tijd is dat ik er zeker van was dat er niets zou veranderen, terwijl dat toch het enige is waar je zeker van kunt zijn. Ik dacht: ik ben een loser, en dat is dat. Literaire journalisten kiezen graag hun favoriete jonge schrijvers. Sommige maken die belofte waar, anderen niet. Maar ik was nooit een van die uitverkorenen, verscheen nooit op enige radar. Ik was wel in de buurt, aan het werk, maar op geen enkele manier opgemerkt. Ik dacht dat dat het lot was. Voor mij was dat een teken uit de toekomst, in plaats van een omstandigheid van het heden. Nu snap ik beter dat alles morgen weer anders kan zijn. Dat is een manier van denken die ik mijn oude zelf graag had gegund. Het had me een hoop lijden bespaard.

Wat is nu je werkroutine?
Ik schrijf fictie met de hand. Ten eerste omdat het goed voelt om eens niet van een machine afhankelijk te zijn. Maar daarnaast merk ik ook dat het een ander, meer associatief deel van mijn hersenen aanspreekt. Op een computer schrijf ik heel bewust, ik plan en ik schrap en ik lees veel terug. Dat is heel geschikt voor mijn journalistieke werk, maar als ik met de hand schrijf, is het veel meditatiever. Dan schrijf ik dingen die ik anders niet had kunnen bedenken. Wat ik me bewust kan bedenken, weet ik al. Ik moet iets schrijven wat ik nog nergens gelezen heb, wat ik nog niet weet. Met dat verrassende materiaal ga ik vervolgens heel analytisch aan de slag, maar om het te creëren heb ik iets anders nodig. Met perfectionisme krijg je geen goed materiaal, dat haal je allemaal uit je intuïtie.

Je schrijft dus in een soort trance?
Ik stort het eruit zonder te veel terug te lezen, want dan ben ik alweer aan het schaven en aan het nadenken. Ik moet vooruitdenken, niet terugdenken. Er komen dan interessante dingen uit, maar ze zijn nog heel erg rauw. Het zijn impulsen, sterke beelden, vreemde wendingen. Vaak verbaast ik mijzelf met wat er uit komt. Ik ben dan een echte lezer van wat ik zelf heb geschreven.

Toen ik met A Visit From The Goon Squad begon, wist ik alleen dat een vrouw een portemonnee zou stelen. Ik wist niet waarom, ik wist niet hoe, maar het moest gebeuren. Toen kwamen tijdens het schrijven de beelden van de psychiater, de date, haar appartement. Dat had ik allemaal niet verwacht.

Een ander voorbeeld is het PowerPoint-deel van het boek. Ik had het idee om daar iets mee te doen, en koppelde het direct aan iemand uit het bedrijfsleven. Maar dat was te logisch en werkte totaal niet. Ik besloot het idee op te geven en in de eerste versie van het boek was het afwezig. Totdat ik met een ander probleem bezig was, namelijk dat we Sasha niet in de toekomst zien en Bennie wel. Toen bedacht ik opeens dat haar dochter een dagboek in PowerPoint moest schrijven. Dat was echt een eureka-moment. Toen ik erover nadacht, realiseerde ik me dat het zo goed klopte omdat kinderen heel ver van iets als bedrijfscultuur af staan. Maar die verbinding had ik nooit rationeel kunnen maken.

Is het niet lastig om het niet terug te lezen?
Mijn handschrift is heel erg moeilijk te lezen, dat helpt. Soms kom ik er helemaal niet achter wat er staat. Ik stuit later vaak op onleesbare woorden en denk dan: oké, laten we maar weer een ander woord gebruiken. Natuurlijk worden juist die niet te ontcijferen woorden enorm belangrijk, essentieel voor het verhaal. Dan verval ik in een handschriftanalyse van mezelf: is dit een F? En dan kijk ik op een ander blaadje en denk ik: nee, de F schrijf ik echt anders. Een B dan? [lacht]

Wat fascineert je aan mensen?
Dat is door de jaren heen veranderd. Toen ik nog jonger was, vond ik alles wat mensen vertelden enorm interessant. Ik vond het geweldig om mensen aan het praten te krijgen – wat over het algemeen niet zo moeilijk is. Nu ben ik kritischer. Mensen herhalen zichzelf en praten elkaar na. De meesten zijn behoorlijk saai. Bovendien kun je de verhalen die ze over zichzelf vertellen vaak niet letterlijk nemen, omdat er zoveel achter zit. Ze willen dat je allerlei dingen over ze gelooft, en vroeger deed ik dat ook. Ik dacht: ze leren me iets. Nu ben ik meer geïnteresseerd in die gedachtepatronen, waarom een bepaald persoon een bepaald verhaal vertelt. Dat zal hij je niet zelf onthullen. In zekere zin heeft hij daar ook geen toegang toe. Als ik nu met iemand praat, luister ik niet naar het verhaal in kwestie, maar naar kleine hints van dat echte verhaal. Ik luister naar het metaverhaal: ik ben de held. Of: mijn leven is zo zwaar.

Het klinkt alsof je voyeuristische trekjes hebt.
Oh ja, zeker. Als ik iets zou kunnen wensen, zou ik niet willen vliegen of tijdreizen, maar onzichtbaar willen zijn. Dan zou je echt alles kunnen weten, denk ik. Ik wil zien hoe de wereld is als ik even niet mee doe. Ik weet nog dat ik als klein meisje in Chicago met mijn moeder over straat liep, de verlichte ramen van al die enorme appartementen zag en dacht: ‘Ik wil daar naar binnen. Wat gebeurt daar? Ik wil die man volgen en met hem mee gaan om te zien hoe zijn appartement er uit ziet.’ Misschien kunnen we de wereld verdelen in exhibitionisten en voyeuristen. Ik behoor zeker tot de laatste categorie.

Toch lijk je geen verlegen persoon.
Ik probeer de situatie altijd zo min mogelijk te beïnvloeden. Een verlegen persoon houdt zich volledig afzijdig. Ik wil wel meedoen, maar als participerende toeschouwer. Ik zal alles doen om het in beweging te houden.

In A Visit From The Goon Squad kruip je voortdurend in de huid van andere mensen.
Het lukte me niet altijd. In sommige hoofdstukken kon ik de juiste toon niet vinden en moest ik het na een tijdje opgeven. Naarmate het boek vorderde, werd het ook zwaarder omdat ik minder opties had. Ik voelde me soms als de persoon die een vloer heeft geverfd en vast zit in een hoek. Maar in mijn geval was het geen verf, ik was ingesloten door personages. Soms gebruikte ik trucs. Normaal luister ik niet naar muziek als ik schrijf, maar nu probeerde ik om bij de overgang tussen hoofdstukken van muziek te veranderen. Of ik schreef buiten, in cafés. Alles om het anders te laten voelen als ik aan een nieuw hoofdstuk begon.

Het past wel goed bij het mediatijdperk, waarin schakelen een grote rol speelt.
[fel:] Ik verander graag van perspectief en werkwijze, maar kan me heel goed concentreren. Misschien dat ik met deze voortdurende wisseling van personages en perspectief onbewust heb ingespeeld op de behoefte van de moderne lezer. Maar als je boeken wilt schrijven, kun je niet snel afgeleid zijn. Je moet heel precies en bijna koppig zijn. Mensen die zich laten afleiden door het internet en gadgets zullen nooit goede boeken schrijven. Of ze moeten enorme wilskracht hebben. Over het algemeen ben ik het eens met Jonathan Franzen, die zegt dat je met een internetverbinding in je kantoor nooit goede fictie kan schrijven.

Je sluit je dus aan bij de internetpessimisten?
Nee, dat is niet waar. Uiteindelijk zullen degenen die het beste met al deze afleidingen om kunnen gaan, het meest productief zijn en de touwtjes in handen krijgen. Degenen die zich laten verleiden door het internet en door versnippering oppervlakkiger worden, zullen daar de gevolgen van voelen. Maar ik heb uiteindelijk veel vertrouwen in mensen, we zijn sterker dan het lijkt.

Toch klink je niet als een liefhebber van techniek.
Je moet blijven opletten dat je je niet laat domineren. Mijn man ging naar Israel in de herfst en de eerste dagen dat hij weg was, sms’te en mailde hij me zoveel dat ik het gevoel had dat we meer contact hadden dan wanneer we allebei in New York zijn. Ik dacht: ik wil voelen hoe het is dat je weg bent, maar daar krijg ik niet eens de kans voor, omdat ik al deze sms’jes aan het beantwoorden ben. Voor mij is alleen reizen ook een zeer belangrijk deel van mijn leven geweest. Op mijn achttiende reisde ik in mijn eentje door Europa, in 1986 was ik in China en de Sovjetrepubliek. Ik kon met niemand communiceren en ik vierde mijn verjaardag in mijn eentje op een Chinese hotelkamer. Dat zou nu nooit meer gebeuren. Die reizen zouden nu makkelijker zijn. Maar zou ik ze zo goed herinneren?

Ik denk daar over na, zeker ook als moeder. Ik probeer het mediagebruik van mijn zoons te beperken, zodat ze ook zien hoe het kan zijn zonder al die techniek en later nog kunnen kiezen. Toch ben ik niet blind voor de voordelen van het internet en smart phones en heb ik niets met de conservatieve paniekreacties die op elke verandering volgen. Ik ben vooral voorzichtig.

A Visit From The Goon Squad eindigt in de toekomst, als mensen beginnen te huilen bij het horen van ‘ouderwetse’ pure muziek.
Dat is niet mijn nostalgie. Ik ben geïnteresseerd in nostalgie omdat het altijd een maatstaf van verandering is. Het is een teken dat we in hoge snelheid oude gebruiken kwijtraken. De door de massamedia geregisseerde ervaring heeft een enorme behoefte aan authenticiteit teweeggebracht. Die proberen de media weer te bevredigen met reality-tv, een soort gemaakte echtheid. Volledig paradoxaal.

Is de hele wereld niet onecht geworden?
In mijn roman The Keep vroeg ik me af wat ons idee van ‘realiteit’ nog betekent. Hoe weten we nog wat echt is? Ik heb een artikel geschreven over homoseksuele jongeren die alleen online uit de kast durfden te komen. In de ‘echte’ wereld deden ze alsof ze normale jongens waren, maar online hadden ze relaties, liefdesverdriet, gingen ze vreemd, hadden ze seks. Dat was hun echte leven. Tegelijkertijd zat dat leven vol met teleurstellingen: volwassenen die zich voordoen als jongeren, mensen die andermans foto gebruiken, enzovoorts. Het was een fascinerend voorbeeld voor de vraag: wat is echt? Wat betekent het om echt te zijn? Onze levens zijn niet per se onecht, ze voldoen niet meer aan het oude idee van wat echt is.

Wat is de rol van fictie in die wereld met haar dubbelzinnige realiteit en voortdurende afleiding?
Dezelfde als altijd. Je moet een fantastisch verhaal vertellen, mensen naar een andere plek transporteren en ze juist daardoor confronteren met die vreemde moderne realiteit. Je moet vragen oproepen, waardoor mensen met een nieuw perspectief naar hun leven terugkeren. En het moet bovenal leuk zijn. We praten veel over de crisis van het boek, het weglopen van lezers. Maar fictie kan nog steeds dingen met mensen doen, die met geen enkele andere vorm mogelijk zijn. Als ik goede fictie lees, dan voel ik me verrijkt voor de rest van mijn leven. Daarom moeten schrijvers doen waar ze goed in zijn en niet zeuren over onderwaardering. Boeken moeten onweerstaanbaar zijn, zodat mensen geen andere optie meer hebben.

(Verschenen op hard//hoofd, 2012)

Column: De test

Op weg naar de wc kwam ik mijn vriendin tegen. Ze stond op de trap in haar badjas, hoewel het toch een doordeweekse middag was. “Ga je nú naar de wc?” vroeg ze ongelovig. Ik werd onmiddellijk overvallen door een onbestemd schuldgevoel en ging pijlsnel na wat er fout kon zijn aan dit voornemen. Moest zij eerst naar de wc? Had ze de wc net schoongemaakt? Of juist bevuild? Had ikzelf beloofd om de wc schoon te maken? Hadden we überhaupt wel een wc? Of natuurlijk, die badjas: ze probeerde me te verleiden tot wat afternoon delight en ik, simpele sukkel, had dat weer eens niet door.

Toen zag ik het staafje in haar hand. De tranen in haar ogen. Shit, dat was waar ook. De test. Mijn vriendin keek me aan en zei: “We zijn zwanger.”

Ik had me dit moment al vaak voorgesteld. Meestal moest ik ook huilen en omhelsden we elkaar innig. Mijn verwachting was, zoals bij zoveel mijlpalen die ik nog moest meemaken, volledig gebaseerd op wat ik in Amerikaanse films en televisieseries had gezien. Maar in dat soort scènes komt de vrouw altijd van de wc, nu ging de man naar de wc. En in plaats van de verwachte extase, voelde ik pure angst.

Toch omhelsden we elkaar. Een omhelzing is een prima positie als je bang bent, omdat de ander de zweetdruppels en je lijkbleke huid niet kan zien en je gerust over elkaars schouders een paar tellen met wijd opengesperde ogen in de afgrond van de toekomst kunt staren. Even later zaten we zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel. “Eigenlijk schrik ik vooral,” gaf ik toe. “Ik ook,” zei mijn vriendin met een snik. Dat was zo’n opluchting dat mijn tranen ook begonnen te stromen, wat me aan het lachen maakte. Zo zaten we daar te huil-lachen en langzaam maakte de angst plaats voor geluk.

Mijn vriendin en ik weten de clichés van de man-vrouwverhouding meestal te vermijden. Zij kijkt graag mee met Studio Sport en ik ben vaak degene die over gevoelens wil praten. Maar sinds we een baby proberen te maken, ben ik echt een man. Een schaapachtig figuur dat nergens iets van snapt en steeds achterloopt. Zelden ben ik zo geconfronteerd met mijn gebrekkige kennis als in deze periode. Een vrouw is toch gewoon de hele tijd vruchtbaar zodra ze stopt met anticonceptie? Nee, gast. Als je zwanger bent, heb je toch heel veel zin in drop? Juist niet, loser. De mensen bij Google zullen raar hebben opgekeken, toen ze zagen hoe ik opeens mijn surftijd verdeelde tussen de websites van Voetbalzone en MamaEnzo.

Ik probeerde om de ontwikkelingen bij te houden. Ik wilde per se meer zijn dan alleen de dude die zijn sperma gedumpt had. Maar er gebeurde niets in mijn lijf, en soms vergat ik het gewoon, als de oenige penisdrager die ik ben. Zoals de dag dat ze de test zou doen. Mijn vriendin had het ’s ochtends nog heel lief aan me voorgelegd: “Zal ik het vandaag doen, of zullen we nog een dag wachten?” Ik had haar glazig aangekeken en gezegd: “Ehm vandaag maar ofzo?” Vervolgens had ik een YouTube-filmpje gekeken en was deze mogelijk levensveranderende informatie volledig uit mijn gedachten verdwenen.

We zijn zwanger, zei ze. Wat ze bedoelde was: ik ben zwanger, wil je meedoen? Voor we eraan begonnen was ik doodsbang geweest dat een van ons onvruchtbaar zou blijken te zijn. Een gynaecoloog had ooit verklaard dat mijn vriendin ‘een luie baarmoeder’ had; ik kreeg het beeld van een vadsig orgaan dat de hele dag op de bank chips zit te eten, niet meer uit mijn hoofd.

Nu het gelukt was, was ik bang dat ik zelf ooit weg zou gaan, dat ik mijn vrouw en mijn kind zou vergeten zoals zoveel sukkels voor mij. Of dat ik haar zou kwijtraken. Of nog erger, dat we voor altijd bij elkaar zouden blijven.

Twee weken later was het nieuws ingedaald en was ik vooral heel blij. Ik geloofde bijna dat we zwanger waren. Wij samen. Tot mijn vriendin me smste: “Bloedverlies. Maak me een beetje zorgen.”