Heb je alles?

“Hebben jullie alles?” vroeg de overbezorgde moeder voor we uit haar vakantiehuisje vertrokken. “Opladers, zonnebrillen, babykleertjes?” Jaaahaaa, wilde ik zuchten.

Toen we ons huis naderden, realiseerde ik me dat mijn sleutels nog op het hoektafeltje van het huisje lagen, waar ik ze een paar dagen eerder meteen bij binnenkomst had neergelegd, terwijl ik dacht: “Dit is een handige plek. Hier zal ik ze niet vergeten.”

Onze schoonmaker had de sleutels van mijn vriendin door de bus gegooid. We overlegden dus voor onze deur: terugrijden of bij onze overbuurman Patrick vragen of hij een hengeltje kon maken? Ik gluurde door onze brievenbus.

“Hier is toch niet gebeurd wat ik denk dat er gebeurd is hè?” klonk de rokerige stem van Patrick al. Hij hing kalm uit het raam van zijn benedenwoning. “Wacht effe,” zei hij en ging naar binnen. Drie minuten later overhandigde hij me een bezemsteel waar hij een kistenhaak aan vast getapet had. Het zag eruit als een wapen voor tijdens de zombie-apocalyps.

De geïmproviseerde zeis paste niet door de brievenbus, maar Patrick stak alweer een nieuwe constructie naar buiten: een doucheslang met een haak die hij van een klerenhanger had gesloopt: “Probeer déze es.” Ook hiermee lukte het niet. Maar met de bezemsteel kon ik wel de post opzij duwen zodat ik de sleutels zag liggen: rechts tegen de muur – vanuit onze verticale brievenbus was het onmogelijk om die hoek te maken.

“Wacht, nu heb ik het!” riep Patrick en hij bracht me een afgeknipte stroomdraad waar hij een koelkastmagneet aan had vastgeboden. “Je bent een soort McGyver!” zei ik, maar hij begreep het niet en ging snel weer naar binnen, naar zijn keihard tetterende tv.

De magneet pakte niet. Ik was klaar om het op te geven. Toen stond opeens Patrick naast me, met zijn grote, oude, betatoeëerde lijf. “Déze wordt het,” zei hij en hij stak een rieten stok met een ijzerdraadhaak de brievenbus in, die hij met zijn lange vingers kon besturen. “Hou jij die klep open voor me.” Ik had nog nooit zo dichtbij hem gestaan, maar nu bevonden we ons opeens in de vreemde intimiteit van de fysieke samenwerking. Zijn geur van oude man, bier en nicotine was prettig.

“Hij ligt te plat…” mompelde Patrick, in innige concentratie. In gedachten reed ik al terug naar het huisje, maar ik baalde niet, omdat het zo’n grappige situatie was geweest. “Ik hóór wel iets,” zei ik plagerig.” “Ja, omdat ik ’em héb toch,” antwoordde hij kordaat, terwijl hij voorzichtig de sleutels omhoog takelde. “Wow serieus?” Hij legde ze in mijn handen en zei: “Ik kom niet voor níks naar de overkant hè.”

“Geweldig man,” zei ik en klopte hem op de schouder, maar hij verzamelde vlug al zijn gelegenheidsgereedschap, draaide zich om zonder oogcontact te maken en verdween weer zijn huis in.

Is uw broertje echt groter?

Het lukt me nooit zo goed om met kinderen te praten. Op de dagen dat ik Tinus ophaal van de opvang, staren de andere baby’s altijd met grote ogen naar me. Als ik dan op mijn hurken ga zitten en alleen maar “Hallo Fenne, ben jij het vriendje van Tinus?” zeg, begint langzaam het onderlipje te trillen (Ik: “Oh nee, oh nee, nee joh lieverd”) – tot de ogen zich met tranen vullen en Fenne het op een krijsen zet. “Het ligt niet aan jou hoor,” zegt de leidster die snel het jongetje oppakt.

Maar met oudere kinderen gaat het niet veel beter. Gisteren liep ik bijvoorbeeld langs een paar voetballende jongetjes, toen een lomp, bol ventje een kleinere speler een duw gaf. “Dat zag ik,” zei ik, “gele kaart voor jou.” Ik stak de denkbeeldige kaart in de lucht. Ze keken me aan alsof ik gek was.

De praatjes met de buurtkinderen laat ik dus meestal aan mijn vriendin over, die veel beter is in simpele, oprechte opmerkingen als “Wat ben jij een stoer meisje zeg!”. Ik begrijp niet hoe kinderen denken: de wilde associaties, de onnavolgbare gedachtesprongen, hun kleine wereld. Als ik zeg: “Hoe gaat het op school?” dan is het antwoord: “Ik zag gisteren een naaktslak.” Tja, daar stokt het gesprek. Daar kan ik gewoon niets mee.

Maar sinds kort heb ik eindelijk aansluiting gevonden. Vorige week kwam ik de straat in lopen en zag dat het jongste zoontje van de Ghanees-Nederlandse buurvrouw op de grond zat te huilen. Zijn oudere broer Joshua stond erbij te kijken, samen met een ander buurjongetje.

“Moet je je broertje niet helpen?” vroeg ik. “Hij is gevallen,” zei Joshua schouderophalend. “Weet je,” zei ik, “je moet wel lief zijn voor je broertje hoor. Het is niet makkelijk, maar je moet het echt doen.” De kleinste was stil geworden, ze keken me nu alledrie met grote ogen aan. “Ik was ook niet altijd lief voor mijn broertje,” vervolgde ik, “maar later werd hij groter dan ik, en toen nam hij wraak.”

Ik vertelde over de keer dat mijn broertje me voor het eerst versloeg met stoeien. Hij was een jaar of twaalf en opeens heel sterk geworden. We stoeiden zoals altijd op zijn bed, en tot mijn grote verrassing belandde ik tussen het bed en de muur, waar hij me stevig vasthield. Ik zat volledig vast, maar ik kon het niet accepteren. Een half uur lang probeerde ik me met woede-aanvallen los te rukken, om de tijd terug te draaien, maar hij had me. Mijn vanzelfsprekende dominantie was voorbij.

Sinds ik dat verhaal heb verteld, word ik telkens als ik naar buiten ga omringd door buurjongetjes. Ze vragen: “Is uw broertje echt groter?” “Wie van jullie wint met judo?” “Bent u nu wel lief voor hem?” “Wanneer komt hij langs?”

De antwoorden: hij is reusachtig, hij wint sowieso met judo, ik ben nu héél lief voor hem en hij komt binnenkort langs om jullie stuk voor stuk een kilometer de lucht in te gooien.

Klagerig

Als ik mijn stukjes over het vaderschap van de afgelopen tijd teruglees, dan vind ik mezelf een beetje klagerig. Dat vond u vast ook. ‘Een vakántie met baby? Wat dacht je van vluchten voor oorlog met een baby, meneertje?’ Daar heeft u een punt. Bovendien hoorde ik van meerdere stellen dat ze na het lezen van mijn verhalen niet meer met hun baby op vakantie durven of zelfs überhaupt geen kinderen meer willen, en dat is ook weer niet de bedoeling.

Laatst ging ik op bezoek bij een vriend die onlangs vader is geworden, in de hoop dat we verhalen over de ellende zouden kunnen uitwisselen. Hij reageerde echter broodnuchter: “Mijn leven is eigenlijk helemaal niet zo anders,” zei hij. “Er is iemand bij gekomen, natuurlijk, maar dat is het dan ook.” Toen ik doorvroeg, bleek dat zijn vriendin en hij precies zulke ervaringen hadden gehad als wij – een huilende baby in een vol restaurant, een moeizame vakantie – en toch gebruikte hij bij deze herinneringen geen enkele keer woorden als ‘rampzalig’, ‘kapotgaan’ of ‘de hel’. Hij was kalm en relativerend.

En doodsaai.

De reden waarom ik graag het negatieve van een ervaring benadruk, is dat daar vaak de spanning van een grap of een goed verhaal zit. Een probleemloze vakantie-met-baby is samen te vatten in een zin als: “Ach ja, het was wel leuk hoor.” Daarbij val ik direct in slaap (ik val tegenwoordig sowieso snel in slaap).

Bovendien is het mijn heilige overtuiging dat eerlijkheid over dit soort belangrijke levensfasen ons kan helpen om ze beter te doorstaan, om ons minder alleen te voelen. Niemand vertelt je bijvoorbeeld dat 75% van de ouders met kinderen onder de vier jaar de afgelopen twee maanden geveld is geweest door de griep (bron: CBS). Ah, denk je dan, het is dus heel normaal dat ik me al maanden van infectie naar infectie sleep. Ik kan nu stoppen met googelen op ‘symptomen leukemie’.

Maar juist op die vakantie-met-baby realiseerde ik me dat je die eerlijkheid ook kunt overdrijven. Als je voortdurend tekortkomingen benadrukt, liggen klagerigheid en melodrama op de loer. Dan staat je openheid niet meer in dienst van een tragikomisch verhaal vol zelfspot, maar wordt het al snel het narratief van je depressie. Een self-fulfilling prophecy: “Oi oi, oi, zul je zién dat hij straks het hele vliegtuig bij elkaar krijst!” Wat dat betreft is de instelling van mijn vriend veel beter.

Daarnaast is het ook gewoon heel moeilijk om de schoonheid van het ouderschap te beschrijven, omdat een baby zich niet gedraagt volgens de wetten van het verhaal: hij snapt nog niet eens de volgorde van een simpele blokkentoren, laat staan het schema introductie-middenstuk-slot. De ontroering over je kind zit hem in blikken, geluidjes, kleine momenten. Een intimiteit die ik, toegegeven, ook gênant vind om te beschrijven. Als we met z’n drieën uitbundig dansen op een nummer van Kendrick Lamar bijvoorbeeld, terwijl hij kraait van plezier. Als hij intens tevreden zit te smikkelen van een stukje mozzarella. Of gewoon, als hij volop zit te kletsen in de kinderwagen.

En geloof me: op zulke momenten ben ik juist één met dat intense geluk, dat zich nergens mee laat vergelijken. Misschien wel juist dankzij die diepe dalen. Opeens begrijp ik het leven pas echt. Het leven! Daar kún je toch niet nuchter over zijn?

Vakantie-met-baby

Is een vakantie met een baby eigenlijk wel een vakantie? Die vraag houdt de Westerse filosofie al eeuwenlang bezig. In eerste instantie zou je denken: natuurlijk, een vakantie is een vakantie. Maar als je vervolgens de definitie in de Van Dale opzoekt – “1. toegekende vrije tijd voor werkenden 2. reis naar en verblijf elders voor plezier” – dan slaat de twijfel toe. Want: vrije tijd? Plezier?

Normaliter kun je op vakantie even afstand nemen van je zorgen en verantwoordelijkheden, maar als je een baby hebt, reizen ze gewoon met je mee. Het is alsof je opdringerige baas of je luidruchtige buren meegaan in het vliegtuig. Bij je op schoot. Bovendien ben je op een vakantie-met-baby paradoxaal genoeg veel drukker dan thuis, omdat je opeens niet de beschikking hebt over een kinderdagverblijf of opa’s en oma’s. Er is geen pauze meer. Tel daar de gebruikelijke reis-stress bij op, en je hebt eigenlijk een vakantie nodig om bij te komen van je vakantie.

We waren met andere jonge ouders achterin het vliegtuig geplaatst – vlakbij de motor, om het gehuil te overstemmen. Tijdens de vlucht moesten we in de benauwde ruimte alles inzetten om Tinus stil te houden: speeltjes, speentjes, borsten, de kaart met veiligheidsinstructies. Elke minuut duurde een uur.

Het stel voor ons leek alles veel gemakkelijker af te gaan. Tot ze plots in een fluisterruzie over een poepluier belandden en de vrouw keihard begon te huilen – al snel gevolgd door haar dochter. Ze wiegde zichzelf en haar baby van voren naar achteren als een orthodoxe Jood bij de Klaagmuur; mijn vriendin gebruikte haar vrije hand om haar lotgenoot langs de stoelrand te aaien. Pas toen de deuren van het vliegtuig opengingen, konden we weer ademen.

We zitten in een prachtig vakantiehuis. Gelukkig maar, want veel meer van het land zullen we niet zien. Tinus is maximaal drie uur wakker en zit weer eens middenin een sprongetje-tandje-griep-fase, dus als we eropuit willen, moeten we dat plannen als een militaire operatie (met evenzoveel proviand). Eén fout – een gemiste afslag, een te ambitieuze wandeling, de baby die pas op het laatst in de auto in slaap dommelt – en het hele dutjesschema is in de war. De heenweg is vaak vol optimisme, maar als je een stel met een lege kinderwagen en een woedende baby in hun armen in paniek een natuurgebied uit ziet rennen – dan zijn wij dat.

En die dutjes zijn van levensbelang. Dat zijn de mini-vakanties. Dan kunnen we eindelijk even lezen in de zon, net als vroeger, drie kwartier lang. Maar eerst nog naar de WC. Dan snel iets eten. Onszelf insmeren met zonnebrandcrème natuurlijk – we willen ontspannen, maar we zijn niet roekeloos. En dan, dan eindelijk het boek. Na twee zinnen hoor je het geblèr alweer door de babyfoon. Ja hoor, dat wordt weer drie uur lang de meest ingenieuze torens bouwen, zodat hij ze kan omgooien.

Uit eten? Ha, mallerd, vergeet het maar. Naar het strand? No way José: een baby mag niet in de zon, en het zeewater is te koud. Een stedentrip? Als je écht gek wilt worden, ja.

Het probleem is, zoals wel vaker, dat mijn verwachtingen niet overeenkomen met de realiteit. Ik heb nog altijd niet geaccepteerd dat alles anders is – zelfs mijn uitwegen. Tinus hoort bij ons, hij heeft ons nodig; vakantie in de klassieke zin des woords bestaat voorlopig niet meer. Het doet me denken aan de zusters van de kraamafdeling, die ik een paar uur na de bevalling hoorde roddelen over een andere moeder: “Ze wil niet naar huis. Ze is moe zegt ze,” vertelde de een. “Tja, ze gaat de komende vijf jaar moe zijn,” zuchtte de ander.

In dat ‘tja’ zit alles. Voor een jonge ouder staat het woord ‘tja’ gelijk aan een trip naar een luxe resort op Bali.

Centjes

“Zwaai maar naar papa. Die gaat centjes verdienen!” zegt de opvangleidster met mijn zoontje op haar arm. Ze kijkt me doordringend aan bij die laatste woorden, of beeld ik me dat in? ‘Echt hard werken hè,’ lijkt ze met die blik te zeggen, ‘anders laat je je kind voor niets hier achter.’ Tinus, ziekig en verlatingsangstig, zwaait naar me met zijn onhandige baby-beweginkjes en een beteuterd gezicht.

Thuis klap ik mijn laptop open. Ik werk aan een boek, dus of ik centjes ga verdienen is nog zéér de vraag, maar ik kan het diepe schuldgevoel op z’n minst aanwenden om die dag zoveel mogelijk werk gedaan te krijgen. In plaats daarvan begin ik voetbalnieuws te lezen. En porno te kijken. Ja, ik geef het toe, ik kijk porno terwijl mijn zoon tussen zeven andere baby’s ligt te huilen bij de opvang. Voor dat soort mensen bestaat een speciale sectie in de hel.

Ik had gehoopt dat ik dankzij de komst van de baby efficiënter zou worden. In interviews met mensen die ik bewonder las ik altijd dat het ouderschap hen dwong om de schaarse beschikbare uurtjes optimaal te benutten. Geen tijd meer voor gekloot: gewoon gáán. Uit deze noodzaak is zelfs een heel nieuw literair genre ontstaan: de boeken van schrijvers als Valeria Luiselli, Maggie Nelson en Jenny Offill, en dichter bij huis Arjen van Veelen en Marjolijn van Heemstra, bestaan uit korte, scherpe passages, met een panische concentratie geschreven terwijl de baby even sliep.

Dat lukt mij niet. Vroeger kon ik nog stoer zeggen dat deze inefficiëntie een protest tegen het kapitalisme was, nu heb ik een gezin. Nu moet ik gewoon centjes verdienen, zodat we biologische opvolgmelk van Nieuw-Zeelandse geiten kunnen kopen. Toch heb ik nog altijd opstartproblemen; die zitten blijkbaar zo diep dat zelfs de liefde voor mijn kind ze niet kan bereiken.

“Wat had je dan verwacht?” zegt mijn vriendin. “Dat het van de ene op de andere dag zou veranderen?” Nou ja, eigenlijk wel. Maar een baby is geen wonder. Het is een pijlsnel opgroeiend mensje, met duizenden praktische implicaties die je als jonge ouder wanhopig probeert bij te benen. En ja: er zijn kleine veranderingen zichtbaar. Als mijn vriendin de baby naar bed brengt, betrap ik mezelf erop dat ik opeens de afwas sta te doen. Vroeger had ik erover gemokt, nu is daar geen tijd meer voor. We moeten blijven bikkelen.

Na een paar verspilde uren van mijn schrijfdag kom ik dan eindelijk op gang. En zoals altijd kan ik nu niet meer stoppen: ik vergeet naar de WC te gaan, waardoor ik ongetwijfeld weer eens geobstipeerd zal raken, en verpest mijn ogen nog wat meer omdat ik mijn blik nauwelijks van het scherm afwend. Maar uiteindelijk is het daar: productiviteit. Ik kan tevreden achteroverleunen.

Misschien zal mijn zoon later als tiener mijn boek lezen en roepen: “Moest ik híérvoor nou naar de babydump?” Dan zal ik bedroefd knikken. Vervolgens zal hij nijdig smalen: “En het leverde ook geen geld op hè. Had je niet een gewóne baan kunnen nemen pap? Dat had een hoop gezeur gescheeld.”

Dan zal hij een klap in zijn gezicht krijgen. Mijn medeleven is groot, maar er zijn grenzen.
—————
Dit stukje verscheen ook in De Standaard, waar ik deze maand gastcolumnist ben.

De pont

Ik hou ervan om op de pont te staan. Net zoals bij andere vormen van openbaar vervoer word je gedwongen om met willekeurige vreemden een ruimte te delen, maar op de pont sta je altijd dicht op elkaar, en dobber je in vijf minuten naar de overkant, voordat iedereen weer met veel kabaal uit elkaar stuift. Dat zorgt heel even voor een vreemd soort intimiteit en rust.

De rust werd dit keer verstoord door een baby die steeds harder begon te krijsen. Sinds de geboorte van mijn zoon ben ik hypergevoelig voor het geluid van huilende baby’s. Ze lijken ook allemaal op Tinus. Soms sta ik midden op straat opeens paraat om met een flesje naar boven te rennen.

Ik keek naar de bron van het geluid en zag een baby van een paar weken oud, die net werd opgepakt door haar vader, een man van Mediterrane afkomst, of iets Zuid-Amerikaans, dat zou ook goed kunnen. Misschien Oost-Europa. Hoe dan ook was het een grote man met zwart haar en een ringbaardje, een macho-type, dus ik bleef kijken met een mengeling van vooroordeel en de verwachting van leedvermaak: hoe zou hij het er vanaf brengen? Hij zou vast het geduld niet kunnen opbrengen. Een huilende baby vergt oneindig veel geduld. Zeker op de pont. Ik had het zelf destijds niet gekund.

Maar de man bleef kalm zijn meisje zacht op en neer bewegen, terwijl hij oprecht glimlachte naar de vele starende mensen. “Baby’s hè,” leek hij te zeggen. Hij deed het zo goed. Verdomme. Wie moest ik nu dan gebruiken om mijn eigenwaarde op te krikken?

Gelukkig stond er naast me een witte yup met halflang haar en een baardje, zijn zoontje (een jaar of zeven) achterop de fiets. Hij merkte als enige de baby niet op, omdat hij zijn iPhone-oortjes in had. Die lul luisterde dus gewoon muziek terwijl hij zijn zoon van school haalde. Dat zou ik nóóit doen.

“Huilde ik ook zo pap, toen ik klein was?” vroeg het jongetje, die bezorgd naar de baby keek. “Pap?” “Hm?” zei zijn vader, terwijl hij een oortje uit deed. Hij keek even achterom naar de baby. “Jij was niet zo klein,” zei hij toen. “Nee, huílde ik ook zo?” drong het jongetje aan. “Weet ik niet meer,” zei de vader en sloot zich weer af, waarna hij verveeld door WK-uitslagen begon te scrollen.

Toen waren we alweer aan de overkant en gingen alle huilende baby’s weer uit elkaar, naar hun eigen vertrouwde huis.

Wanhoop

Na de zelfmoord van Anthony Bourdain kocht ik het kookboek dat hij aan zijn dochter opdroeg, in het Nederlands vertaald met de nu nogal ironische titel ‘Beter wordt het niet’. Een Vaderdagscadeau voor mezelf, zullen we maar zeggen.

In de inleiding schijft de rock ‘n roll-kok en straateter: “Net als de meeste mensen die een boek schrijven of op televisie zijn, en denken dat de mensheid geïnteresseerd is in hun verhaal, ben ook ik een vreselijk zelfingenomen monster. Het vaderschap is wat dat betreft een verademing: ik ben nu instinctief gedwongen om voor iemand anders dan mijzelf te zorgen. En ik vind het te gek om vader te zijn! Van het begin tot het eind.”

Als ik berichten lees over bekende mensen die worstelden met suïcidale gedachten, kan ik me behoorlijk ver inleven. Sterker nog, ik denk dat leven voor iedereen een keuze is, elke dag weer. Sommigen zijn daar beter in dan anderen, maar wie denkt er niet om de zoveel tijd: ‘Argh, ik heb zin om een héél lang dutje te doen’?

Zodra ik echter lees dat zo iemand kinderen had, zoals Bourdain zijn elfjarige dochter achterliet, dan stokt mijn medeleven, en komt toch die gedachte op: hoe kun je zo egocentrisch zijn?

Maar dan herinner ik mezelf eraan om het andersom te bekijken: hoe wanhópig moet je wel niet zijn om niet alleen afscheid te nemen van je eigen leven, maar ook van dat van je kind? Die wanhoop sluimert altijd en overal.

En toch: ook opoffering is voor sommigen moeilijker dan anderen. Mannen zijn er, binnen onze huidige sociaal-culturele omstandigheden, minder goed in. Onze wereld is vol zelfingenomen monsters. Maar Anthony Bourdain probeerde in elk geval om zijn empathisch vermogen (en dat van ons) uit te breiden; al zijn boeken en programma’s zijn pogingen daartoe. Vlak voor zijn dood schaarde hij zich nog openlijk achter de #metoo-beweging.

Donald Trump heeft vijf kinderen. Hun geboortes zullen hem niet tot opoffering hebben gedwongen; hij kon het zich veroorloven om alleen aan zichzelf te blijven denken.

Vluchtelingen denken vaak juist aan niets anders dan hun kinderen. “It’s all about Aisha,” zegt de Syrische vader die hier om de hoek woont nog steeds over zijn enige dochter.

De Hondurese vluchteling Marco Antonio Muñoz pleegde in mei zelfmoord in zijn cel nadat hij bij de Texaanse grens van zijn vrouw en zijn driejarige zoon was gescheiden, die waarschijnlijk met andere kinderen in een kooi belandde.

Dat moet de diepst mogelijke wanhoop zijn. Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Maar het moet. Empathie is het enige wat ons kan redden.

Wat een leventje

“Wat een leventje heeft zo’n baby hè,” zei mijn zus laatst terwijl ze Tinus appelmoes aan het voeren was, “alles wat je wil, wordt je aangereikt.” Op dat moment begon mijn zoon te huilen. Hij gebaarde een paar minuten wanhopig met z’n mollige armpjes, tot mijn zus eindelijk het flesje met water in zijn mond stak en hij gretig begon te drinken.

Het lijkt me juist vreselijk om een baby te zijn. Ik zou ook de hele dag huilen als ik volledig afhankelijk was van anderen, zonder dat ik met ze kon praten. “Nee sukkels, ik wil geen rijstwafel, ik heb in mijn broek geplast! Mijn broek! Nat! Vies! Hier! Help!” En dan heb ik het nog niet eens over subtielere problemen als een iets te strakke luier, spierpijn of een zaadje tussen je twee tandjes. “Rot op met die speen, krab gewoon even op mijn rug, linksboven please, linksboven!” Dat is wat baby’s proberen te zeggen als ze huilen. Denk daar maar eens aan als je je zit te ergeren tijdens je vliegreis.

Mentaal gezien moeten de eerste levensjaren bovendien voelen als één lange drugstrip. Om de paar weken wordt een baby wakker in een compleet nieuwe wereld. Baby-ontwikkelingsboeken klinken als de hallucinatie-beschrijvingen van Aldous Huxley: “Je baby begreep eerder hoe de relaties tussen voorwerpen en handelingen werken, nu kan hij ze op afstand van zichzelf plaatsen en in categorieën indelen: hij merkt dat hij net zo’n wezen is als mama, dat hij dezelfde bewegingen kan maken als zij.” Wow dude. Wow.

Daarnaast hebben baby’s nog nauwelijks een afweersysteem, waardoor ze zo’n tien keer per jaar een paar weken zwaar verkouden zijn – maar ze kunnen óók nog niet goed door hun mond ademen, zodat ze tijdens zo’n periode constant high zijn van het zuurstoftekort en ‘s nachts steeds weer half stikkend wakker worden. Bij zulke onmogelijke combinaties weet je zeker dat Moeder Natuur een sadist is.

Als je alles bij elkaar optelt, mogen we van geluk spreken dat we ons niets van deze helse periode kunnen herinneren.

Misschien vind je me te negatief, maar het helpt me juist om meer liefde voor Tinus te voelen. Om te waarderen hoe vrolijk hij meestal is. Als je ervan uitgaat dat een baby het makkelijk heeft, vind je hem al snel moeilijk. “Nou nou, chagrijntje,” zei ik vanochtend bijvoorbeeld toen hij huilerig was – een van zijn twintig (!) tandjes is de laatste dagen langzaam zijn tandvlees aan het doorboren. Hij keek me aan met een blik van: chagrijntje? Really?

Opeens herinnerde ik me hoe ik zelf als kind tijdens een vakantie voortdurend op mijn kop kreeg omdat ik chagrijnig was. Tot mijn ouders me na een week toch naar een huisarts brachten en ik bronchitis bleek te hebben. Blijkbaar durfde ik niet te zeggen dat mijn longen pijn deden. Ik kreeg sowieso nooit koorts.

Mijn zoon mag dus een onredelijke klootzak zijn. We zien later wel weer wat voor trauma’s dat heeft opgeleverd.

Zwembad

Onze onderbuurvrouw heeft een zwembad. Een uitklapzwembad van twee bij drie, met een luchtbed waar ze op dobbert in haar bikini. Daarnet mompelde ze gelukzalig tegen haar hondje: “Wat een leven, Lucy, wat een leven.”

Dezelfde buurvrouw leent een keer in de maand dertig euro van ons. Of eigenlijk leent ze het van mijn vriendin, want als ik opendoe zegt ze snel: “Hé schat, alles goed, is je vrouw thuis?” Eerst leende ze het sporadisch, maar al snel kwam er een regelmaat in. Ik maakte me zorgen over afhankelijkheid, maar mijn vriendin zei dat het wel mee zou vallen, en natuurlijk kreeg ze gelijk.

Het grappige is: we geven haar telkens dezelfde dertig euro. Als ze de terugbetaling door de brievenbus gooit (‘Bedankt weer meis!’) bewaart mijn vriendin de envelop, om hem een maand later weer te overhandigen. Ze krast de vorige boodschap door en schrijft er iets nieuws bij. De buurvrouw kan daar de humor wel van inzien. We zijn een soort bank voor drie schamele tientjes.

Toen we hier net woonden, was er geluidsoverlast – of ik was paranoïde, dat zou ook goed kunnen. Ik hoorde telkens een dreunende bastoon. Het moest bij de buurvrouw vandaan komen. “Ha buurman!” zei ze toen ze opendeed. Ik vroeg haar of ze muziek draaide. “Nee jongen, ik ben alleen wat computerspelletjes aan het spelen.” “Oh ja? Game jij?” “Ach ja, gewoon wat life simulation games weet je. The Sims enzo.”

Het ijs was gebroken. We praatten over de geluidsoverlast en toen zei de buurvrouw: “Ja, ik hoor jullie ook weleens. En zij van hiernaast ook, met die kinderen. Maar dan denk ik altijd maar: het leeft, weet je. Het lééft.” Daar moet ik nog vaak aan denken.

Soms denk ik dat de wereld naar de klote gaat dankzij de valse belofte van het consumentisme: alles is leuk, iedereen is bijzonder. Die ijdele en hedonistische gedachte is zo wijdverspreid dat zelfs de laagste sociaal-economische klassen hun luxe opeisen. “Leef, alsof het je laatste dag is. Pak alles wat je ka-ha-ha-haaan,” klinkt uit elke geluidsinstallatie van onze achterstandsbuurt. Ja, en als dat niet lukt? Dan maak je schulden, of geef je iemand anders de schuld.

Maar dan kijk ik vanaf ons balkon naar onze dobberende buurvrouw en dan denk ik: voor een paar tientjes tovert ze haar sociale huurwoning om tot een villa in Saint-Tropez. Dat kan alleen in deze tijd, en dat is prachtig. Het leeft, weet je. Het lééft.