Rancune

Ik heb Thierry Baudet nooit ontmoet, maar het scheelde niet veel. We bewogen ons jarenlang binnen dezelfde kringen: op de UvA en in de andere intellectuele en artistieke kringetjes van Amsterdam. Hij stond bekend als een ijdele dandy die wanhopig op zoek was naar erkenning, maar nergens echt serieus werd genomen.

Later leerde ik dat we nog meer gemeen hebben behalve een opleiding aan de UvA. In een inmiddels berucht opiniestuk voor The Post Online verdedigde hij ‘versiercoach’ Julien Blanc, nadat deze had verkondigd dat je vrouwen bij de keel moest grijpen. “De realiteit is dat vrouwen overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden,” bralde Baudet in de conclusie (het kan niet vaak genoeg geciteerd worden).

Het uitgangspunt van zijn stuk vond ik echter verrassend herkenbaar: lieve, romantische jongens die afgewezen worden door vrouwen die toch een stoere man willen. Baudets tragiek kwam samen in de zin: “Het briefje waarop ‘ik hou van je’ staat zal voor hun ogen worden verscheurd, terwijl het meisje lachend achterop de scooter van een ruwe kerel stapt.”

Ik herkende die pijn, maar ik vond vrouwenhaat nou niet bepaald de beste oplossing. In een reactie in NRC raadde ik Baudet en zijn medestanders aan om in de spiegel te kijken (wat ze vast al genoeg doen): als afwijzing je zo boos maakt, denk je misschien vooral dat je récht hebt op seks en liefde, en ben je dus helemaal niet zo lief. Misschien ben je het gewoon gewend om aanbeden te worden.

In het Engels hebben ze daar een goede term voor: a sense of entitlement.

Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om de strijd aan te gaan met dat egocentrisme in jezelf, met je ‘romantische’ verwachtingen van het leven. Het is veel makkelijker om anderen de schuld te blijven geven en jezelf op de borst te blijven kloppen.

In een wederom verrassend herkenbaar interview met Volkskrant Magazine vertelde Baudet dat hij ook jarenlang in therapie is geweest en daardoor nu durfde om kwetsbaar te zijn. Maar hij kon zich nog steeds niet overgeven aan een ander: “Het is mij niet gelukt om iemand fascinerend te blijven vinden.” Hij bleef anderen de schuld geven, sterker nog, hij had er nu een politieke partij op gebaseerd.

Veel mensen waren verrast door Baudets politieke succes. In de Tweede Kamer wordt hij ook vaak uitgelachen om zijn potsierlijke maniertjes. Maar men vergeet daarbij dat zijn aanhangers zich herkennen in zijn eeuwige gevoel van miskenning, zoals dat ook gebeurde bij collega-narcisten als Trump, Orban en Farage. De nieuwrechtse retoriek is volledig gestoeld op die rancune: keihard uitdelen en tegelijk het slachtoffer spelen.

Onder hun kiezers lijkt die rancune deels voort te komen uit het verlies van hun (witte, mannelijke) privileges. Oftewel: entitlement. Maar die gevoelens van miskenning hebben ook begrijpelijkere oorzaken, zoals inkomensongelijkheid, de macht van grote bedrijven, globalisatie, en het falen van de politiek en de media. Het maakt zijn aanhangers niet zoveel uit of Thierry nu weer kletst over een boreale wereld of klaagt over de moderne architectuur, zolang ze zich maar kunnen herkennen in die opgetrokken wenkbrauwtjes van hem: moeten jullie mij weer hebben? Really?

Dat is het probleem met Baudet en zijn verwanten: hun constateringen zijn behoorlijk vaak raak, al is het alleen maar op basis van een emotionele waarheid. Ook in Baudets Houellebecq-essay vond ik zijn kritiek op de individualisering herkenbaar. Maar de oplossing komt telkens weer neer op de makkelijke weg van de rancune: weg met de ander, lang leve ons (en vooral onze leider). Dat is levensgevaarlijk.

Het is niet genoeg om daar met gratuite verontwaardiging op te reageren, zoals Bas Heijne al eerder betoogde. Er moeten politici opstaan die met rechtvaardige plannen het vertrouwen kunnen terugwinnen, en die met hetzelfde vuur empathie in plaats van rancune kunnen betogen. En wij moeten vaker durven om onszelf én elkaar een spiegel voor te houden.

Verliefd

Ik ben de laatste tijd opvallend vrolijk. Er is al een tijdje geen sprake meer van de vaste pieken en dalen: ik sta elke dag op met een goed gevoel. Hoe zou dat toch komen, dacht ik vanochtend. Door mijn knappe zoontje, mijn lieve vriendin, de lente? Ben ik eindelijk volwassen geworden?

Toen besefte ik opeens: Ajax. Het komt doordat het zo goed gaat met Ajax.

Ik schrijf niet vaak over voetbal, hoewel ik er zeker 65 procent van de tijd aan denk. Misschien omdat het gênant is – er zit niet echt een verheffend verhaal in het feit dat ik regelmatig als een junkie op de wc door Voetbalzone zit te scrollen. Maar nu Ajax in de halve finale van de Champions League staat, wat onmogelijk is, schommelt dat percentage rond de 100 procent: ik lees echt ál het nieuws, kijk álle filmpjes.

Die obsessie begon 25 jaar geleden, toen ik als jongetje verliefd werd op het Ajax van Litmanen, Rijkaard, Blind en Kluivert. Stuk voor stuk unieke personages, onder leiding van die maniak Louis van Gaal. Het seizoen 1994/1995 was een sprookje: ongeslagen kampioen en winnaar van de Champions League.

Ik hield plakboeken bij, waarvoor ik zorgvuldig elk Ajax-plaatje uit kranten en tijdschriften knipte. Vlakbij onze basisschool woonde Fred Grim, de reservekeeper, bij wie we soms een handtekening gingen halen. Het schijnt dat Frank de Boer een keer open deed, maar daar was ik niet bij. Als ik wakker was geworden uit een nachtmerrie, zette mijn vader een foto van de Ajax-selectie naast mijn bed, om over me te waken.

Dat is het misschien: Ajax stelt me gerust. Omdat het iets is waar ik geen controle over heb, maar dat er toch altijd is, en dat altijd naar een romantisch soort voetbal zal streven. Voetbal is sowieso de meest onvoorspelbare sport die er is: ook tijdens mindere tijden kun je je hoop erop vestigen. En de illusie koesteren dat je er invloed op hebt.

En nu betaalt al die hoop zich eindelijk weer uit. Er staat weer een elftal met spelers om van te houden: Tadic, Frenkie, De Ligt, een nieuwe Blind (wat dat betreft is het jammer dat de zoon van Kluivert is vertrokken). En dan vergeet ik Neres, Ziyech, Mazraoui, Nico en Onana nog. En Donny natuurlijk. De helden van toen vormen nu het bestuur. Het seizoen staat bol van de symbolische verwijzingen naar Cruijff, naar Nouri.

Ja, verdomme, het is waar: ik ben verliefd. En net als bij een echte verliefdheid gaat het ten koste van mijn gezondheid: ik slaap slecht, drink teveel, mijn hand doet pijn van al het scrollen en ik ben helemaal verkrampt van de spanning. Een vriend zei na de eerste wedstrijd tegen de Spurs: “Ik keek in mijn agenda en dacht bij elke verplichting van de komende week: dat gaat dus niet lukken.” Ja. Zo is het.

Ik denk alleen nog maar aan het verhaal van Ajax. Aan elke speler, elke kans, elk detail. Want nogmaals: dit kán helemaal niet, wat er nu gebeurt. Ik begrijp er helemaal niets van. En dat maakt het zo fantastisch.

NEE PAPA

Als ik de kamer van mijn zoon binnenkom, begint hij nóg harder te huilen. Het is twee uur ‘s nachts, hij staat in zijn pyjama in zijn bed, met zijn handjes op de houten reling. Ik zie de teleurstelling op zijn gezicht. “NEEEE! MAMAAA! MAMAAA!” schreeuwt hij.

Ik probeer hem geruststellend te aaien, maar hij duwt boos mijn hand weg. Zijn speen smijt hij de kamer in. Ik til hem op en probeer hem te knuffelen, maar hij blijft me wegduwen. Het is vreselijk moeilijk om kalm te blijven tijdens deze worsteling, maar het lukt. Hij wijst naar mij: “Nee die!” Vervolgens wijst hij naar de deur: “Dié! Diiiiieeeee! Mamaaaaaaaaaa!” “Nee lieverdje, mama moet slapen.” Die informatie maakt hem uiteraard razend.

Uiteindelijk staat mijn vriendin toch versuft in de deuropening, en is het een opluchting om hem over te kunnen dragen. Tinus klampt zich meteen aan haar vast, draait zich dan nog even om en roept met woeste wegwerpgebaren: “NEE PAPA! NEE!” De boodschap is duidelijk: opkankeren jij. Ik druip af, om in bed te gaan liggen luisteren naar hoe mijn vriendin het weer eens oplost.

Natuurlijk is het niet persoonlijk bedoeld. Dat is een van de belangrijkste lessen van het ouderschap, en überhaupt van het ouder worden: jij en al je broze kleine gevoelens doen er niet toe. Kinderen maken onverklaarbare fases door; jij bent de enige die daar een melodramatische betekenis aan kan geven. Tinus kán mij nog geen lul vinden.

Aan de andere kant: kinderen zijn een en al intuïtie. Ze voelen perfect aan wie ze kunnen vertrouwen. Zou hij dan misschien voélen dat ik een lul ben?

Mijn eigen moeder zei vroeger geregeld dat ze voor mijn broertje en mij een brandend gebouw in zou rennen. Een beetje te vaak misschien. “En voor papa?” vroegen wij dan gretig. “Daarna pas voor papa,” zei ze terwijl ze kalm in haar thee roerde. Mijn vader hield zich tijdens dit soort gesprekken wijselijk afzijdig.

Ik heb daar tijdens de eerste weken van het vaderschap vaak aan gedacht: natuurlijk, ik hield meteen zielsveel van Tinus, maar zou ik mijn leven voor hem geven? Zonder aarzelen?

Het duurde niet lang, die twijfel: inmiddels ben ik bereid om alles voor hem op te geven. Voor hem zou ik zelfs lid van de VVD worden. Toch heb ik al vanaf het begin het gevoel dat ik achterloop op mijn vriendin, die sowieso veel eerder verantwoordelijkheden oppakt dan ik. Ik ben ongeduldiger en egocentrischer: ik maak geen kans. Als ik een verwarde peuter was, zou ik ook eerder om haar roepen.

Telkens weer voel ik de verleiding om ook boos te worden. Om me terug te trekken en het op te geven: zo zijn de verhoudingen nu eenmaal. Maar dan besef ik weer dat mijn zoon in al zijn frustraties zo ontzettend op mij lijkt – terwijl ik 33 ben, en hij anderhalf. Wiens taak is het dan om geduld te tonen? Van wie moet hij dat anders leren?

Daarom mag hij me zo vaak wegduwen als hij wil. Ik zal altijd terugkomen.

Pastrami

Het café waar ik heen wilde, blijkt gesloten te zijn. Als ik voorstel om wat verder te lopen, zegt mijn vader: “Of misschien zit er nog iets op de terugweg?” Hij zal niet snel toegeven dat hij moe is of ergens last van heeft – als ik vraag hoe het gaat, antwoordt hij altijd kalmpjes: “Goed hoor” – maar ik begrijp de boodschap. Over een paar dagen wordt hij 72.

We nemen plaats in een iets te chique restaurant. De verwarming staat aan, hoewel het een zonnige dag is. Mijn vader voelt eraan met een kritisch gezicht en zegt: “Het is hartstikke warm hier.” We verhuizen naar een plek in het midden van de zaal.

Als een prachtige zwarte vrouw onze menu’s komt brengen, zegt mijn vader: “We zijn hier gaan zitten, want het was hartstikke warm daar.” Ze knikt begripvol. “We zullen ernaar kijken meneer.” Ik glimlach zo breed mogelijk.

Op de kaart is elk gerecht maar met één woord aangeduid. “Pardon, betekent ‘Pastrami’ gewoon ‘Een broodje pastrami’?” vraagt mijn vader aan de serveerster, zonder haar aan te kijken, zijn leesbril op het puntje van zijn neus. “Ja,” zegt ze en ze licht alles geduldig toe, terwijl ik overdreven vriendelijk meeknik. “Ik vind het maar onduidelijk hoor,” bromt mijn vader. “Dank u wel,” zeg ik.

Ik vraag me af waarom mijn vader zo onaardig doet; normaal geniet hij er juist van om een praatje met serveerders te maken, tot het bijna weer gênant wordt (“En wat heb jíj gestemd bij de verkiezingen, Gaston?”). Zou hij een racist zijn? Is dat het?

Maar dan snap ik het: hij moet simpelweg zijn aandacht steeds zorgvuldiger verdelen. Daarom had hij me ook van tevoren gebeld om te vragen naar wat voor café we precies zouden gaan: “Gewoon een lunchtent met broodjes?” Hij moet zich nu heroriënteren, de controle weer vinden, en kan de serveerster er even niet bij hebben.

Tegelijkertijd besef ik dat de moeite die ik nu doe om zijn nukkigheid te compenseren, een manier is om hem te verzorgen – iets wat hij nóóit zou toelaten. Ik heb nog genoeg energie om het menu te bestuderen en tegelijk beleefd te zijn, dus kan ik dat voor ons allebei doen. Ik ben mijn vader dus gewoon aan het hélpen, wie had dat ooit gedacht. Nu maar hopen dat hij het niet doorkrijgt.

Die ochtend luisterde ik toevallig nog een podcast-interview met comedian Ray Romano, waarin hij zei: “If my father had hugged me once, I would’ve become an accountant.”

Zo eenduidig is het niet met ons. Mijn vader heeft zijn beperkingen, we steken graag de draak met elkaar, maar tijdens de broodjes pastrami hebben we opeens een open gesprek, waarin hij zich scherp en zelfkritisch toont, alsof hij zich hiervoor heeft gespaard. Buiten omhelzen we elkaar kort en stevig.

Ik zal nooit een emotioneel stabiele accountant worden, maar mijn vader zegt de laatste jaren steeds vaker dat hij trots op me is. Per e-mail, maar toch.

Misschien wordt het tijd om een keer te zeggen dat ik ook trots op hem ben.

Ik help wel

Herinnert u zich dat stukje over mijn onderbuurvrouw die steeds dezelfde dertig euro van ons komt lenen? Ze heeft inmiddels een vlot kortgeknipt kapsel en we hebben de drie tientjes al een tijdje niet meer teruggezien. Nu had ze weer twintig nodig, voor de belasting. “In april krijgen jullie alles terug hoor, ik hou het allemaal bij,” zwoer ze vanuit onze deuropening.

Wij waren net op weg naar buiten en zo stonden we dus met z’n allen in ons krappe halletje: Wilma, mijn vriendin, Tinus, Wilma’s hondje Lucy en ik. Tinus keek bezorgd naar het hondje en ik stond ook nog een beetje onzeker op mijn benen, na twee dagen buikgriep.

Toch kon ik het niet laten en vroeg: “Heb je nog gestemd, Wil?” “Neh,” zei ze, “dat doe ik niet meer. Maar ik vind wel dat dat ‘Forum voor Democratie’ – erg lange naam trouwens – goeie ideeën heeft hoor.” Ik had er natuurlijk op gerekend, maar bij het horen van die partijnaam wendde ik me vlug af en deed alsof ik bezig was met Tinus’ jas, waardoor ik mijn vriendin met het probleem opzadelde.

“Ja, maar ze zeggen ook rare dingen hoor,” deed mijn vriendin een dappere poging. “Zoals hoe ze de wetenschap achter klimaatverandering ontkennen.” “Jaaaa daar zijn ze allemaal toch veel te laat mee, ik heb het steeds gezegd,” reageerde Wilma met een vaag handgebaar. Ik wilde zeggen: “Echt nooit op FvD stemmen Wilma. Thierry Baudet heeft racistische en vrouwonvriendelijke overtuigingen en geeft om niemand behalve zichzelf.” Maar het moment was alweer voorbij. “Nou, ik ga weer naar binnen.” “Ja, wij gaan boodschappen doen.” “Daaaag.” “Daaaag.”

We liepen met z’n drieën traag door ons straatje, terwijl het zacht regende en een agressieve wind ons zo nu en dan bijna omver blies. Ik keek naar al het zwerfafval in de voortuintjes. “Als je erop gaat letten, is het echt heel erg hè,” zei ik tegen mijn vriendin, die niets terug zei. “Auto,” zei Tinus tegen elke auto.

Bij de snackbar raapte ik een groot stuk plastic op. We wonen vlakbij het water en soms zie ik gewoon hoe al die troep er naartoe waait, om over twintig jaar in de vorm van microplastics in Tinus’ lichaam terecht te komen natuurlijk. Loopt hij straks rond met een minuscuul stukje van de Dirk-tas van Wilma in zijn bloed. Ik voelde mijn misselijkheid langzaam terugkeren.

We staken het zebrapad over, waar de auto’s van de ene richting keurig stopten, maar vanuit de andere richting scheurde een taxi vlak voor ons langs. “KLOOTZAK!” schreeuwde ik en stak woest mijn middelvinger op. Ik zag nog net hoe de bestuurder verschrikt opkeek van zijn telefoon. Aan de overkant smeet ik het plastic in de container.

In de supermarkt waren we van alle kanten omringd door de leugens van het consumentisme. Ik kwam nauwelijks vooruit. “Ga jij maar alvast naar huis,” zei mijn vriendin. “Ik help wel,” bromde ik. Ze draaide zich opeens om en griste het mandje uit mijn handen. “Nee,” zei ze, “wat jij doet, helpt helemaal niets.”

Boks

Ik moest wiet halen voor een vriend van me. Dat klinkt alsof dit verhaal zich afspeelt toen ik nog op de middelbare school zat, maar het was een dertigersboodschap: hij zocht wiet met weinig THC en extra veel CBD – die hippe heilzame stof die je ook in flesjes bij Holland & Barrett kunt kopen. De wiet was alleen in Amsterdam verkrijgbaar, en die vriend woont in Eindhoven (ja ik heb ook vrienden buiten de Randstad, en ook daar wonen blijkbaar neuroten).

De coffeeshop bevond zich op een industrieterrein. Naast een slagboom zat een beveiliger, die vriendelijk knikte naar de man voor me en mij in mijn auto grondig scande, voor hij terecht concludeerde dat ik geen enkele dreiging vormde.

Ik stapte uit, gekleed in de lange herenjas die me nog meer op een vader doet lijken, ‘gedistingeerd’ zoals een vriend het laatst spottend noemde. Op de deur de huisregels: 18+, geen gezichtsbedekkende kleding, etc. Maar ook: geen seksisme of racisme. Een progressieve coffeeshop, met biologische wiet.

Vanbinnen leek het een soort hippe apotheek: de medewerkers in witte jassen, de inrichting klinisch en toch cool. Ik was aan de beurt bij een zwarte jongen met korte dreads en vroeg naar de CBD-wiet. “Hoeveel gram wil je man?” zei hij.

Op de middelbare school blowde ik veel. De eerste keer dat ik spijbelde was ook meteen de eerste keer dat ik een coffeeshop in ging, en op de terugweg zag ik voor het eerst prostituees achter de ramen staan. Dat was me het dagje wel.

De hiërarchie was duidelijk: bouwer-buyer-bietser. Eerst mocht degene die de joint draaide een trekje nemen, daarna degene die het gekocht had, en daarna pas het gepeupel. Ik hoorde bij die wanhopige sukkels die vochten om het stompje, terwijl de bouwer en de buyer al kalm terug naar school wandelden.

Ik weet dus niets van grammen. Maar in die huisregels stond ook: “Niet meer dan vijf gram per persoon per dag”, dus ik zei: “Drie ofzo?” Hij deed een enorme hoeveelheid in het weegschaaltje. “Dit is een gram.” “Dat is wel genoeg,” zei ik snel, de geremde dertiger.

Door de medische uitstraling besloot ik nog wat vragen te stellen. “Mijn vriendin wordt altijd suf van blowen, hebben jullie daar iets tegen?” De jongen pakte een bakje en zei: “Als ze hiér suf van wordt, vind ik het knap.” Na nog meer veel te technische vragen (“Zou je een vaporizer aanraden?”) rekende ik af.

“Oké man,” zei de jongen, en hij stak zijn vuist naar voren. Ik keek er even in paniek naar. Toen stootte ik mijn vuist tegen de zijne, zoals ik duizenden keren heb gedaan als tiener. Maar terwijl hij hem vervolgens gewoon op zijn borst klopte, als een normaal persoon, stak ik mijn vuist kort en onzeker de lucht in. De jongen trok een wenkbrauw op.

In de auto lachte ik mezelf keihard uit. Want dat is wel een voordeel van dertiger zijn: dat je een auto hebt om jezelf keihard in uit te lachen.

Klootzakje

Telkens als ik Tinus zijn wantje wil aandoen, spreidt hij zijn vingers zo wijd mogelijk, terwijl hij me met een ondeugende glimlach aankijkt. “Wat ben je toch een klootzakje,” zeg ik lachend, “een klein klein klootzakje.” Als het eindelijk lukt zegt hij: “Zó.” “Ja,” zeg ik, “Zó.” Ik sta op en bekijk het klootzakje, hoe hij volledig ingepakt in de wandelwagen zit, met die grote blauwe ogen van ’em.

“Kijk, papa doet ook een muts op.” Dat maakt hem aan het lachen. Ik begin te beatboxen en te rappen in ons smalle halletje: “Tinus heeft een muts op, papa heeft een muts op. Dikke dikke beat – dikke dikke baaaaaby.” Mijn zoon kijkt me aan met een mix van verwondering en plezier.

“Papa, buit’. Eèèsss,” lispelt hij uiteindelijk. Ja, we gaan naar buiten. Naar het ijs. Vroeger probeerde ik de hele winter binnen te blijven, maar dat kan nu niet meer.

We zijn de enigen in het witte park. “Maan,” zegt Tinus. En naar de eendjes: “Kak-kak-kak!” En dan een heel lang verhaal, vol overtuiging verteld, waar ik helemaal niets van begrijp. “Ja,” zeg ik, “zo kun je het ook zien.”

Overal in het park zitten van die zwarte vogels. Raven of kraaien ofzo. Kauwen? Het maakt ook niet uit. Ik kan Tinus toch nog alles wijsmaken. Ik zou tegen hem kunnen zeggen: “Kijk, dat zijn pinguïns.” En dan zou hij wijzen en zeggen: “Kwins.”

De vogels vliegen niet weg als we dichterbij komen – waarschijnlijk om energie te besparen. Er zit er eentje op de leuning van een bankje die ons tot een meter laat komen. Hij is dik en prachtig, zijn gitzwarte veren vormen het perfecte contrast met de hemels witte omgeving.

Toen ik depressief was en nog alleen woonde, tijdens een andere winter, zaten deze vogels de hele dag in de boom voor mijn raam. “Ka! Ka! Ka!” riepen ze. Al sinds Jurassic Park ben ik bang voor vogels.

Nu is het alsof we vrede sluiten. Hij beweegt zijn kop schichtig heen en weer, en ik kijk nog steeds wantrouwig naar zijn scherpe zwarte snavel, maar de kalmte van Tinus – half mens half dier – vormt een soort brug tussen ons. Natuurlijk is een zwarte vogel geen onheilsteken. Het is gewoon een zwarte vogel.

Ik besluit een stukje van Tinus’ ontbijtkoek naar hem te gooien. De vogel hipt er door de sneeuw naartoe.

Dan verschijnen er meer. Ze duiken niet massaal op de buit af, zoals eenden en meeuwen, maar stellen zich aan de randen op: eentje in de boom daar, eentje op de lantaarnpaal, eentje in een andere boom. Ik moet denken aan de tactiek van de velociraptors in Jurassic Park: eentje leidt je af, terwijl de rest je omsingelt.

Ik scheur gehaast de ontbijtkoek in stukken en gooi er in elke hoek één, als een soort offer, en loop dan vlug het park uit. “Ka! Ka! Ka!” roept Tinus. “Èèèèssss.”

Een okapi in een hoogwerker

Tinus is gek op boeken. Mijn vriendin en ik zijn al voor zijn geboorte begonnen om deze hobby aan hem op te dringen, door een enorme boekenkast in de babykamer te bouwen. Aan het einde van zijn uitgebreide slaapritueeltje – dat steeds meer op een serie dwangneuroses van zijn papa begint te lijken – zeg ik altijd drie schrijvers uit die kast gedag (waarvan er minstens eentje een vrouw moet zijn): “Dag Etgar Keret, welterusten Lieke Marsman, slaap lekker Friedrich Nietzsche.”

Overdag trekt hij graag boeken uit de kast. Vooral La Superba van Ilja Leonard Pfeiffer, vanwege de enorme auteursfoto op de achterkant: “Heeeeeeey!” roept hij als de man met de weelderige haardos tevoorschijn komt, alsof hij een oude vriend begroet. Laatst riep hij vol overtuiging “Papa!” naar de auteursfoto van Rob Wijnberg. Dat vond ik minder leuk.

Hij wil voortdurend boekjes lezen; met name Kleine Blauwe Truck wordt vaak naar mijn schoot gesleept. Zo ontzettend vaak. Oh man, ik heb me zelden zo verveeld als bij het voor de duizendste keer voorlezen van Kleine Blauwe Truck. Om mezelf wakker te houden verzin ik er soms dingen bij: “Daar gaat die kleine blauwe truck weer… met zijn enorme CO2-uitstoot. Hij mag de stad niet meer in vanwege de nieuwe milieuzones, dus rijdt hij maar rondjes langs alle dieren op het platteland… die sadistische kleine blauwe truck.”

Want ál die kinderboekjes gaan over dieren en auto’s, en eigenlijk slaat dat nergens op. In een van Tinus’ boekjes staat bijvoorbeeld een plaatje van een kip die vrolijk een vrachtwagen vol eieren bestuurt. Een kip die de producten van de legbatterij zélf fluitend naar de mensen komt brengen? Wat is dit voor zieke fantasie?

Momenteel is Tinus in de ban van Feest Van De Machines, met op elke pagina een andere absurde combinatie: een koala op een grasmaaier, een gorilla op een trekker, een okapi in een hoogwerker. Dit boekje is echt de ultieme middelvinger naar de natuur: eeuwenlang hebben dieren terrein moeten prijsgeven aan de menselijke industrie, we hebben hun lichamen zélf massaal geïndustrialiseerd, en nu tonen we onze kinderen plaatjes waarop ze gewoon méédoen met al dat gezellige broem-broem-broem. Dan weet je zeker dat je gewonnen hebt.

Het einde van Feest Van De Machines bezorgt me altijd de rillingen. Eerst komen de dieren samen voor een macaber feest – de steenbok is de DJ, hij staat in een satanische danshouding achter de draaitafels. Als de dieren gaan ‘slapen’, springen plotseling alle koplampen aan en begint het bal waar de titel van dit zieke, zieke boekje op gebaseerd is. De machines dansen uitbundig en tegelijk beheerst: zij zijn eigenlijk de baas. Tinus klapt enthousiast in zijn handjes.

Na het lezen van dat boekje, en de rest van ons veel te uitgebreide slaapritueel, valt mijn zoon in een diepe, tevreden slaap. Maar zelf moet ik dan nog heel wat pagina’s Nietzsche lezen, voor ik de slaap kan vatten.

Hé jongens!

Kerst brengt vele spanningen met zich mee, waardoor het zowel het slechtste als het beste in de mens naar boven haalt. De laatste jaren vier ik het met ‘een soort familie’: vrienden van mijn ouders die ik al mijn hele leven ken, hun kinderen die mijn vrienden geworden zijn, en de kleinkinderen.

Het is een mondige, levendige groep. Aan tafel moet je vechten om aan het woord te komen, en ik vind niets heerlijker dan dat. Als kind keek ik al enorm uit naar dit soort etentjes waar ik dan met al mijn kracht – “Jongens! Jongens! Hé!” – de aandacht moest opeisen om een grap te maken of een verhaal te vertellen, om vervolgens beloond te worden met zo’n gulle groepslach.

De laatste jaren ben ik me er steeds meer bewust van geworden hoe belangrijk dit voor me is. Ik heb dit soort avonden vol verhalen net zo hard nodig als slaap, water en kerstbrood. Als er geen goede verhalen worden verteld, voel ik me niet op mijn gemak (ongeveer 90% van de tijd dus). Hierdoor keek ik soms echter zó erg naar de kerstdiners uit, dat ik dan de hele avond veel te hyper en gespannen was. Ik wilde zo graag dat de anekdotes weer over tafel zouden vliegen, dat het zou sprankelen, en juist daardoor gebeurde het dan niet.

Afgelopen weekend vierden we het weer. Dit keer was ik sowieso niet in staat om veel te praten omdat onze 1-jarige zoon ons wat slapeloze nachten had bezorgd. Bovendien wilde ik voortdurend naar hem kijken, hoe hij van schoot naar schoot klom en met iedereen flirtte.

Het oudste kleinkind, Felien (7), stal de show. Ze organiseerde een competitie voor sjoelen met kerstkransjes en maakte steeds met luide stem de tussenstand bekend (“Hé jongens! Hé! De tussenstand!”), ze had een fantastisch kerstverhaal geschreven dat haar vader moest voorlezen (“Wat een mooie ster, zei de herder. Vind ik ook, zei de andere herder”) en aan het eind van de avond deed ze als eerste kleinkind mee met het Hoge Hoedenspel.

Het Hoge Hoedenspel, ook wel bekend als het Namenspel, is perfect voor ons gezelschap, omdat je heel veel mag schreeuwen. Zo moet je in de eerste ronde een beroemdheid omschrijven zonder hoofdletters of telwoorden te gebruiken, en als een van ons dan zegt “Dit is een politicus met een Franse naam”, dan duiken de anderen er bloedfanatiek bovenop: “FRANSE! FRANSE! FRANSE! AF!”

Felien deed moeiteloos mee. Haar omschrijvingen waren kinderlijk treffend (Paul de Leeuw was “Een kale dikke man die liedjes zingt”) en ze leek geen enkele druk te voelen als de hele groep zijn adem inhield. Op een gegeven moment hoorde ik haar zelfs meeroepen: “Amerika! Je zei Amerika! Hoofdletter! Af!”

Zo zag ik het voor mijn ogen ontstaan: de volgende generatie die de aandacht steelt, die kerstverhalen deelt en die veel te fanatiek spelletjes speelt. Ik kon ontspannen achteroverleunen.

——————–
Dit was mijn eerste Volkskrant-column als vervanger van Aaf Brandt Corstius. Fijne feestdagen allemaal, het zijn ook stressvolle, irritante dagen, maar zet je ego even opzij en wees lief voor elkaar. Dat kunnen we wel gebruiken.

Italiaantje

Mijn vriendin en ik staan op de pont, op weg naar huis na een geslaagde ‘date night’. Als je eindelijk een oppas hebt weten te regelen staat er toch wat extra druk op zo’n avond, dus we zijn allebei opgelucht dat het ook echt gezellig was.

Ik kijk kalm om me heen. Op een paar meter van ons staat een groepje jonge toeristen – twee van hen filmen de nachtelijke overtocht. Eentje heeft zo’n oerlelijke Amsterdam-muts op. Ze praten hard in het Italiaans.

Opeens maakt mijn lome tevredenheid plaats voor diepe haat. Dit groepje staat voor mij, nu, symbool voor alles wat er mis is met de wereld. Hun kleding, hun gadgets, hun quasi-ongeïnteresseerde houding en de manier waarop ze mijn stad als entertainment behandelen: dit alles is onderdeel van het domme, zelfingenomen consumentisme waar de hele wereld aan kapotgaat.

Dat gevoel overkomt me de laatste tijd vaker, vooral als ik me onder de mensenmassa op het Centraal Station beweeg, en zeker als ik moe ben. Iedereen lijkt alleen maar bezig met kopen, met uiterlijk vertoon, met het delen van lege ervaringen – waarom denken ze daar niet kritischer over na? Al die kennis is nu toch ruimschoots voorhanden? Rustig Rut, denk ik dan, liefde, tranquillo. Jij koopt zelf ook graag mooie kleren. Maar het is al te laat, ik ben volledig in paniek over alles.

Een van de filmende Italianen draait zich nu om en richt haar telefoon op de passagiers van de boot; ze verblindt ons even met het licht van haar camera. Nu is mijn irritatie ook nog eens echt gerechtvaardigd. Ik denk aan hoe laatst een andere toerist op de pont opeens mijn zoon in zijn kinderzitje begon te filmen alsof hij een zeldzaam dier was. “Say hi to the camera little guy!”

Mijn agressie richt zich vooral op een kleine, magere Italiaan met een strakke coupe en een glimmend jasje aan, die opgefokt heen en weer loopt over het dek, alsof hij de fucking kapitein is. Zijn machismo is de druppel. “Kom op, raak m’n fiets aan, geef me een reden,” mompel ik als hij vlak voor ons langs marcheert. Mijn vriendin moet lachen. Maar ik meen het: als hij nog verder mijn ruimte binnendringt, zal ik hem bij zijn kraag grijpen en buitenproportioneel hard overboord smijten.

De pont komt aan, het moment lijkt voorbij te gaan. Maar als we ons door de mensenbrij hebben gewerkt, loopt het magere Italiaantje opeens zelfverzekerd op het fietspad, een paar meter voor mijn wiel. Ik roep “Hé!” en ga tegelijkertijd in volle vaart op hem af. Hij stapt net op tijd opzij, maar ik steek mijn arm uit en raak hem met mijn elleboog.

“Voel je je nu beter?” vraagt mijn vriendin even later. Ze is sarcastisch, dat hoor ik ook wel. En ze heeft gelijk: het elleboogje was zinloos en laf. Maar als ik mijn gevoel peil, merk ik tot mijn eigen verbazing dat ik me inderdaad een stuk beter voel.

Extravagante poepluier

Ik was in opperste concentratie een overvolle, ik zou zelfs zeggen extravagánte poepluier aan het verwijderen – spartelende beentjes omhooghouden, met andere hand billendoekje pakken, wasbare luier in het kakbakje leggen, en dit alles in hoog tempo om zo snel mogelijk van de stank af te zijn – toen ik vanuit mijn ooghoek zag dat Tinus iets aan het eten was. “Hé lieverdje, ben je lekker aan smikkelen?” zei ik. “Hoe kom je daar aaaaAAAAAAAH? Oh nee. Oh nee.”

Het was gebeurd. Mijn zoon had zijn eigen poep gegeten. Hij glimlachte erbij.
Een paar seconden later begon hij echter heel hard te huilen, alsof hij besefte wat hij had gedaan. “Ja schat, dat moet je een keer meemaken,” zei ik terwijl ik hem vlug naar de badkamer droeg om zijn tanden te poetsen.

Ze vertellen je zoveel dingen niet. Dat je tijdens het eten nauwelijks met elkaar kunt praten omdat hij overal doorheen gilt (een babyhuiltje is echt niets in vergelijking met het oorverdovende gegil van een peuter), dat hij nú al soms overal ‘nee’ op zegt en alles wegduwt (inclusief zijn vader), dat hij zo ontzettend woedend kan worden, een woede die je daarvoor alleen bij dieren hebt gezien.

Mijn vriendin en ik hebben regelmatig ruzie over hoe ‘moeilijk’ Tinus nou precies is. Ik heb geen vergelijkingsmateriaal, maar ik vermoed dat hij niet de makkelijkste is. Mijn vriendin verdedigt hem dan vol overgave, als een echte moeder, een dynamiek die we waarschijnlijk de rest van ons leven zullen volhouden – hij heeft immers ook niet de meest makkelijke ouders. Inmiddels hebben we een compromis gevonden: Tinus is ‘temperamentvol’.

En zo is het ook. Hij is altijd al fysiek sterk geweest (ik zweer het je, over een jaar verslaat hij me met armpje drukken), maar mentaal is hij net zo krachtig. Als hij met twee treden tegelijk de trap beklimt terwijl ik hem op de voet volg, draait hij zich opeens ferm om en zegt met een terechtwijzend vingertje: “Nee nee nee.” Ik was hem niet eens aan het helpen, maar hij claimt nu al zijn eigen ruimte.

Niemand vertelt je dat zo’n afscheid al zo vroeg begint, maar het maakt me ook trots. Net zoals ik trots ben op zijn grapjes, zijn nieuwsgierigheid en hoe hij keihard “KOE” roept als hij een plaatje van een koe ziet. Hij gaat later rusteloos worden, absoluut, maar hij zal ook vooropgaan in de strijd (tegen de aliens die onze zonne-energie komen stelen).

Want ja, er gebeurt zoveel meer dan ze je vertellen, maar dit is ook echt pas het begin. Als ik hem midden in de nacht vasthoudt terwijl hij vol overgave zijn frustraties eruit krijst, fluister ik: “Rustig, rustig, je maakt het jezelf zo moeilijk.” Maar dan denk ik tegelijkertijd: het heeft mij 33 jaar gekost om dat te leren, en het lukt me nog steeds niet altijd om rustig te blijven.

Laat hem dus nog maar even duwen, krijsen en zijn eigen kak eten. Ik zal er altijd zijn om na afloop zijn tanden te poetsen.

Emmy

Vlak voor de ceremonie begon, vroeg Stephane me om hem ervan te overtuigen dat we niet gingen winnen. Ik keek hem strak aan en zei: “Wij zijn een kleine film van nieuwe makers, die ze er alleen maar bij hebben gezet om aan te geven dat ze experiment steunen. De nominatie is een aanmoedigingsprijs. Er is nul kans dat we winnen. Nul.” Hij knikte. “Ok.”

Twintig minuten later klonk het: “And the Emmy goes to… Etgar Keret: Based on a True Story.”

Misschien had ik geprobeerd om mezelf in te dekken. Ik had vroeger vaak te hoge verwachtingen; nu was ik de andere kant op geschoten.

Ik kon ook oprecht niet goed inschatten wat die International Emmy Awards precies voorstelden. Aangezien alleen de regisseur en iemand van de productie werden uitgenodigd, moest er voor mij een kaartje van liefst 600 dollar gekocht worden. Per mail werd me aangeboden om een eigen nominatie-medaille te kopen (150 dollar), begeleid door een Tell Sell-achtige foto van de glimmende koopwaar. Was het een soort geldklopperij, inspelend op de ijdelheid van buitenlandse film- en tv-makers?

Maar toen we de enorme balzaal in New York binnenkwamen, beseften we opeens: dit is echt. Een echte award ceremony, met dezelfde beeldjes.

De avond ervoor had een dronken Britse tv-producent me op het hart gedrukt om alsnog zo’n medaille te kopen: “Frame it, stick it on the wall. As a creative you have good days and bad days, right? Now, when you’ll have a bad day, you can just point at the wall and say: I got nominated for a fuckin’ Emmy.”

Nadat we dan toch wonnen, moest ik steeds denken aan die middag tijdens de montage-fase van de film, toen ik koortsachtig rondjes door het bos bij ons de buurt liep, terwijl ik mezelf hardop moed probeerde in te praten, om te voorkomen dat ik volledig zou doordraaien (dat doorgedraaide mensen vaak hardop tegen zichzelf praten, liet ik even buiten beschouwing). De film leek nergens op, de vriendschap met Stephane stond op springen.

Het is moeilijk, misschien wel onmogelijk, om ego en artistieke urgentie van elkaar te scheiden. Maar op de een of andere manier (door pure uitputting waarschijnlijk) besloten we toen om alle persoonlijke bewijsdrang opzij te zetten en gewoon een zo goed mogelijke film te maken.

Als je zo’n prijs wint, ligt ijdelheid alsnog op de loer. Maar door die herinnering kon ik dit keer vrij kalm van het moment genieten. Gewoon even dat beeldje vastpakken en grijnzend mijn vriend, die wonderwel nog steeds mijn vriend is, op de schouder slaan.
Nu weet ik weer niet goed wat het betekent. Maar toen werd aangeboden om een extra beeldje te kopen, heb ik het toch maar gedaan. De volgende keer dat ik de behoefte voel om hardop pratend door een bos te lopen, kan ik daar dan even naar kijken. En denken: waarom heb ik in godsnaam 600 dollar voor dat ding betaald?

Lievelingsdier

Tijdens de zwangerschap keken we ontzettend veel tv. Zeven seizoenen van The Good Wife bijvoorbeeld, waardoor we op een gegeven moment alleen nog maar in het jargon van de Amerikaanse rechtspraak konden praten – ‘Objection, your honor – relevance?!’ – maar ook alle BBC-natuurseries van sir David Attenborough – Planet Earth, Life, etc.

In een van zijn epische voice-overs sprak Attenborough zo teder over olifanten, dat ik besloot te googelen of het eigenlijk zijn lievelingsdier was. Sowieso een leuke vraag voor iemand die een respectabel deel van de 8.7 miljoen diersoorten op aarde van dichtbij heeft meegemaakt.

Niet de olifant, maar een tien maanden oude mensenbaby bleek Attenboroughs favoriete organisme: “Ik kan er eindeloos naar blijven kijken. Hoe snel het leert, groeit en woorden verzamelt. Geen enkel ander dier is zo complex en zo fascinerend,” zei hij in een interview.

Een jaar later heb ik nauwelijks nog tijd om tv te kijken, maar begrijp ik precies wat Attenborough bedoelt: het is eindeloos fascinerend om een kind van tien maanden bezig te zien. De manier waarop mijn zoon in innige concentratie met een lichtknopje speelt, terwijl hij prevelt: “Uit… uit…” Of hoe hij juist totaal rusteloos het balkon verkent, telkens weer afgeleid door nóg een spannend stuk karton. Voortdurend mompelt hij: “Deze, dit, dat, die,” overweldigd door wat hij allemaal nog moet ontdekken, als iemand die voor het eerst XTC heeft gebruikt.

Eigenlijk begint zijn leven nu pas echt. Een jonge baby is enorm kwetsbaar, en dat haalt een diep soort liefde in ons naar boven, maar het stelt nog niks voor – de eerste negen maanden probeer je als mensenouders vooral de omstandigheden van een baarmoeder na te bootsen. Giraffen lachen ons uit: hun baby’s galopperen in één keer het geboortekanaal uit. Nu pas kunnen wij ons mensenkind een beetje loslaten en van een afstandje begluren, met een begeleidende Britse voice-over in ons achterhoofd.

Van de week haalde ik mijn zoon op bij het kinderdagverblijf. In de deur zit een observatieraam – een Robert M.-venster, zullen we maar zeggen – waar ik altijd even blijf staan om hem in een onbewaakt moment te kunnen bekijken. Het is hartverwarmend (en geruststellend) om ons diertje dan vol enthousiasme achter een van de leidsters aan te zien kruipen, of rustig te zien spelen.

“Lekker dagje gehad weer hoor,” zei de leidster toen ik binnen was en hem had opgepakt. Ze deelde een baby-anekdote: op een gegeven moment was ze even om de hoek bezig geweest, toen ze gegiechel hoorde. Vervolgens zag ze dat Tinus in een elektrisch wipstoeltje was geklommen, die een bevriende baby heen en weer aan het duwen was, terwijl ze de grootste lol hadden.

Ik keek naar Tinus, die ondeugend lachte. Tien maanden oud en nu al een privéleven. Het moet verdomme niet gekker worden.

McCain

John McCain is dood. U heeft zich misschien verbaasd over de aandacht die dit genereerde, zeker als u geen idee had wie die kale witte man met zijn geniepige grijns eigenlijk was. Ik ken McCain vooral dankzij The Daily Show, het satireprogramma dat ik jarenlang religieus volgde. Ik geloofde destijds écht dat presentator Jon Stewart met zijn redelijkheid en zijn grappen de wereld kon veranderen.

Tijdens de verkiezingsstrijd van 2008 tussen Barack Obama en John McCain was Stewart in absolute topvorm. Hij liet haarfijn zien hoe ongemakkelijk McCain zich voelde binnen de Republikeinse partij, die op het punt stond om over te koken. Het hoogtepunt vond plaats toen een verwarde vrouw tijdens een evenement door de microfoon zei dat McCain zijn opponent niet moest vertrouwen, omdat hij “an Arab” was. McCain onderbrak haar: “No ma’am, he’s a decent family man, who I just happen to have disagreements with.”

Als ik dat fragment nu kijk, moet ik niet lachen, maar springen de tranen juist in mijn ogen. De moed waarmee McCain de door Fox News gegenereerde gekte van zijn eigen aanhang probeerde in te dammen, in plaats van uit te buiten – dat is tien jaar later gewoon ondenkbaar. (McCain koos wel Sarah Palin als ‘running mate’, een knieval waar hij later spijt voor betuigde.)

Tegelijkertijd was McCain een typisch voorbeeld van hoe onze politieke overtuigingen gevormd worden door onze omstandigheden. Nadat hij als soldaat in Vietnam gemarteld werd, toonde hij zich een fel tegenstander van de martelmethodes van de regering-Bush. Het overleven van het gevangenschap maakte McCain bovendien dankbaar en nederig, waardoor hij niet bang was om zijn standpunt te wijzigen, en tot vlak voor zijn dood als van de weinige Republikeinen tegen het cynische beleid van Trump bleef vechten.

Dat zie je vaker: een conservatieve politicus die het homohuwelijk steunt nadat zijn dochter uit de kast is gekomen, of een linkse politicus die voor zero tolerance is nadat hij straatgeweld heeft meegemaakt. Ik las eens over een racistische, antisemitische politicus uit Hongarije die erachter kwam dat hij eigenlijk zélf Joods was. Vervolgens bekeerde hij en werd ultra-orthodox (het extreme bleef toch wel echt zijn ding).

Daarom is het bijna onmogelijk om iemand van je standpunt te overtuigen: omdat we allemaal – links én rechts – vergeten dat ons perspectief ook maar toevallig zo ontstaan is. En ze zeggen wel: “Don’t judge a man before you’ve walked a mile in his shoes”, maar wie heeft daar nog tijd voor? Onze persoonlijke ervaringen worden steeds nauwer, steeds voorspelbaarder. En het debat dus ook.

Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen relativist. Er zijn wel degelijk kernwaarden. Maar empathie is misschien wel de belangrijkste daarvan, en daar is juist zo’n ongelofelijk gebrek aan. De kracht om mee te voelen met een verwarde medestander, en tegelijk tegen haar xenofobie in te gaan, omdat je erkent dat de ander ook gewoon een fatsoenlijk mens is. Ik geef het je te doen.