Giechelen

Toen de kinderen om half tien eindelijk sliepen, bedacht ik dat ik die dag nog niet naar buiten was geweest, en dat ik dus maar even op het balkon moest gaan staan. Daarna dacht ik: misschien moet ik ook een beetje blowen.

Een jaar geleden keken we de serie Transparent en was ik zo vol van het warme familiegevoel van de twee zussen en hun broertje, waar vaak wiet bij aan te pas kwam, dat ik een veel te dure vaporizer kocht. De Pax 2, die regelmatig gebruikt wordt in mijn ándere favoriete serie Broad City, dus je kunt gerust zeggen dat ik een stukje fictie in huis haalde.

Dat bleek ook wel, want mijn vriendin viel telkens al na één trekje in slaap, en als ik het na een etentje met vrienden (precies de sfeer waar ik zo naar verlangde) aanbood, weigerden ze steeds beleefd. Vervolgens werd mijn vriendin zwanger van onze tweede (lees: hypergevoelig voor geuren), waardoor de Pax definitief in onbruik raakte.

Nu propte ik wat oude wiet in de brandkamer, deed hem aan en wachtte tot het groene lampje brandde. Daarna nam ik rustig drie trekjes terwijl ik over de binnenplaats staarde: genoeg om het te voelen, genoeg voor dit moment.

Met een lome tevredenheid begon ik willekeurige dingen uit keukenkastjes en de ijskast te eten. Ik schonk een glas cola in en zette een aflevering van The Last Dance op, terwijl mijn vriendin op de achtergrond haar yoga deed. (Dit bedoel ik niet zo van: tsss, die vrouwen en hun yoga. Ik had mijn yoga ‘s middags al gedaan. Het was vet chill.)

Na een paar minuten schoten we als herten omhoog: een bekend geluid vanboven. De oudste. Godver. “Ik ga wel,” zei ik.

“Ik moet plassen,” zei Tinus staand in zijn bedje. “Oké schat,” zei ik en tilde hem over de bedrand naar zijn potje, waar ik in het halfdonker even worstelde om zijn slaapzak, pyjama en nutteloze nachtluier uit te trekken. Ik ging naast hem op de grond zitten.

Tijdens het plassen keek hij me guitig aan. Dat doet hij wel vaker ‘s nachts: even kijken wat er nog te halen valt. Normaal kan ik dat weerstaan, maar nu schoot ik in de lach, waarna we samen lachten om niets. Toen ik al zijn kleding weer probeerde aan te trekken, viel hij om, waardoor we de slappe lach kregen. We giechelden terwijl ik steeds tussendoor zei: “Sssst.”

Vervolgens ging hij achterover op mijn been liggen, als een dronkeman aan het eind van een feestje. Daardoor herinnerde ik me opeens dat ik stoned was. Dat ik daarom zo moest giechelen. Shit. “Hup, naar bed jij,” zei ik.

In bed keek ik naar zijn glanzende rossige haar, zijn mooie blauwe oog (het andere was afgeplakt na een stoot-incident, wat hem des te aandoenlijker maakte) en dacht: wat is hij toch mooi. Dat moet ik zometeen aan mijn vriendin vertellen.

Maar op de trap naar beneden herinnerde ik me opeens weer dat ik stoned was en dat ik dit helemaal niet aan mijn vriendin moest vertellen.

Ik vertelde het toch.

Een stoel op het strand

Toen mijn vriendin en ik nog tijd hadden om urenlang op de bank te hangen, hadden we een terugkerend grapje. Als ik vroeg: “Wat zullen we kijken?”, antwoordde zij: “Shoah…?” waarna we tegelijk zeiden: “Nêhhh.” De film stond al tijden klaar op mijn laptop, maar wie heeft er ooit zin in een ruim negen uur durende documentaire over de Holocaust?

‘Zin’ is natuurlijk niet het punt, dus op een regenachtige zondag kwam het er toch van. Het is moeilijk om de kijkervaring van Shoah in woorden te vatten, maar de uitgestrekte lengte bleek een essentieel onderdeel, omdat het je dwingt om erin op te gaan. Dat is wat regisseur Claude Lanzmann continu doet: je dwingen om erin op te gaan (helaas drong hij zich ook regelmatig aan vrouwen op).

De trage beelden van natuurschoon op plekken waar de gruwelijkste misdaden hebben plaatsgevonden, bezorgen je dezelfde misselijkmakende desoriëntatie als de tegenstellingen in het gedicht ‘Todesfuge’ van Paul Celan: “dein goldenes Haar Margarete/dein aschenes Haar Sulamith”.

En ook tegenover de overlevers is Lanzmann dwingend. Zoals bij de man die op een terras aan het strand van Tel Aviv maar blijft glimlachen terwijl Lanzmann zijn vragen stelt, tot we de glimlach zien voor wat hij is: een overlevingsstrategie.

Of bij de Israëlische kapper Abraham Bomba, die in Treblinka gevangenen moest kaalknippen voor ze de gaskamers in gingen. Hij vertelt zijn verhaal op luide, afstandelijke toon, terwijl hij een klant in zijn kapsalon blijft knippen. Tot hij plotseling toch stokt. De camera zoomt in, we zien hoe hij zijn emoties probeert te onderdrukken. “Come on Abe, you have to,” dringt Lanzmann aan. “I can’t do it,” fluistert Bomba. “Don’t make me do it.” Het lukt hem toch.

Of bij Jan Karski, die als spion namens de Poolse regering het ghetto van Warschau binnendrong, en zo een van de eerste getuigen van de rassenzuivering werd. “Now I go back thirty-five years…” kondigt hij aan bij het begin van het interview. Maar dan wordt hij door herinneringen overmand en roept hij uit “No! No! I don’t go back!” waarop hij geëmotioneerd de kamer uitloopt. Ook hem lukt het bij de tweede poging alsnog.

Onlangs las ik Beloved, de klassieke roman over de Amerikaanse slavernij van Toni Morrison, die een paar jaar na Shoah verscheen. De mechaniek van het trauma is hier hetzelfde: “To Sethe, the future was a matter of keeping the past at bay.” Maar ook Sethe ontmoet mensen – en geesten – die haar toch dwingen om het verleden in de ogen te kijken.

Mensen beschikken over een bizar groot vermogen om verdriet te onderdrukken, net zoals we er goed in zijn om andere negatieve kanten van onszelf en het leven te ontkennen. Zullen we Shoah kijken? Nêhhh.

Voor mij was dat het belangrijkste deel van Grunbergs speech gisteren: de oproep om het kwaad in onszelf onder ogen te blijven zien: “Niets doet mensen zozeer naar een onwrikbare identiteit verlangen als het knagende vermoeden dat ze geen idee hebben wie ze zijn. En het is vaak de onwrikbare eigen identiteit, de weigering er speels mee om te gaan, die ertoe leidt dat de ander als een volstrekte vreemde en een absolute vijand wordt gezien.”

En: “Als herdenken ook verlangen naar kennis is, dan zijn details belangrijk, en dan kunnen we het ons niet permitteren te zeggen dat wij bepaalde details niet wensen te horen omdat ze onze nachtrust verstoren.”

Op mijn vijftiende had ik op de een of andere manier het boek Moordenaars Onder Ons van nazi-jager Simon Wiesenthal in handen gekregen (ik denk na het lezen van De Jongens van Brazilië van Ira Levin, waarin Wiesenthal een personage is). Hierin stuitte ik op een van de foto’s die nazi’s op feestjes uitwisselden, van een officier die zijn wapen op het achterhoofd van een magere man gericht houdt, op de rand van een kuil vol lijken. De gevangene kijkt recht in de camera, met een blik die alleen maar ‘Waarom’ lijkt te vragen.

Die nacht kon ik, misschien wel voor het eerst in mijn onbezorgde leven, niet slapen. En ik vermoed dat die foto me er later toe dreef om Auschwitz te bezoeken. Ook na de officiële tour dwaalden we er nog urenlang rond, vastbesloten om elk detail in ons op te nemen.

Grunberg erkende ook dat het belangrijk is om jezelf niet helemaal in het verleden onder te dompelen – de glimlach is écht een essentieel overlevingsmiddel. Ik kan zelf ook doorschieten in mijn drang naar eerlijkheid, waardoor het zwelgen wordt, of nog erger: depressie. Daar heeft niemand iets aan. En dan heb ik nog makkelijk praten.

Toch blijf ik geloven dat we onze diepste waarheden met elkaar moeten blijven delen. Dat we onze zwaktes moeten erkennen, om te voorkomen dat we onze frustraties – ons verdriet – afreageren op de ander. Dat we onszelf en elkaar daar soms toe moeten dwingen, zodat we kunnen leren en veranderen. In plaats daarvan lijken we steeds vaker te kiezen voor een onwrikbare identiteit.

In Yad Vashem, het Holocaustmuseum bij Jeruzalem, hoorde ik het verhaal van een Joodse vrouw die de oorlog overleefde en naar het Beloofde Land trok. Ze verwachtte dat daar op het strand een stoel voor haar klaar zou staan, waar ze op zou gaan zitten zodat ze eindelijk haar verhaal zou kunnen vertellen. Maar er stond geen stoel: niemand wilde haar verhaal horen.

In Israël heerst nog steeds veel schaamte over de manier waarop Joden zich ‘als makke lammeren’ hebben laten afvoeren. Kinderen schelden zwakkere klasgenoten op het schoolplein uit voor ‘stuk zeep’. Een onverwerkt trauma kan ook leiden tot een onwrikbare identiteit, tot nieuwe haat.

Ik moet vaak denken aan die stoel op het strand. Aan de kapper die fluistert: “I can’t do it”, aan Lanzmann die dan zegt: “You have to.” Aan Paul D, die aan het eind van Beloved over Sethe zegt: “She is a friend of my mind. She gather me, man. The pieces I am, she gather them and give them back to me in all the right order.”

Een paar jaar geleden vertelde mijn vader me dat hij had ontdekt dat zijn oma Joods was en dat veel familieleden van zijn moeder in concentratiekampen zijn overleden. Zijn moeder was zelf tijdens de oorlog gehaast met zijn katholieke vader getrouwd, en ze had mijn vader nooit iets over haar Joodse achtergrond verteld.

Het gekke is: in eerste instantie wilde ik er ook niets over horen. Ik deed het af als een nieuw projectje van mijn vader, als verre familie die niets met mij te maken heeft. Misschien wordt het toch eens tijd om naar zijn verhaal te luisteren.

Verraad

“Ik zou het maar voor je houden,” zei een vriend toen ik hem vertelde dat ik met mijn gezin naar een natuurhuisje zou gaan. Ik begreep wat hij bedoelde: er heerst een grote behoefte om mensen aan de schandpaal te nagelen. De gekmakende onzekerheid zorgt ervoor dat we ons vastklampen aan onze morele superioriteit. Sommige mensen zijn zo teleurgesteld in hun medemens dat ze zich woedend opsluiten in hun ivoren toren (met Wifi).

Waren we eigenlijk wel in overtreding? Dat was, zoals zoveel tijdens deze crisis, onduidelijk. Binnenlandse vakanties werden ‘afgeraden’, maar social distancen is veel makkelijker op het platteland.

We waren doodop. Het algoritme van Twitter weet precies wat me provoceert en toont daarom willekeurige tweets die me gegarandeerd woedend zullen maken. Zo zag ik een bericht van een onbekende die schreef dat veel ouders hopen dat de scholen en kinderopvang opengaan “omdat ze hun “kutkind” naarbuiten willen bonjouren zodat ZIJ rust kunnen hebben”.

Ik hapte. Waar komt toch het idee vandaan dat ouders die het zwaar hebben, dan maar geen kinderen hadden moeten nemen? It takes a village, zeggen ze: niemand kan een kind opvoeden zonder hulp. Kun je het nu niet aan in je eentje? Schaam je! Neoliberaler kun je het niet krijgen – maar dit soort kritiek komt steeds vaker van links-progressieve mensen.

Het algoritme van Instagram weet dan weer precies waar je naar verlangt en toonde me dus prachtige plaatjes van andere ouders, die hun kinderen konden laten uitrazen in de tuinen van familiehuisjes. Groen van jaloezie boekte ik ons eigen huisje aan het bos.

In het natuurhuisje vond ik eindelijk de rust om ‘t Hooge Nest van Roxane van Iperen uit te lezen. Het was vreemd om tijdens de grootste crisis van ons leven in zo’n levensecht verslag van de Tweede Wereldoorlog te duiken. Er waren overeenkomsten: de twijfel tussen optimisme (‘Het zal wel meevallen’) en waakzaamheid. De onverwachte momenten van schoonheid: het onderduikadres uit de titel lag ook in een bosrijke omgeving. Maar het deed vooral beseffen dat het nog veel erger kan.

Termen als ‘NSB’er’ en ‘verzetsstrijder’ zijn ook onzinnig als de vijand bestaat uit onzichtbare virusdeeltjes. En wat betekent ‘verraad’ in deze tijd? Is het nu goed om je op het internet kwaad te maken over een vage telelens-foto van aso’s die toch samen Koningsdag lijken te vieren? Of is het juist goed om binnen deze nieuwe grenzen op zoek te blijven naar medemenselijkheid? Je weet het niet.

Het is zoals die grap van Theo Maassen: “Tijdens de Tachtigjarige Oorlog zeiden ze ook niet na veertig jaar: ‘Hè gelukkig, we zijn op de helft.'”

We maakten een boswandeling met vrienden en hun kinderen. Op anderhalve meter – afstandelen noemde ik het. Was dat oké? Of waren we zo hardwerkende zorgmedewerkers indirect in hun gezicht aan het spugen? Het was prachtig weer, de kinderen speelden en ik genoot van het gezelschap, maar het verdriet lag op de loer. Alles was vaag.

Ik heb het gevoel dat deze crisis de climax is van de eeuwig terugkerende discussie die de laatste jaren weer oplaaide: kiezen we voor individualisme of voor collectivisme? Nadat de samenleving decennialang was uitgehold onder het mom van ‘eigen verantwoordelijkheid’, en we de laatste tijd zo met onszelf en onze telefoons bezig waren dat we niet eens meer in staat waren om een gesprekje met de buurvrouw te voeren, leken we weer te neigen naar de tweede optie.

Het is omgedraaid: in plaats van samen te leven als individualisten, leven we nu apart uit solidariteit. Daar schuilt een kans in. Maar die empathie moet dan wel echt zo ver mogelijk reiken, en niet ophouden bij anderen die zich niet zo perfect gedragen als jij – of die je toch al niet mocht.

Waakzaamheid betekent zorgen voor de mensen om je heen, met alles wat je hebt, en die cirkel proberen te vergroten – niet keihard oordelen over mensen die je niet kent. Dat is de les van ‘t Hooge Nest.

Baco Bicho

Mijn zoon heet Baco Bicho. Tenminste, dat is wat hij me vertelt. “En jij heet… Brakr,” zegt hij, zijn vuistjes verkrampt van de voorpret. “En mama?” “Ehm… Goulas!” “En Frenkie?” “Gourrrrrras!” Als we lachen om zijn vondsten, lacht hij mee met de lach van een peuter die nog niet helemaal begrijpt wat er grappig is, maar die er maar al te graag onderdeel van uitmaakt.

Baco Bicho (aka Tinus) is de laatste tijd geobsedeerd met namen en rollen. Hij noemt mij graag bij mijn volle naam: “Jij heet Rutgerrrr Lemm,” zegt hij dan met een bekakte R terwijl hij naar me wijst, wat me terugbrengt naar pesterijen op de basisschool. “Mama heet Maartje Smits!” “En Frenkie?” “Frenkie heeft nog geen achternaam.”

Elke keer als ik hem uit zijn kinderstoeltje haal (van zijn moeders fiets, ik ben te gemakzuchtig om er zelf ook eentje te installeren) en naarboven wijs, waar zijn moeder en zijn zusje voor het raam staan te zwaaien (Frenkie vooral met haar hoofdje), zegt hij verdrietig: “Nee, dat is niet ons huis. Dat is een nep-mama en een nep-Frenkie. Ik wil mijn échte mama!” Hij kan nog niet begrijpen dat onze deur weliswaar beneden is, maar dat we daarna altijd meteen de trap naarboven nemen.

Als ik Tinus ‘schat’ of ‘bikkel’ noem, kijkt hij me nijdig aan. “Ik ben niet schat. Ik heet GEWOON Tinus.” Troetelwoordjes voor zijn zusje zijn ook verboden: “Ze heet FRENKIE papa. NIET Fronkeltje.”

“Ik hou van jou,” zeg ik als we samen douchen en hij eindelijk langer dan drie seconden met me knuffelt. “Ik niet van jou,” antwoordt hij fijntjes vanaf mijn schouder. “Ik hou wél van mama en Frenkie, maar niét van jou.”

Als hij na een korte strijd zijn tanden door mij laat poetsen wijst hij naar de spiegel en zegt hij: “Dat is Baco Bicho. Ik ben Tinus.” Over mij zegt hij: “Voor ánderen ben jij papa. Maar voor mij ben jij Rutger Lemm, toch?” Ik glimlach en zeg “ja”, zoals je zo vaak “ja” tegen peuters zegt.

Gisteren lagen we na het stoeien in het grote bed en kondigde hij aan: “Nu gaan wij over Baco Bicho praten.” Dat kwam goed uit, want ik was al een tijdje benieuwd naar hem. Baco Bicho blijkt van crackers en van auto’s te houden. Hij is ook een kindje, maar hij woont niet hier. “Waar dan?” “Ietsje verderop.”

“Ben jij zélf Baco Bicho?” vroeg ik hem uiteindelijk op de man af, zijn gezichtje dicht bij het mijne. Hij dacht even na. “Een beetje,” zei hij tenslotte.

Vanochtend zei hij opeens: “Jullie zijn mijn ouders.” “Klopt!” zeiden wij. “Hebben jullie ook ouders?” vroeg hij geïntrigeerd. “Opa en oma zijn mijn ouders,” verklaarde mijn vriendin. Hij staarde voor zich uit. “En weet je,” haakte ik gretig in, “wij zijn óók Frenkies ouders.”

Terwijl ik hem triomfantelijk aankeek, vulden zijn ogen zich langzaam met tranen. Wij zetten ons schrap voor het volgende peuterdrama. Van ons kind, onze grote leider, Baco Bicho.

Veerkracht

Het lukt. Het is niet makkelijk, maar uiteindelijk is het goed te doen, dat social distancing. Ik wil niet teveel als een montere minister-president klinken, maar het is toch wel wonderlijk om te zien hoe snel we in staat zijn geweest om die omschakeling te maken. Hoe normaal het soms al voelt.

Mensen zijn veerkrachtig; dat is misschien wel ons grootste talent. Ik was zelf lange tijd een uitzondering op die regel. Er was niet veel nodig om me uit het veld te slaan, fysiek of mentaal. Ik weet nog dat ik als student naar de huisarts ging omdat ik werkelijk élk griepje kreeg. Hij mompelde toen iets over “overgevoelige slijmvliezen”. Dat vatte mijn probleem wel samen: ik bestond van top tot teen uit overgevoelige slijmvliezen.

Tijdens een lange periode vol depressie en angsten leende mijn broer me ‘The Happiness Hypothesis’ van psycholoog Jonathan Haidt. Daarin schrijft hij: “Human beings are able to recover from virtually everything.” Dat gaf me de kracht om eruit te komen.

In mijn Kopstuk-interview met rapper Sticks vertelde hij dat hij geen mood swings meer heeft sinds hij vader is. Als je iets leert van kinderen, is het wel dat je telkens weer moet opstaan en door moet gaan. Ten eerste omdat ze het zelf niet doen: ze blijven op de grond liggen huilen tot je ze troost. Tegelijkertijd beschikken ze over een onverwoestbare geest die jou telkens weer uit je bed dwingt.

Sinds een half jaar douche ik ‘s ochtends koud af. Dat heeft fysieke voordelen, maar voor mij is het vooral een mentale kwestie. Ik háát kou. Het liefst maak ik het mezelf zo comfortabel mogelijk met een kwartiertje extra onder de dekens, of met een veel te uitgebreid bad. Onder die ijskoude douche dwing ik mezelf elke dag om twee minuten in de afgrond te staren, terwijl ik toch rustig door blijf ademen. Mijn wereld stort vervolgens niet meer in elkaar als blijkt dat de yoghurt op is. En ik ben veel minder vaak ziek.

Nog zoiets. Eind vorig jaar las ik in zo’n geluks-artikel van The New York Times over de 3-minute-rule: als iets in 3 minuten of minder te doen is, moet je het metéén doen. Een afwasje? Doe het. Je bed opmaken? Doe het gewoon effe. Voor je het weet doe je dat soort dingen zonder erover na te denken, en nog belangrijker: zonder jezelf als een slachtoffer van die afwas te zien.

Natuurlijk is er soms corona-stress. Zoals Pamela Adlon, de oermoeder uit de geweldige serie Better Things zei in een Instagram-video: “We freak out, then we go back in.” Koken helpt haar: “I decided to cook this fucking chicken.”

Voor de meesten van jullie klinkt dit als een aap die zichzelf heeft geleerd om met twee stenen een nootje open te slaan, terwijl jullie gewoon een notenkraker gebruiken. Jullie weten allang hoe dat moet, doorgaan. Duh.

Misschien probeer ik gewoon te zeggen dat ik jullie bewonder.

STOP

Zodra ik mijn huis uit stap, kijk ik mijn overburen aan, die in hun tuinstoelen – keurig anderhalve meter uit elkaar – van het zonnetje zitten te genieten. “Dag buurman, alles goed?” zeggen Patrick en Loes bijna tegelijk. Het zijn broer en zus, echte oud-Noorderlingen.

Ik zit om een praatje verlegen, dus ik blijf graag even bij hun tuinhek staan. “Ik vind het toch een soort straf voor hoe we geleefd hebben,” mijmert Loes. “Absoluut!” zegt Patrick. “Als je ziet wat er voor huizen betaald werd… En nou? Wat heb je nou aan je geld?”

“De lucht is nog nooit zo schoon geweest,” zegt Loes, terwijl ze naar de strakblauwe hemel wijst. “Heb je die foto’s gezien van de lucht boven China?” zegt Patrick, waarna hij een slok van zijn biertje neemt. “Alcohol doodt de bacteriën, zeiden ze op de radio,” verklaart hij. “En ik dronk al bijna nooit meer, hè.”

Ik groet ze en loop verder. Je hoort het vaker, de theorie dat de corona-crisis een boete is voor onze verslaving aan de eeuwige groei, dat ‘Moeder Aarde’ daar nu een correctie in aanbrengt. Er worden vele tenenkrommende filmpjes over doorgestuurd.

Aan de ene kant is dat pseudo-religieus gelul. Bovendien: er sterven onnodig mensen, met alle gevolgen van dien, en dat is niets om ‘dankbaar’ voor te zijn.

Aan de andere kant is het wel degelijk zo dat we in deze shit zitten omdat we weer eens een stel vleermuizen niet met rust konden laten. Zoals we al decennia bezig zijn om volledige ecosystemen in de war schoppen, waardoor de planeet op korte termijn onleefbaar dreigde worden.

Iedereen die zich zorgen maakte over klimaatverandering fantaseerde weleens over een grote STOP-knop. Hoe kon je ánders zo’n complex en vernietigend systeem als het wereldwijde consumentisme tot een halt brengen? Het leek maar door te denderen, terwijl we slechts met lede ogen konden toekijken.

Nu is het opeens stil.

Inmiddels ben ik bij het IJ, waar ik op een bankje ga zitten lezen. Na vijf minuten kan ik niet meer negeren dat de wind eigenlijk nog te koud is, en word ik weer terug naar huis gedwongen.

Op de terugweg schrik ik op van een meisje dat in haar telefoon schreeuwt: “IK WALG VAN JE! IK WÁLG VAN JEEEEEEEEE! VIEZE VUILE KÁNKER-DRUGSVERSLAAFDE, VIEZE VUILE KÁNKER-SEKSVERSLAAFDE! NEE, NEE, IK GA NAAR M’N ZUS!”

Even later loop ik langs een man die óók al keihard met iemand telefoneert. “Doe normaal, anders ga je de pakkie van je leven krijgen!” roept hij, terwijl hij verwoede trekjes van zijn sigaret neemt. Jeetje, denk ik, door de corona-crisis worden mensen echt steeds agressiever. Pas als hij zegt: “NIET naar je zus gaan bitch!”, besef ik dat het hier om één en dezelfde situatie gaat.

Dit is dus die drugs- en seksverslaafde, denk ik terwijl ik de man stiekem van opzij bekijk. Misschien, heel misschien, beseft hij straks ook dat hij met minder kan. Ik heb het hem nog maar even niet gevraagd.

Iets extra’s

Een oude wijze vriend stuurde me een mooie reactie op mijn vorige stukje. Hij feliciteerde me niet met mijn huwelijksaanzoek, maar zei dat hij mijn stukjes vaak zo “aandoenlijk” vond. “Vooral op de momenten dat je bang wordt. Er is ALTIJD iets grondig mis geweest met deze wereld Rutger,” schreef hij. Maar: “In wezen, ten diepste, hoef je je in dit leven nooit ergens zorgen over te maken.”

Dat had ik even nodig, want het sluiten van de kinderopvang en de ZZP-opmerking van minister Wiebes hakten er onverwacht hard in. Ik begon toch een beetje te wanhopen: ging het wel lukken, de komende weken? Daar voorbij lag een toekomst die al helemaal onzeker was.

Zoals gezegd: dat past ook wel bij mijn gevoel van de laatste tijd. Mijn vriend heeft waarschijnlijk gelijk als hij zegt dat er ALTIJD iets mis is geweest met deze wereld, maar de geboorte van twee kinderen in ruim twee jaar tijd heeft mijn wereld al honderden malen op z’n kop gezet. 

Daarom dacht ik vanochtend aan onze kraamverzorgster Saartje. Een vrouw van vijfenzestig met een grote bril en een hoog beleefd stemmetje, die door Annie MG Schmidt was bedacht en door Fiep Westendorp voor ons was uitgetekend. “Dag, ik ben Saartje,” sprak ze fijntjes toen ik de eerste ochtend verward de deur opendeed. Ik gaf haar een hand. Dat kon toen nog.

Saartje hielp ons tijdens die extreem hectische weken na de komst van een tweede kind niet alleen met de borstvoeding en het eerste badje; ze hielp ons om beter te leven. “Het is zo’n lieverd,” zei ze steeds over onze oudste, juist op de momenten dat ik me aan hem begon te ergeren. “Niet die afwas doen! Gaan jullie maar even slapen,” sprak ze ons streng toe.

Maar het belangrijkste was dat ze elke middag een warme maaltijd voor ons kookte. Saartje werkte al vijftien jaar in de kraamzorg, maar voor die tijd had ze meerdere levens geleefd: als hippie in New York, als kok in meerdere restaurants. Daardoor was ze in staat om van vier willekeurige ingrediënten en wat kruiden een maaltijd op tafel te toveren die mijn vriendin en mij elke keer versteld deed staan: komt dit uit onze keuken? We hadden toch alleen maar een prei en een half bakje crème fraîche in huis?

Dat liefdevolle voedsel was elke dag een verademing. Als een omhelzing op het moment dat je oververmoeid bent: opeens voel je de spanning van je afglijden. Niet zelden zat ik met tranen in mijn ogen te eten.

Saartje vertrok uiteindelijk, tot onze grote spijt, maar ik probeer sindsdien om iets van haar aanwezigheid vast te houden. Als het leven wat moeilijker gaat, is het heel verleidelijk om je tot het minimale te beperken: twee boterhammetjes met smeerkaas en dóór. Maar juist dan probeer ik iets extra’s te doen, door voor iedereen een smoothie te maken, of een eitje te koken, of desnoods een beetje komijn over dat godvergeten bammetje smeerkaas te strooien. Iets vers, iets warms. Iets extra’s.

Tijdens deze weken zouden we allemaal wel een Saartje kunnen gebruiken. Nu moeten we het zelf maar doen. Dat hoeft niet duur te zijn. Je hoeft er ook geen pasta voor te hamsteren. En het hoeft zich natuurlijk niet tot eten te beperken. Maar als je daar begint, volgt de rest vaak vanzelf.

Wat er moet gebeuren

Ik heb vanochtend mijn vriendin ten huwelijk gevraagd. Ik geloof niet dat ze doorhad dat ik het meende. Dat kwam deels doordat ik te lang had nagedacht over mijn kleine ontbijt-speech, en deels doordat ze tussendoor een hoestbui kreeg.

Sowieso heeft ze deze week moeite om me serieus te nemen, omdat ik nogal dramatisch ben aangelegd en niet kan stoppen met Corona-nieuws lezen (het is nu ook nog eens mijn werk). In de Whatsapp-groep van haar nuchtere familie word ik steeds bespot. “Maar misschien is dit wel een van die unieke situaties waarin mijn paranoia preciés de juiste respons is!” typte ik.

Ik voelde de Corona-crisis al aankomen, waarmee ik niet wil zeggen dat ik het heb voorspeld. Maar er hing al tijden iets in de lucht, toch? In november schreef ik nog een stukje getiteld ‘Alles Valt’, waarin één gemene griep mijn hele leven op losse schroeven zette. De afgelopen maanden sloeg de ene na de andere storm tegen de ramen, alsof iemand ons wakker wilde schudden. Op straat waren mensen gefrustreerd en agressief.

Veel mensen, links en rechts, hebben al tijden het gevoel dat er iets grondig mis is met onze wereld. Dat het weleens helemaal uit de hand zou kunnen lopen. Vandaar dat de supermarkten zo snel worden leeggegraaid: iedereen had al eens over dat doemscenario nagedacht. Het Corona-virus test nu al de limieten van onze huidige manier van samenleven. Het speelt zich af op een schaal die de meesten van ons nog nooit hebben meegemaakt, en die nauwelijks te bevatten is.

Ik voel me al weken alsof ik ben losgezongen van de werkelijkheid, waardoor ik gek genoeg helemaal niet zo paniekerig ben. Ik zie juist opeens heel helder wat belangrijk is; wat er gedaan moet worden. Ik werd ook niet ziek, terwijl ik normaal gesproken door elke griepgolf word meegesleurd.

Een paar dagen geleden trok ik de deur achter me dicht na een ochtend waarop mijn vriendin had gerocheld als een oude man, mijn eveneens zieke peuter me constant had geschoffeerd (“Jij mag niet naar mij kíjken papa!”), en de baby had ge-baby’d. Het gevecht ging nog even verder in mijn koptelefoon, toen ze inbraken op mijn Spotify-account en ik opeens naar ‘Nijntje, een lief klein konijntje’ luisterde (of zoals mijn vriendin dat extreem aanstekelijke nummer noemt: ‘Nijntje, tering-konijntje’).

Maar ik miste ze al zodra ik de straat uit fietste. Het lukte me eindelijk om Elbow op te zetten, Guy Garvey zong “Just this morning alone with you worth/A lifetime alone on this earth” en opeens wist ik zeker dat ik met hen alledrie wilde trouwen. Dat ik nergens liever wilde zijn dan bij hen. Noem het liefde in tijden van Corona.

We mogen hopen dat we hier (na een diepe recessie) Trumploos uitkomen, met meer waardering voor zorgmedewerkers, leraren, kunstenaars, de natuur etc. In de tussentijd moeten we maar dicht tegen diegenen aankruipen, die we toch wel zouden aansteken.

Verhaaltje

“Het hoeft niet altijd goed af te lopen hè,” schreef een redacteur laatst in haar commentaar. Het was een goede redacteur, want ze betrapte me op iets dat me zelf ook al was opgevallen, maar waarvan ik hoopte dat niemand het nog doorhad. Wat dat betreft is een goede redacteur net een goede psycholoog.

Natuurlijk is een schrijver niets zonder lezers (hoi, dank, welkom terug), maar uiteindelijk is alles wat ik schrijf een soort brief aan mezelf. Een manier om helderheid te vinden, zoals Joan Didion zei. Of was het Zadie Smith? Ach, voor deze stukjes heb ik toch geen redacteur.

Met een goed einde stel ik mezelf gerust. En dat is iets waar ik de laatste jaren extra veel behoefte aan heb. Zeker als ik over het ouderschap schrijf, snak ik ernaar om het rond te maken, om optimistisch af te sluiten.

We besteden allemaal een groot deel van onze dagelijkse energie aan zelfbedrog, aan het overeindhouden van een kloppend verhaaltje. We moeten wel, als de zelfbewuste apen die we zijn: het alternatief is depressie. Er is niets mis met je groothouden, of met een relativerende grap. Maar soms overdrijven we het een beetje, waarop een goede redacteur voelt: dit is onecht. Vaak staat je verhaal dan op barsten.

Het verhaaltje dat ik de laatste tijd vertelde, ging ongeveer zo: “Ik vind het mákkelijker, een tweede kind. Het voelt nu compleet. Natuurlijk is het druk, maar het is overzíchtelijk druk. Bij de eerste verlangde ik terug naar mijn oude leven, nu weet ik: dit is het.”

Het was een goed verhaaltje. Er zat ook veel waarheid in. Maar ik verzweeg dat babygehuil me nog steeds tot waanzin kan drijven. Dat ik soms schrok van mijn woedeuitbarstingen naar onze peuterpuber.

Dat ik laatst alleen thuis was met de kinderen na een lange slopende dag waarop het even niet was gelukt om alle zorgen over onze stijgende huur buiten de deur te houden, toen Frenkie opeens toch nog honger bleek te hebben en begon te krijsen, waarna ik ontdekte dat we alleen nog maar ingevroren melk hadden. Dat Tinus op dat moment besloot om op de woonkamervloer te plassen.

Dat ik kalm probeerde te blijven terwijl ik de ijsmelk in de flesopwarmer deed en Frenkie nóg harder begon te huilen en Ajax met 1-0 achterkwam tegen de meest vreselijke Spaanse schopploeg aller tijden en Tinus vrolijk maar onophoudelijk tegen me kletste terwijl hij eigenlijk naar bed moest. Dat ik op de grond stampte van woede als een machteloos kind.

Dat ik na het langzaamste half uur uit mijn leven eindelijk Frenkie een flesje (ijskoude) melk kon geven en toen uit pure uitputting begon te huilen. Dat op dat moment mijn vriendin thuiskwam, waarop ik nog harder begon te grienen en dingen zei als: “Je mag echt nooit meer weggaan, ik kan dit helemaal niet.”

Dat Tinus stond toe te kijken en toen fijntjes tegen zijn moeder zei: “Papa heeft geen borsten mama. Helaas!”

Hypocriet

De laatste tijd probeer ik te leven volgens de filosofie van de Stoa, door me niet druk te maken over dingen waar ik geen controle over heb. Dat betekent ook weer niet dat je lekker achterover mag leunen – je moet je vol inzetten voor alles waar je wél iets aan kunt doen. Daarom kocht ik een afvalgrijper via Bol.com.

Ik ergerde me al tijden aan het zwerfafval in ons volksbuurtje, met name het plastic natuurlijk, dat het nabijgelegen water in waait en over twintig jaar zal terugkeren in de kibbeling van de viskraam op de hoek, om ons tenslotte allemaal onvruchtbaar te maken. Even overwoog ik om overal campagneposters op te hangen met de slogan “Laat je chipszak niet zomaar vallen, straks zit-ie in je ballen”, maar in plaats daarvan kocht ik de grijper.

Zo wandelde ik dus op een druilerige dag met mijn zoon door ons buurtje, met de grijper en twee vuilniszakken: één voor huisvuil en één voor plastic. Ik dacht dat het een leuk uitje zou zijn (mijn zoon loopt toch ontzettend langzaam), en bevredigend bovendien, maar Tinus had geen zin om plastic te spotten en ik voelde me eigenlijk vooral een sukkel terwijl ik een patatbakje met verregende satésaus uit andermans tuin stond te wurmen.

Toen we bij de huisvuilcontainer aankwamen, bleek deze vol te zijn. Er lag al een hoopje vuilniszakken naast. Ik had spierpijn in mijn hand van het grijpen (een heel specifieke beweging, zo blijkt), Tinus smeekte “Jij mij draaaaaagen”, dus ik legde onze zak er ook bij. Ik breng eerst het plastic weg, dacht ik nog. Op de terugweg was die gedachte al geëvolueerd naar: ik kan er verdomme toch óók niets aan doen dat die container vol zit?

Een week later kregen we een kaartje in de bus waarop vermeld stond dat we we een boete kregen voor verkeerd geplaatst vuilnis. Er zat blijkbaar een envelop met ons adres in die zak. Zoals iedereen met grote woorden en principes ben ik onvermijdelijk hypocriet, een vegetariër met leren schoenen, een klimaatstrijder op vliegvakantie, een Joaquin Phoenix met een milkshake. Maar dit was wel heel ironisch. Ik overwoog om het geldbedrag met mijn grijper bij het gemeentehuis af te geven.

Op het kaartje stond dat we op dinsdag of donderdag tussen 10 en 12 konden bellen als we wilden reageren. Een 06-nummer van de heer Uiterwijk. Ik bestudeerde het handschrift van dit ingevulde deel. Streng en priegelig, als van een oude man. Nu moest ik wel bellen.

“Goedemiddag, Jens Uiterwijk, Gemeente Amsterdam.” “Goedemiddag, ik bel over de boete voor het huisvuil. Ik ben het er op zich mee eens hoor, maar ik moet zeggen dat het wel erg ironisch is…” Ik vertelde het verhaal, maar al snel besefte ik dat ambtenaren en ironie een ongelukkige combinatie zijn.

“De container was inderdaad vol meneer, maar in ons onderzoek hebben wij geconstateerd dat er binnen 150 meter nog een lege container stond,” was zijn lauwe reactie op mijn hilarische anekdote. “Snap ik, maar ik heb dus speciáál een grijper…” “Mag ik misschien meteen een documentnummer noteren voor het proces-verbaal? De boete bedraagt 95 euro.” “95?!” “Ja meneer, ik bepaal die bedragen niet helaas.” “Jezus.” “Wilt u een verklaring geven?” “Dat heb ik u net verteld.” “Kunt u het misschien herhalen? Dan noteer ik het als officiële verklaring.” Ik had net zo goed met de vuilniscontainer zelf in gesprek kunnen gaan.

“Heeft u nog vragen?” zei hij tenslotte. “Hoe reageren de meeste mensen als ze bellen?” vroeg ik oprecht nieuwsgierig. “Tja, ze worden kwaad. En meestal geven ze anderen de schuld.”

Kon ik dat ook maar, dacht ik, anderen de schuld geven. Maar dat mag niet van de Stoa.

Poep

In de buurtboerderij waar we met mijn broer hebben afgesproken, blijkt een harp-concert bezig te zijn, waardoor we met onze peuter en baby buiten moeten wachten (harp-concerten en kinderen zijn een slechte combinatie). Mijn broer appt dat hij later komt – zijn zoontje is pas net wakker uit zijn dutje. We willen er pissig over worden, maar we kunnen ons zijn situatie te goed voorstellen.

Het begint donker te worden. “Waar zijn de dieren mama?” vraagt de peuter. We hadden hem dieren beloofd. “Kijk daar!” roep ik. Er glipt een enorme rat uit een vuilnisbak. Mijn zoontje mist hem net, maar is toch tevreden: “Er was daar een rát mama!”

Als het harp-concert eindelijk klaar is, bestellen we snel thee om op te warmen. Nadat de drankjes zijn gearriveerd vragen we om menu’s. “Ah nee sorry,” zegt de barvrouw, “vanavond hebben we geen eten. En we gaan ook zo dicht.”

Mijn broer stelt een ander restaurant voor. “Dan moeten we nú gaan,” zeg ik met een blik op de klok, waarna ik mijn bek brand aan mijn dampende muntthee. We laden vlug alles en iedereen weer in de auto. De baby huilt bij elk stoplicht, en is stil als we weer rijden.

In het café-restaurant spot ik de ene BN’er na de andere. Er loopt zelfs een acteur uit mijn favoriete serie Succession langs. Maar mijn broer heeft een hoek in een iets rommeliger familie-deel geclaimd, waar we zonder schaamte met onze troep kunnen neerzijgen.

Ik ben sowieso de schaamte voorbij. Vroeger vond ik mensen met kinderen asociaal als ze een ruimte overnamen met hun rommel en lawaai, nu begrijp ik: je moet wel. Kinderen spelen nu eenmaal met autootjes die van tafel flikkeren. Natuurlijk corrigeer je ze, maar dat heeft zijn beperkingen. Ik voel de blikken van de andere restaurantgangers, en denk: tja, zo zijn we.

Halverwege mijn hamburger zegt mijn zoon verschrikt: “Poep.” Ik sta als eerste op.

Tinus wil niet op de uitklapbare verschoontafel liggen, dus blijft hij staan terwijl ik zijn tuinbroek naar beneden trek. Ik slik. Een zee van diarree is langs zijn benen gelopen. “Oké,” zucht ik, “dat is oké.” Er moeten nu pijlsnelle beslissingen genomen worden. “Die broek kunnen we opgeven,” mompel ik. Hij knikt. Maar dan moet hij gaan zitten, en daarvoor moeten eerst zijn billen schoon zijn. Operatie-Stronthoop gaat van start.

Ik hoor opgewonden vrouwenstemmen aan de andere kant van de deur, moeders die ook hun kinderen willen verschonen, dus ik zeg op luide toon: “Jeetje wat een diarree! Dit gaat nog wel even duren zeg!”

Nu moet ik de wasbare luier in de wc uitspoelen. Intussen is mijn zoon met zijn poepvoeten over het verschoonkussen aan het paraderen. “Niet bewegen!” roep ik over mijn schouder. Ik gebruik een halve wc-rol om alles af te vegen: luier, broek, zoon, wc en het verschoonkussen, dat helemaal onder zit. Ik trek wel acht keer door en was mijn handen zestien keer. “Heel veel poep papa,” zegt mijn zoon. We moeten er samen om lachen.

Even later loopt hij slechts gekleed in een rompertje en schoenen parmantig door het chique restaurant. Een ouder stel kijkt hoofdschuddend toe.

Mijn vriendin schiet in de lach als ze ons ziet. Zodra ik weer aan mijn hamburger wil beginnen, zie ik dat mijn trui op buikhoogte nog onder de poep-korrels zit. 

We rijden door het donker naar huis, sommigen met broek, anderen zonder. Het was zwaar, maar het is gelukt, en nog zonder irritaties ook. En ik kan je zeggen: ook al stinkt alles naar kak, er is geen bevredigender gevoel dan dat.

Snor

“De populairste scholen zijn er niet,” fluistert een andere vader. We staan op de scholenmarkt; zoals verwacht is het er ontzettend druk. Noord barst van de kinderen, de jaarlijkse basisschool-loting schijnt een grote soap te zijn.
Toch lukt het me niet om het serieus te nemen. Thuis zeiden mijn vriendin en ik al tegen elkaar dat we naar een ‘partnerruil-markt’ gingen, waar alle ouders vooral naar elkaar kijken. “We nemen gewoon de school waar de knapste mensen staan, oké?”
En inderdaad, nu staan we vooral met andere (knappe) ouders te praten. De vader tegenover me is een acteur met een snor, die ik meteen mag. Zodra ik doorheb dat hij het ouderschap net zo ironisch benadert als ik, haal ik opgelucht adem. Mijn beste vrienden zijn allemaal kinderloos; ik snak naar iemand met wie ik grappen kan maken over de hand-mond-voetziekte.
“Jezus, die school geeft Engels vanaf groep 1!” zeg ik, wijzend naar een kraampje. “Ja, die moeten wel, ze zitten heel ver weg,” verklaart de acteur. Hij laat me een kaart met de 34 scholen zien.
Hij wijst op een stipje niet ver van ons huis: “Daar zitten de kinderen van Marjolijn van Heemstra. Schijnt een leuke, diverse plek te zijn.” “Natuurlijk, als Marjolijn haar kinderen daar heeft…” De acteur kijkt me speels, bijna flirty aan terwijl hij quasi-serieus knikt: “De basisschool van Marjolijn van Heemstra: dáár wil je je kinderen hebben.”
Dan laat hij me alleen. “De tiger dad komt in me los,” zegt hij gespannen.
Mijn vriendin en ik duiken er ook in en raken aan de praat met een juf van de school bij ons om de hoek – met een slechte reputatie, zo weten we. Haar glimlach grenst aan het wanhopige terwijl ze haar optimistische verhaal afratelt, en wij al weten dat we een andere keuze zullen maken.
Naast de juf staat een directrice van een snel groeiende school. Het is alsof iemand een plaatje van een basisschooldirecteur uit een kinderboek heeft geknipt: piekfijne krullenbos, grote bril, stevige houding. “Onze zoon is pas twee, dus dit voelt erg vreemd,” bekent mijn vriendin. “U krijgt een brief waar alles in staat,” zegt de directrice. “Staat er ook in wie we allemaal moeten omkopen?” vraag ik. “Ja,” antwoordt ze met een glazige blik. Het duurt drie seconden voor ze toch in de lach schiet.
Aan het eind van de krappe gang staat de acteur samen met een stel andere ouders de Montessorischool-directrice te ondervragen. “Bieden jullie continuïteit voor de klas?” vraagt hij, terwijl hij naar mij knipoogt. Ze zucht. “Dat is moeilijk in deze tijd. Ik kan niets garanderen.”
Opeens is daar de realiteit: terwijl er talloze ouders langskomen om scholen te shoppen, zijn er niet genoeg mensen die zélf voor de klas willen staan.
Als de markt wordt opgedoekt, hebben we nog geen keuze gemaakt. Op weg naar de uitgang zegt de acteur: ” Misschien kunnen we een keer met onze zoons naar een zandbak ofzo?” Ik probeer niet te gretig te klinken als ik zeg: “Ja, leuk.”