Centjes

“Zwaai maar naar papa. Die gaat centjes verdienen!” zegt de opvangleidster met mijn zoontje op haar arm. Ze kijkt me doordringend aan bij die laatste woorden, of beeld ik me dat in? ‘Echt hard werken hè,’ lijkt ze met die blik te zeggen, ‘anders laat je je kind voor niets hier achter.’ Tinus, ziekig en verlatingsangstig, zwaait naar me met zijn onhandige baby-beweginkjes en een beteuterd gezicht.

Thuis klap ik mijn laptop open. Ik werk aan een boek, dus of ik centjes ga verdienen is nog zéér de vraag, maar ik kan het diepe schuldgevoel op z’n minst aanwenden om die dag zoveel mogelijk werk gedaan te krijgen. In plaats daarvan begin ik voetbalnieuws te lezen. En porno te kijken. Ja, ik geef het toe, ik kijk porno terwijl mijn zoon tussen zeven andere baby’s ligt te huilen bij de opvang. Voor dat soort mensen bestaat een speciale sectie in de hel.

Ik had gehoopt dat ik dankzij de komst van de baby efficiënter zou worden. In interviews met mensen die ik bewonder las ik altijd dat het ouderschap hen dwong om de schaarse beschikbare uurtjes optimaal te benutten. Geen tijd meer voor gekloot: gewoon gáán. Uit deze noodzaak is zelfs een heel nieuw literair genre ontstaan: de boeken van schrijvers als Valeria Luiselli, Maggie Nelson en Jenny Offill, en dichter bij huis Arjen van Veelen en Marjolijn van Heemstra, bestaan uit korte, scherpe passages, met een panische concentratie geschreven terwijl de baby even sliep.

Dat lukt mij niet. Vroeger kon ik nog stoer zeggen dat deze inefficiëntie een protest tegen het kapitalisme was, nu heb ik een gezin. Nu moet ik gewoon centjes verdienen, zodat we biologische opvolgmelk van Nieuw-Zeelandse geiten kunnen kopen. Toch heb ik nog altijd opstartproblemen; die zitten blijkbaar zo diep dat zelfs de liefde voor mijn kind ze niet kan bereiken.

“Wat had je dan verwacht?” zegt mijn vriendin. “Dat het van de ene op de andere dag zou veranderen?” Nou ja, eigenlijk wel. Maar een baby is geen wonder. Het is een pijlsnel opgroeiend mensje, met duizenden praktische implicaties die je als jonge ouder wanhopig probeert bij te benen. En ja: er zijn kleine veranderingen zichtbaar. Als mijn vriendin de baby naar bed brengt, betrap ik mezelf erop dat ik opeens de afwas sta te doen. Vroeger had ik erover gemokt, nu is daar geen tijd meer voor. We moeten blijven bikkelen.

Na een paar verspilde uren van mijn schrijfdag kom ik dan eindelijk op gang. En zoals altijd kan ik nu niet meer stoppen: ik vergeet naar de WC te gaan, waardoor ik ongetwijfeld weer eens geobstipeerd zal raken, en verpest mijn ogen nog wat meer omdat ik mijn blik nauwelijks van het scherm afwend. Maar uiteindelijk is het daar: productiviteit. Ik kan tevreden achteroverleunen.

Misschien zal mijn zoon later als tiener mijn boek lezen en roepen: “Moest ik híérvoor nou naar de babydump?” Dan zal ik bedroefd knikken. Vervolgens zal hij nijdig smalen: “En het leverde ook geen geld op hè. Had je niet een gewóne baan kunnen nemen pap? Dat had een hoop gezeur gescheeld.”

Dan zal hij een klap in zijn gezicht krijgen. Mijn medeleven is groot, maar er zijn grenzen.
—————
Dit stukje verscheen ook in De Standaard, waar ik deze maand gastcolumnist ben.

De pont

Ik hou ervan om op de pont te staan. Net zoals bij andere vormen van openbaar vervoer word je gedwongen om met willekeurige vreemden een ruimte te delen, maar op de pont sta je altijd dicht op elkaar, en dobber je in vijf minuten naar de overkant, voordat iedereen weer met veel kabaal uit elkaar stuift. Dat zorgt heel even voor een vreemd soort intimiteit en rust.

De rust werd dit keer verstoord door een baby die steeds harder begon te krijsen. Sinds de geboorte van mijn zoon ben ik hypergevoelig voor het geluid van huilende baby’s. Ze lijken ook allemaal op Tinus. Soms sta ik midden op straat opeens paraat om met een flesje naar boven te rennen.

Ik keek naar de bron van het geluid en zag een baby van een paar weken oud, die net werd opgepakt door haar vader, een man van Mediterrane afkomst, of iets Zuid-Amerikaans, dat zou ook goed kunnen. Misschien Oost-Europa. Hoe dan ook was het een grote man met zwart haar en een ringbaardje, een macho-type, dus ik bleef kijken met een mengeling van vooroordeel en de verwachting van leedvermaak: hoe zou hij het er vanaf brengen? Hij zou vast het geduld niet kunnen opbrengen. Een huilende baby vergt oneindig veel geduld. Zeker op de pont. Ik had het zelf destijds niet gekund.

Maar de man bleef kalm zijn meisje zacht op en neer bewegen, terwijl hij oprecht glimlachte naar de vele starende mensen. “Baby’s hè,” leek hij te zeggen. Hij deed het zo goed. Verdomme. Wie moest ik nu dan gebruiken om mijn eigenwaarde op te krikken?

Gelukkig stond er naast me een witte yup met halflang haar en een baardje, zijn zoontje (een jaar of zeven) achterop de fiets. Hij merkte als enige de baby niet op, omdat hij zijn iPhone-oortjes in had. Die lul luisterde dus gewoon muziek terwijl hij zijn zoon van school haalde. Dat zou ik nóóit doen.

“Huilde ik ook zo pap, toen ik klein was?” vroeg het jongetje, die bezorgd naar de baby keek. “Pap?” “Hm?” zei zijn vader, terwijl hij een oortje uit deed. Hij keek even achterom naar de baby. “Jij was niet zo klein,” zei hij toen. “Nee, huílde ik ook zo?” drong het jongetje aan. “Weet ik niet meer,” zei de vader en sloot zich weer af, waarna hij verveeld door WK-uitslagen begon te scrollen.

Toen waren we alweer aan de overkant en gingen alle huilende baby’s weer uit elkaar, naar hun eigen vertrouwde huis.

Wanhoop

Na de zelfmoord van Anthony Bourdain kocht ik het kookboek dat hij aan zijn dochter opdroeg, in het Nederlands vertaald met de nu nogal ironische titel ‘Beter wordt het niet’. Een Vaderdagscadeau voor mezelf, zullen we maar zeggen.

In de inleiding schijft de rock ‘n roll-kok en straateter: “Net als de meeste mensen die een boek schrijven of op televisie zijn, en denken dat de mensheid geïnteresseerd is in hun verhaal, ben ook ik een vreselijk zelfingenomen monster. Het vaderschap is wat dat betreft een verademing: ik ben nu instinctief gedwongen om voor iemand anders dan mijzelf te zorgen. En ik vind het te gek om vader te zijn! Van het begin tot het eind.”

Als ik berichten lees over bekende mensen die worstelden met suïcidale gedachten, kan ik me behoorlijk ver inleven. Sterker nog, ik denk dat leven voor iedereen een keuze is, elke dag weer. Sommigen zijn daar beter in dan anderen, maar wie denkt er niet om de zoveel tijd: ‘Argh, ik heb zin om een héél lang dutje te doen’?

Zodra ik echter lees dat zo iemand kinderen had, zoals Bourdain zijn elfjarige dochter achterliet, dan stokt mijn medeleven, en komt toch die gedachte op: hoe kun je zo egocentrisch zijn?

Maar dan herinner ik mezelf eraan om het andersom te bekijken: hoe wanhópig moet je wel niet zijn om niet alleen afscheid te nemen van je eigen leven, maar ook van dat van je kind? Die wanhoop sluimert altijd en overal.

En toch: ook opoffering is voor sommigen moeilijker dan anderen. Mannen zijn er, binnen onze huidige sociaal-culturele omstandigheden, minder goed in. Onze wereld is vol zelfingenomen monsters. Maar Anthony Bourdain probeerde in elk geval om zijn empathisch vermogen (en dat van ons) uit te breiden; al zijn boeken en programma’s zijn pogingen daartoe. Vlak voor zijn dood schaarde hij zich nog openlijk achter de #metoo-beweging.

Donald Trump heeft vijf kinderen. Hun geboortes zullen hem niet tot opoffering hebben gedwongen; hij kon het zich veroorloven om alleen aan zichzelf te blijven denken.

Vluchtelingen denken vaak juist aan niets anders dan hun kinderen. “It’s all about Aisha,” zegt de Syrische vader die hier om de hoek woont nog steeds over zijn enige dochter.

De Hondurese vluchteling Marco Antonio Muñoz pleegde in mei zelfmoord in zijn cel nadat hij bij de Texaanse grens van zijn vrouw en zijn driejarige zoon was gescheiden, die waarschijnlijk met andere kinderen in een kooi belandde.

Dat moet de diepst mogelijke wanhoop zijn. Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Maar het moet. Empathie is het enige wat ons kan redden.

Wat een leventje

“Wat een leventje heeft zo’n baby hè,” zei mijn zus laatst terwijl ze Tinus appelmoes aan het voeren was, “alles wat je wil, wordt je aangereikt.” Op dat moment begon mijn zoon te huilen. Hij gebaarde een paar minuten wanhopig met z’n mollige armpjes, tot mijn zus eindelijk het flesje met water in zijn mond stak en hij gretig begon te drinken.

Het lijkt me juist vreselijk om een baby te zijn. Ik zou ook de hele dag huilen als ik volledig afhankelijk was van anderen, zonder dat ik met ze kon praten. “Nee sukkels, ik wil geen rijstwafel, ik heb in mijn broek geplast! Mijn broek! Nat! Vies! Hier! Help!” En dan heb ik het nog niet eens over subtielere problemen als een iets te strakke luier, spierpijn of een zaadje tussen je twee tandjes. “Rot op met die speen, krab gewoon even op mijn rug, linksboven please, linksboven!” Dat is wat baby’s proberen te zeggen als ze huilen. Denk daar maar eens aan als je je zit te ergeren tijdens je vliegreis.

Mentaal gezien moeten de eerste levensjaren bovendien voelen als één lange drugstrip. Om de paar weken wordt een baby wakker in een compleet nieuwe wereld. Baby-ontwikkelingsboeken klinken als de hallucinatie-beschrijvingen van Aldous Huxley: “Je baby begreep eerder hoe de relaties tussen voorwerpen en handelingen werken, nu kan hij ze op afstand van zichzelf plaatsen en in categorieën indelen: hij merkt dat hij net zo’n wezen is als mama, dat hij dezelfde bewegingen kan maken als zij.” Wow dude. Wow.

Daarnaast hebben baby’s nog nauwelijks een afweersysteem, waardoor ze zo’n tien keer per jaar een paar weken zwaar verkouden zijn – maar ze kunnen óók nog niet goed door hun mond ademen, zodat ze tijdens zo’n periode constant high zijn van het zuurstoftekort en ‘s nachts steeds weer half stikkend wakker worden. Bij zulke onmogelijke combinaties weet je zeker dat Moeder Natuur een sadist is.

Als je alles bij elkaar optelt, mogen we van geluk spreken dat we ons niets van deze helse periode kunnen herinneren.

Misschien vind je me te negatief, maar het helpt me juist om meer liefde voor Tinus te voelen. Om te waarderen hoe vrolijk hij meestal is. Als je ervan uitgaat dat een baby het makkelijk heeft, vind je hem al snel moeilijk. “Nou nou, chagrijntje,” zei ik vanochtend bijvoorbeeld toen hij huilerig was – een van zijn twintig (!) tandjes is de laatste dagen langzaam zijn tandvlees aan het doorboren. Hij keek me aan met een blik van: chagrijntje? Really?

Opeens herinnerde ik me hoe ik zelf als kind tijdens een vakantie voortdurend op mijn kop kreeg omdat ik chagrijnig was. Tot mijn ouders me na een week toch naar een huisarts brachten en ik bronchitis bleek te hebben. Blijkbaar durfde ik niet te zeggen dat mijn longen pijn deden. Ik kreeg sowieso nooit koorts.

Mijn zoon mag dus een onredelijke klootzak zijn. We zien later wel weer wat voor trauma’s dat heeft opgeleverd.

Zwembad

Onze onderbuurvrouw heeft een zwembad. Een uitklapzwembad van twee bij drie, met een luchtbed waar ze op dobbert in haar bikini. Daarnet mompelde ze gelukzalig tegen haar hondje: “Wat een leven, Lucy, wat een leven.”

Dezelfde buurvrouw leent een keer in de maand dertig euro van ons. Of eigenlijk leent ze het van mijn vriendin, want als ik opendoe zegt ze snel: “Hé schat, alles goed, is je vrouw thuis?” Eerst leende ze het sporadisch, maar al snel kwam er een regelmaat in. Ik maakte me zorgen over afhankelijkheid, maar mijn vriendin zei dat het wel mee zou vallen, en natuurlijk kreeg ze gelijk.

Het grappige is: we geven haar telkens dezelfde dertig euro. Als ze de terugbetaling door de brievenbus gooit (‘Bedankt weer meis!’) bewaart mijn vriendin de envelop, om hem een maand later weer te overhandigen. Ze krast de vorige boodschap door en schrijft er iets nieuws bij. De buurvrouw kan daar de humor wel van inzien. We zijn een soort bank voor drie schamele tientjes.

Toen we hier net woonden, was er geluidsoverlast – of ik was paranoïde, dat zou ook goed kunnen. Ik hoorde telkens een dreunende bastoon. Het moest bij de buurvrouw vandaan komen. “Ha buurman!” zei ze toen ze opendeed. Ik vroeg haar of ze muziek draaide. “Nee jongen, ik ben alleen wat computerspelletjes aan het spelen.” “Oh ja? Game jij?” “Ach ja, gewoon wat life simulation games weet je. The Sims enzo.”

Het ijs was gebroken. We praatten over de geluidsoverlast en toen zei de buurvrouw: “Ja, ik hoor jullie ook weleens. En zij van hiernaast ook, met die kinderen. Maar dan denk ik altijd maar: het leeft, weet je. Het lééft.” Daar moet ik nog vaak aan denken.

Soms denk ik dat de wereld naar de klote gaat dankzij de valse belofte van het consumentisme: alles is leuk, iedereen is bijzonder. Die ijdele en hedonistische gedachte is zo wijdverspreid dat zelfs de laagste sociaal-economische klassen hun luxe opeisen. “Leef, alsof het je laatste dag is. Pak alles wat je ka-ha-ha-haaan,” klinkt uit elke geluidsinstallatie van onze achterstandsbuurt. Ja, en als dat niet lukt? Dan maak je schulden, of geef je iemand anders de schuld.

Maar dan kijk ik vanaf ons balkon naar onze dobberende buurvrouw en dan denk ik: voor een paar tientjes tovert ze haar sociale huurwoning om tot een villa in Saint-Tropez. Dat kan alleen in deze tijd, en dat is prachtig. Het leeft, weet je. Het lééft.