Een dag met de kinderen

Mijn probleem is niet dat ik een slechte intuïtie heb, maar dat ik een goede intuïtie heb waar ik vaak niet naar luister. Het begon ‘s ochtends al, toen ik mijn lievelingstrui uit de kast trok en ergens vaag in mijn achterhoofd klonk: ‘Doe maar niet, je hebt een dag met de kinderen.’ Ik trok de trui alsnog aan en compenseerde hem met een joggingbroek.

De oudste was gelukkig in een uitstekende stemming, wat alles makkelijker maakt, maar wat er ook voor zorgt dat hij non-stop peuterpraat, wat alles weer wat moeilijker maakt. Hoe dan ook reageerde hij verrassend positief op mijn voorstel om naarbuiten te gaan.

‘Naarbuiten gaan’ klinkt bedrieglijk simpel als er kinderen bij betrokken zijn. ‘Zul je zien dat zij net gepoept heeft’, dacht ik over de jongste, maar ik negeerde die gedachte tot de geur onontkoombaar was. ‘Wacht hier,’ zei ik tegen mijn zoon en rende naarboven met mijn gore, gore dochter, die intussen grijnzend kwijl, snot en banaan over mijn trui smeerde.

Het was veel poep. Heel. Veel. Poep. En ook nog het soort poep dat grotendeels uit poepballetjes bestaat, waardoor je het niet echt kunt afvegen, maar meer moet verzamelen op je wc-papiertje, terwijl je uit alle macht probeert te voorkomen dat er poepballetjes van de verschoontafel in je broekzakken rollen en je natuurlijk stampvoetjes uit het rampgebied moet houden en oh nee hè het zit ook helemaal op haar rug. ‘Papaaaaa?’ ‘EVEN WACHTEN TINUS!’ riep ik zwetend terwijl mijn dochter begon te krijsen. ‘Ik kom je helpen papa!’ ‘Niet doen! Blijf daar!’ Even later stond hij voor me, poedelnaakt.

Toen de schade was hersteld en mijn rugzak was volgepropt met álle dino’s, moest Tinus nog plassen, waarop hij halverwege kreunde ‘Het is… ook… poep… papa’. Hij dreigde woedend te worden als Frenkie en ik alvast naar beneden zouden gaan, dus stonden we daar maar te kijken naar hoe hij zat te poepen. Waarmee ik bedoel dat ík stond terwijl Frenkie door mij werd gedragen, natuurlijk.

Na het afvegen en het onderwijl voorkomen dat Frenkie in de wc-pot zou klimmen, sprintte Tinus de woonkamer weer in om een enorme Brachiosaurus te halen. ‘Die past echt niet meer,’ zuchtte ik. Waarna hij op die lief-dwingende manier van hem zei: ‘Dan draag ik hem, oké papa?’

Op de fiets bleek dat het inderdaad nét iets te koud was zonder jas, zoals ik al had vermoed. De Brachiosaurus viel maar één keer, wat ruimschoots werd gecompenseerd door de iets te grote schoentjes van mijn dochter, die elke honderd meter een vluchtpoging waagden. Onderweg passeerden we zeventien cafés waarvan ik dacht: ‘Hier zou ik nu broodjes moeten halen’, waarna ik toch doorreed.

Intussen praatte Tinus aan één stuk door, zonder dat ik luisterde naar wat hij precies zei – ik reageerde gewoon met ‘ja’ op alles wat als een vraag klonk en met ‘nee inderdaad’ op ‘nee toch papa?’. In gesprek met mijn zoon ben ik soms een algoritme, dat precies de juiste antwoorden geeft terwijl het totaal blind is voor de inhoud.

In het park was er gelukkig ook een café. Nadat ik de loodzware kinderen uit hun zitjes op de half omvallende fiets had gehesen, bleek dat café gesloten te zijn. Mijn zoon plaste in de bosjes en deed dat uitstekend, het ging maar een béétje over zijn broek heen. Zijn zusje at intussen twee blaadjes en een takje waar zeker zes soort AIDS op zaten. Kortom, we begonnen honger te krijgen, en het voorkomen van honger is toch zo’n beetje je belangrijkste taak op zo’n dag.

Op Google Maps zag ik dat de dichtstbijzijnde bakker op 200 meter lag, een reusachtige afstand met twee kleine kinderen in een grote stad, dus hees ik die twee donderstenen van honderd kilo weer húp de fiets op en reed naar de ecologisch-veganistische bakker – we waren immers in een yupperig deel van de stad beland.

Tussen alle rijke, hippe mensen in de rij voor de bakker besefte ik opeens hoe goor we er alledrie uitzagen, maar dat zorgde ook voor een bepaalde trots. Frenkie kroop over de vloer terwijl Tinus de vrouw van de bakkerij over zijn Brachiosaurus vertelde en dat tafereel zorgde er misschien wel voor dat ik de gedachte ‘Geen koffie nemen – die kun je niet dragen!’ overrulde met de uitspraak ‘En nog een grote cappuccino met havermelk alstublieft’.

Ik propte ontspannen de zak met croissantjes en pizzabroodjes tussen de dino’s in mijn rugzak en plaatste de koffiebeker heel voorzichtig in één van mijn zijvakjes. Moet lukken, dacht ik, gewoon zorgen dat-ie rechtop blijft. Dat besef zorgde ervoor dat ik met een soort overdreven squat-beweging – rug recht, billen achteruit gestoken – hurkte om Frenkie op te tillen. Toen ik overeind kwam voelde ik hoe het warme vocht zich over mijn rug en bovenbeen verspreidde.

De koffie was door de kracht van mijn squat geëxplodeerd, zag ik toen ik mijn rugzak afdeed. Ik zat helemaal onder. “Dat heeft die dinosaurus zeker gedaan?” zei de ballerige man die na mij aan de beurt was, maar ik zei: “Nee hoor, ik was het”, omdat ik niet zo’n laffe lul ben die altijd anderen de schuld geeft. Toen we weggingen zei hij ook nog: “Sterkte hè”, wat ik altijd de meest denigrerende vorm van medeleven vind.

Ik had ook geen sterkte nodig, in het park speelde Tinus geen seconde met zijn dino’s en ze hadden ook schijt aan het mooie picknickkleed dat ik had meegenomen waardoor al snel alles en iedereen onder de modder zat, maar op dat moment had mijn intuïtie het allang opgegeven, ik had me overgeven aan de Roald Dahl-achtige goorheid van mijn trui en hun monden, ik was één geworden met de situatie en mijn beresterke kinderen, die kraaiden van plezier tijdens het stoeien.

Na zeven weken hard werken lukte het me eindelijk weer om helemaal met hen te zijn zonder met een half oog mijn e-mail te checken, en daarmee ontstond er ook weer een beetje ruimte in mijn hoofd voor ideetjes, voor dit stukje, en ik wilde dat het nooit zou ophouden, maar toen moest ik plassen en de jongste moest slapen en dus denderde ons treintje weer voort, naar huis, naar de douche en de wasmachine, zodat het morgen allemaal weer opnieuw naar de gallemiezen kon gaan.

Laat je redden

Op Kerstavond kwam een goede vriend bij ons eten. Het was voor veel mensen een klotejaar, maar ik kan met enige zekerheid stellen – zonder in details te treden – dat zijn jaar zeker drie keer zo klote was. Drieënhalf keer, misschien wel.

Het was fijn om hem bij ons te hebben. Hij laat zich altijd graag bedelven door onze kinderen. Tegelijk was het vreemd: terwijl hij zijn kerstmaal naarbinnen schrokte als de hongerige leeuw uit het gelijknamige Gouden Boekje, besefte ik dat dat hij waarschijnlijk niet aan tafel had gezeten als het beter met hem was gegaan.

Ik wilde hem altijd dichtbij hebben, maar dat lukte pas toen hij aan de grond zat. Zoals mijn vriendin zich ook pas laat verzorgen als ze 40 graden koorts heeft. (Ik hou het meest van mijn vriendin als ze 40 graden koorts heeft.)

Op de middelbare school vormden mijn vrienden en ik een nieuw soort familie, maar toen die dagelijkse verplichting wegviel, werd het contact ook snel minder. Ik begreep daar niets van: half opgevoed door Friends-video’s was ik ervan uit gegaan dat we elkaar de rest van onze levens zouden treffen op de bank van onze favoriete koffiezaak, of gewoon bij Monica thuis.

Die frustratie kwam deels voort uit egoïsme: ik wilde dat mijn vrienden stante pede klaarstonden om de film te kijken die ik nog wilde zien. Ik stond nauwelijks open voor nieuwe mensen; dan was ik liever alleen. En ja, ik val blijkbaar op individualisten: mijn vrienden nemen weinig initiatief en leken minder behoefte te hebben aan ‘het complete groepje’. Ik moest het accepteren.

Nu ik zelf een gezin heb denk ik echter: fok die shit. Nu hecht ik pas echt waarde aan bezoek, hulp, kaartjes, samen eten, je verhaal kwijt kunnen, dagelijks contact (en alleen zijn, oh god alleen zijn).

Het klinkt mooi als je over een vriend zegt: “Wij kunnen elkaar een jaar niet spreken en dan zit het nog steeds goed”, maar het is bullshit. Na een lange radiostilte moet je eerst door vele lagen van oppervlakkigheden wroeten voor je het écht ergens over kunt hebben. En dan is het alweer tijd om te gaan.

Een vriend vertelde me eens hoe hij een andere vriend had verteld dat het een tijdje niet goed met hem ging. Die jongen had woedend geroepen: “Waarom heb je me niet gebeld?!” Hij vond dat hem iets was ontzegd: de kans om te helpen.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we deels zo zijn geworden door de red-jezelf-mentaliteit die de VVD al decennia aan ons opdringt. We begraven onszelf met werk en afleiding en trekken ons steeds verder terug in ons schuldgevoel. Achteraf, als het weer beter gaat, vertellen we over onze depressie.

Dit was het jaar van afstand en nabijheid, begrippen die nieuwe betekenis kregen. Je verzetten tegen dat nieuwe normaal is stompzinnig, maar tegelijk moeten we het vuurtje in onszelf brandend houden en onze wereldjes niet te erg laten slinken. Contact houden als het slecht gaat – of beter nog, daarvoor al.

Onverschrokken

Maak je klaar wereld, mijn dochter komt eraan. “Ze is nergens bang voor hè?” zegt de leidster als ik haar kom halen, en het is waar: ze grijpt met een schrikbarende kracht borden van tafel en werpt zich vol overtuiging van de bank. Ik kan even wild met haar stoeien als met haar twee jaar oudere broer; elke nekhap beantwoordt ze direct met een trefzekere tegenaanval.

Ze kruipt pijlsnel door de kamer en trekt zich stevig en trots aan alles op. Ze beukt door muren heen, nog net niet letterlijk. En dat komt allemaal samen in dat verbeten bekkie van haar, in die onverschrokken blik waarmee ze zo gúlzig de wereld in kijkt. Die grijsgroene pretoogjes. Dat is Frenkie. Godverdomme.

Vaak lijkt het alsof ze haar geluk niet op kan dat ze nu juist in óns groepje terecht is gekomen. Dan kijkt ze ons stuk voor stuk flirtend aan, kruipt naar ons toe om ons liefdevol in ons gezicht te slaan. Toch kan niemand tippen aan haar grote broer, die ze onderaan de trap onthaalt met de extatische gilletjes van een Beatle-fan.

Ik vermoed dat ze zo wild is doordat ze deels door hem wordt opgevoed, dat ze denkt dat een kronkelende, grappende en bij vlagen woedende peuter de standaard is waaraan ze moet voldoen. Zij krijgt geen rustig huis met aarzelende ouders om in op te groeien, en soms voel ik me daar schuldig over. Op de leeftijd dat hij zijn eerste woordjes sprak, maakt zij dinosaurusgeluiden.

De keerzijde is bovendien dat haar woede net zo grenzeloos als haar levenslust is, of misschien is dat wel hetzelfde. Voor ze kon kruipen lag ze maandenlang op de grond te spartelen, ziédend dat ze niet vooruit kwam. Ze gilt oorverdovend hard als ze uit haar stoel wil. En dan zijn er nog de nachten. ‘s Nachts verandert ze in een duivelskind.

Als tiener was ik verslaafd aan het computerspel Max Payne, waarin een rechercheur wraak neemt voor de moord op zijn jonge gezin. Een van de levels was een nachtmerrie waarbij je door een hallucinant bloed-doolhof de uitgang moest vinden, terwijl op de achtergrond constant babygehuil klonk. Ik werd helemaal gek.

Het afgelopen half jaar voelde alsof ik weer in dat Max Payne-level vastzat, ‘s nachts half gehypnotiseerd wanhopig op zoek naar een uitgang, terwijl op de achtergrond een baby krijste met alle woede die ze in zich had. Ik geloof niet dat in de geschiedenis van de mensheid een baby zo intens hard heeft gehuild als Frenkie. Troosten maakt het soms alleen maar erger.

We zijn ermee bezig, we komen er wel uit. Met dat soort praktische zaken zal ik je niet vervelen. Het vreemdste is bovendien dat die nachten een grote bron van zorg zijn, terwijl ze tegelijk al mijn zorgen over mijn dochter wegnemen. Ze zal zich niet laten temmen, door niemand niet. Dus berg je maar. Frenkie komt eraan.

Schaafwond

“Gaat ik vandaag naar de opvang?” vraagt m’n zoon als hij mijn vriendin en mij hoort overleggen over wie hem gaat brengen en wie hem gaat halen. “Ja schat,” zeg ik zo luchtig mogelijk, maar BAM, daar barst de bom al: “IK WIL NIET NAAR DE OPVANG!” huilt hij, het hoofd dramatisch in de nek geworpen.

Het leven met een agenda kan je soms de adem benemen, maar het moet ook niet makkelijk zijn als elke dag je overkómt. Maar wat we ook proberen – ‘s ochtends al vertellen, niet vertellen, hem meelokken met speelgoed, het ‘speelparadijs’ in plaats van ‘opvang’ noemen – meestal wil hij niet.

Als ik hem na een lange worsteling bij de opvang aflever, klampt hij zich aan me vast en krijst: “IK WIL BIJ JOU BLIJVEN PAPA!” Het is vreselijk. Maar terwijl ik wegfiets klamp ik me zelf vast aan wat een bevriende moeder ooit tegen me zei: “Soms hebben ze een kutdag. Tja. Dat heb ik ook weleens.”

Het is een van de vele paradoxen van het ouderschap: je moet vanaf dag 1 beginnen met loslaten. Anders leren ze nooit hoe het is om een kutdag door te komen; een essentiële skill.

Dat loslaten is wel een dingetje onder de jonge ouders van mijn therapiegeneratie, hyperbewust van alle mogelijke trauma’s die we onze kinderen kunnen aandoen – ook omdat we ze graag neerzetten als de hyperspeciale personages van ons levensverhaal. Een bekend fenomeen is de ‘zandbakpolitie’, waarbij ouders vanaf een paar meter toekijken of de kinderen wel eerlijk met elkaar spelen, terwijl we ongemakkelijk naar elkaar glimlachen.

Sarah Sylbing van de docu-serie Klassen (sowieso een must-see) zei in de Volkskrant: “De ouders van kansrijke kinderen moeten eens een beetje gaan chillen. Niet steeds alles op alles zetten, maar gewoon, een beetje vertrouwen hebben dat het wel goed komt met je kind.”

Ik merk het nu al tijdens bezichtigingen van basisscholen, waar overspannen ouders het liefst hoogstpersoonlijk de rode loper voor hun kind zouden uitrollen. “Vraagje: hebben jullie ook een speciaal lunchprogramma voor hele knappe en gevoelige kinderen die waarschijnlijk hoogbegaafd zijn?”

Vertrouwen. Ik moet vaak denken aan de aflevering van This American Life over een blinde man die zichzelf met een systeem van klikjes had leren ‘zien’. Hij kon zelfs fietsen. Nu leerde hij slechtziende kinderen om op die manier zelfstandiger te worden, maar hij merkte dat de ouders daarbij steeds nét te vroeg ingrepen. Zo bleven die kinderen gevangen in hun afhankelijkheid.

Daarna vertelde presentator Ira Glass over een onderzoek waaruit bleek dat Amerikaanse kinderen sinds de jaren ’50 steeds minder ver in de buurt mogen spelen, terwijl de omgeving juist steeds veiliger is geworden.

Laatst probeerde ik het. Mijn zoon slingerde op zijn loopfiets over een hoog bospad, wat me telkens een angstscheut bezorgde. Maar toen besloot ik hem te vertrouwen. Het werkte: hij viel maar één keer, en hij was supertrots op zijn schaafwond.

Bluetooth-verbinding

Ik fietste in volle vaart naar de pont toen Nick Cave plotseling stopte met zingen. In een paar nanoseconden ging ik alle mogelijke oorzaken na, terwijl mijn handen al in lichte paniek mijn zakken aftastten. En ja hoor: de Bluetooth-verbinding tussen mijn koptelefoon en mijn telefoon was verbroken, wat betekende dat ik het ding honderden meters terug had laten vallen.

Terwijl ik terugfietste bedacht ik koortsachtig dat ik mijn tweedehands telefoon al twee jaar bezat, waardoor de schade meeviel, maar aan de andere kant had ik nul zin om weer dagenlang telefoons te vergelijken op tech-blogs en over verzendkosten te onderhandelen met Marktplaats-idioten.

Elke persoon die ik passeerde was een potentiële verdachte, of een potentiële medestander – ik probeerde overdreven zoekend naar de grond te turen, om duidelijk te maken dat ik die sukkel was die net zijn telefoon uit zijn zak had laten glijden terwijl hij gehaast zijn handschoenen pakte, omdat hij te laat was voor een afspraak en helemaal gegrepen was door Nick Cave’s ‘Today’s Lesson’.

Maar niemand sprak me aan, mensen keken slechts geïrriteerd terug, wat ze alleen maar verdachter maakte. Mijn route liep dwars door een louche deel van de wijk.

Ik kwam weer bij mijn huis aan, wetende dat mijn telefoon daar niet kon liggen, zo ver ging mijn Bluetooth-bereik niet, maar het was de laatste plek waar ik hem had gezien, en daar moet je beginnen met zoeken volgens mijn moeder. Ik besloot om nog één keer goed onder alle auto’s te kijken.

Halverwege was een stratenmaker bezig in een zandkuil. Hij zat onder de jeugdpuistjes, maar had tegelijk een onmiskenbare volwassenheid in zijn ogen. Ik vroeg hem of hij iets had gezien. Hij stak kalm een sigaret op en zei: “Ja, er liep hier net een vrouw met een telefoon. Ze had een paars moslim-ding aan. Ze ging dat hotel in.” Hij wees naar het kleine buurthotel. Ik bedankte hem en ging naarbinnen.

De hotelmanager, een kleine, droge man, bevestigde dat er een paarsgeklede dame was binnengekomen. “Kunnen we bij haar kamer aankloppen?” Hij aarzelde even, maar knikte toen.

Onderweg naarboven zei hij op de toon van een teleurgestelde vader: “Als zij hem heeft gevonden, had ze hem bij mij moeten afleveren. Zo hoort dat. Dit is niet goed.” Op de bovenste verdieping van het versleten hotelletje klopte hij op een deur. “Soraya?” zei hij.

De deur ging open met het kettingslot er nog op, als in een film over drugsmisdaad. Twee grote ogen staarden ons aan. Toen de deur volledig open ging zag ik twee magere vrouwen, waarvan de voorste een paarse djellaba droeg. De kamer was een zooi, het rook naar wiet en andere geuren die ik niet kon thuisbrengen. De andere vrouw was met mijn telefoon bezig. Het hoesje was er al af, zag ik.

Ik wees ernaar en zei vlug: “Dat is mijn telefoon.” “Oh!” riep Soraya verschrikt. “Is die van jou!” De tweede vrouw voegde eraan toe: “We waren al aan het wachten tot iemand zou bellen!” Ze drukte hem snel samen met hoesje in mijn hand. “Nou fijn dat het goedgekomen is!” zei Soraya voor ze de deur dichtdeed. De hotelmanager sloeg dit alles emotieloos gade.

Eenmaal buiten liep ik naar de stratenmaker. “Wat is je merk?” vroeg ik. “Marlboro,” zei hij. Ik kocht een pakje Marlboro bij de sigarenboer en gooide het naar hem vanaf de straat – misschien wel het coolste wat ik ooit heb gedaan. “Je hebt me gered man,” zei ik. Hij knikte slechts.

Even later stond ik hevig bezweet op de pont terwijl Nick Cave de draad weer oppakte. Meer heb ik er niet over te zeggen.

Loslaten: Part II

Ik zat bovenin het cafeetje in mijn oude buurt, waar ik altijd een broodje kaas en een zwarte koffie bestelde. Thuis imiteer ik dat broodje nog weleens: een snee Hartog-brood, twee lagen kaas, beetje olijfolie en paar korrels zout – perfect. Het is het cafeetje waar je alles – de stoelen, lampen en kapstokken – kunt kopen, maar anders dan bij andere hippe conceptzaakjes hangt hier een oprechte sfeer.

Eerst was er de onrust. Het kon toch niet zo zijn dat ik nu echt niets te doen had? Dat ik gewoon zonder schuldgevoel in een cafeetje kon zitten? Na maanden van korte dramatische nachten en dagen vol lawaai en verontrustende berichten klonk er nu opeens alleen zachtjes Cesária Évora op de achtergrond. Hoorde ik daar een baby huilen? Nee, dat geluidje hoorde bij de muziek.

Mijn eerste impuls was: kopen. Als ik niet kon werken of verzorgen, dan maar consumeren. Ik stond op om cadeautjes voor mijn gezin uit te zoeken – iets wat ik me acht jaar geleden niet had kunnen voorstellen, en me zeker niet kon veroorloven. Een puzzel, een rubberen olifant, een Roaring Twenties-jurkje voor mijn vriendin (gokje).

Toen ik dan toch ging zitten en mijn boek opende, gebeurde het. De muziek, het uitzicht over het fijne café onder me, het ontbreken van een volgende stap: de spanning gleed van me af. Een vreemd vibrerend gevoel in mijn gezicht en nek, dat langzaam over de rest van mijn lichaam trok. Ontlading, maar dan gewoon door diep te ademen. Een bijna mystieke ervaring.

Ik herinnerde me opeens dat ik hier ook zat toen ik dat gevoel voor het eerst bewust meemaakte, exact op deze plek, hoewel waarschijnlijk op een andere stoel omdat die dus steeds verkocht worden. Acht jaar geleden ging het ook niet goed met me – blablabla burnout – maar tegelijkertijd beter dan ooit. Dat gaat soms samen. It was the best of times, it was the worst of times, zoals Charles Dickens schreef in een boek dat ik niet gelezen heb.

Erkennen dat het slecht met je gaat, geeft gek genoeg een goed gevoel. Vaak krijg je daarna ook nog hulp en nieuwe inzichten, wat toch een beetje de crème de la crème van het leven is. Destijds ontdekte ik dat ik een lichaam had dat ik niet liefdeloos met me mee kon blijven slepen. Dat ik constant gespannen was, maar dat ik dat ook gewoon kon loslaten. Vibraties in je gezicht en je nek. Zo simpel als een broodje kaas eigenlijk.

Ik weet nog niet zo goed wat ik nu geleerd heb. Dat ik meer aan kan dan ik dacht, misschien. Dat ik soms gewoon mijn verantwoordelijkheid moet nemen en moet doorgaan. Maar dat ik ook mijn gevoel kan vertrouwen. Misschien.

Hoe dan ook was het een tijd waarin ik om half drie ‘s nachts als een dier tegen de muur schreeuwde, waarin ik doodsbang was voor wat er allemaal om me heen gebeurde, maar tussen dat lawaai door waardeerde ik het leven ook meer dan ooit.
Dus las ik mijn boek en dronk mijn koffie. Alles was goed – voor nu.

Croissantjes

Omdat we in de speeltuin te lang hebben gewacht tot een ander kindje klaar was met het brommer-fietsje, hebben Tinus en ik honger. We gaan croissantjes halen, dat hoort bij onze uitjes, maar ik moet eigenlijk ook nog even langs de huisarts, en dat ligt op de route. Mijn honger naar efficiëntie wint het van de echte honger.

Ik heb geen zin om Tinus helemaal uit het kinderzitje te halen, dus zet ik de fiets op slot tegen het lage muurtje bij de ingang van de praktijk, test de stevigheid van de constructie en zeg: “Niet bewegen oké? Ik ben zo terug.” Hij knikt.

De assistente kan mijn formulier niet meteen vinden en vervolgens kan ze de instructies van de arts niet lezen. Ik begin toch zenuwachtig te worden over de opzet buiten, maar als ik een vlugge blik door het raam werp, zie ik Tinus rustig achterop de fiets zitten.

“Papa,” zegt hij stralend als ik weer naarbuiten loop, “ik ging niet bewegen!” “Ik zag het, zó goed schat.” “Ik ging even naar de bloemetjes kijken.” Hij wijst op een stel paarse bloemetjes in een perkje.

Perkje.

Verderop, bij de ingang van een andere zorgpraktijk, staat een vrouw met rood haar en een bril. Ze rookt een sigaret, een handeling die perfect past bij de vuile blik die ze op me gericht houdt. Naast haar staat een meisje van een jaar of elf.

Als we langs hen fietsen, smiespelt de vrouw iets naar het meisje. Het is zo overduidelijk, zo passief-agressief, dat ik stop en roep: “Wilt u soms iets tegen mij zeggen?”

De vrouw steekt direct van wal: “Je laat je kind daar toch niet zo achter!” “U hebt geen idee waar u het over heeft mevrouw,” zeg ik met een lachje. “Nee ja tuurlijk! Jij bent een slechte vader!” “Heel goed, reageer uw persoonlijke frustraties maar op mij af!” roep ik.

Ik besef meteen dat ik het weer eens veel te groot maak, dat ik dingen probeer te roepen die haar hele denken zouden moeten omgooien. En ik besef ook dat dit het tweede stukje in korte tijd is waarin ik naar iemand sta te schreeuwen.

Dat ‘slechte vader’ raakte me natuurlijk. Het is een grote angst. Bovendien nam ik wel degelijk een risico, en die spanning zit nog steeds in me, naast de honger en het slaaptekort. Het is een drukte van jewelste in mijn hoofd en mijn buik. Er moet iets uit. Dat geldt waarschijnlijk ook voor haar. Twee overvolle mensen schreeuwen naar elkaar.

“Jij zou geen kinderen mogen hebben!” roept ze. “Jaja, lekker van een afstandje oordelen over anderen, dat is een goede levenshouding!” “Iemand had hem zo kunnen meepakken!” “Noord is veiliger dan u denkt mevrouw! U moet een beetje vertrouwen in de medemens!” Nu lacht zij schamper. “Noord is veilig, ha!” “Ja, dingen veranderen…” sputter ik, “en mensen zijn vanbinnen beter dan u denkt!”

“Trut,” mompel ik als ik uiteindelijk doorfiets. “Wat zeg je papa?” “Niks.”

Even later eten we op een bankje onze croissantjes van de supermarkt, die toch echt beduidend minder lekker zijn dan die van de bakker.

Enge jongens

Tinus kan opeens zelf over de touwbrug in de speeltuin lopen. “Kijk wat ik doe papa!” roept hij met een mengeling van trots en verbazing in zijn blik, een blik die ik nu al mis.

Bij de schommels hangt een groepje jongens van een jaar of acht. Ze waren me meteen al opgevallen; een oude reflex. Al van kinds af aan ben ik bang voor dit soort stoere jongens, terwijl ze me tegelijk fascineren. ‘Enge jongens’ noemden we ze in ons dorp. Soms gingen we met een groepje kleinere kinderen bij hun hangplek kijken. Één keer vond ik daar een spijker die rood was gespoten, waarvan ik natuurlijk volhield dat het bloed was.

Twee jongens beginnen elkaar nu te schoppen. Ik ken dit spel maar al te goed: op de middelbare school hoorde ik zelf bij zo’n stoer groepje. We daagden elkaar de hele dag uit, tot eentje te ver ging en een keiharde stomp op zijn arm kreeg – of erger. Je moest constant op je hoede zijn.

Deze jongens trappen elkaar keihard op de bovenbenen. De roodharige verliest (uiteraard) en de ander draait snel zijn arm op zijn rug. Als de verliezer loskomt geeft hij zijn belager nog twee trappen, maar je ziet dat hij vooral tegen zijn eigen tranen vecht. Het lukt hem om niet te huilen.

Tinus heeft niets door. Als de jongens iets roepen, doet hij ze na. “Haaaaaaaa!” echoot hij dan vol bravoure vanuit zijn speeltoren. Verder zit hij nog helemaal in zijn eigen wereld.

Ik help Tinus de glijbaan op, maar ik kijk alleen maar naar de jongens. Ze trappen nu tegen het hekje van de speeltuin. Het geluid van hun getrap overheerst alles. Ze wéten toch dat hier een volwassene staat? Ik begrijp ze, ik ken ze, maar mijn ergernis is groter. Ik wil tegen de roodharige jongen zeggen: vrienden die je zo hard schoppen, zijn niet echt je vrienden.

“HÉ! KAP DAAR EENS MEE!” roep ik uiteindelijk terwijl ik op ze af been. De jongens staan stil. “Straks gaat het kapot, dan rennen kleine kinderen zo de straat op, die worden dan aangereden, en dat is dan óók jullie schuld,” bries ik. Het is veel te heftig, besef ik meteen. In mijn hoofd is een orkaan opgebouwd. Het groepje kijkt me slechts uitdagend aan. “Ga je ergens ánders vervelen,” zeg ik nog vruchteloos voor ik weer wegloop.

Terwijl ik Tinus – nog immer onbezorgd – op de schommel duw, voel ik de spanning van de confrontatie nog nagieren in mijn lijf. “Hoger papa!” zegt mijn zoon. Intussen zijn de jongens me aan het uitdagen: “Ik ben ook een kind meneer, ik ren zo de straat op!” roepen ze. Ik negeer ze met moeite.

Even later besluiten ze verstoppertje te gaan spelen en zijn het inderdaad opeens weer kinderen. Ze zijn mij alweer vergeten terwijl ze giechelend naar hun verstopplekken rennen. “Zullen we ons ook verstoppen papa?” zegt Tinus gretig als een van de jongens weer tot tien telt. “Nee,” zeg ik terwijl ik vlug zijn handje pak, “laten we naar huis gaan.”

Woorden wegen

Een week geleden citeerde Ionica Smeets (die ik hoog heb zitten) een zinnetje uit mijn essay over vaderschap in haar Volkskrant-column: “Lemm probeerde te veranderen en nam steeds meer taken van zijn vriendin over, maar: ‘helemaal fiftyfifty wordt het nooit’.”

Daar baalde ik enorm van. Het was juist een zin die ik had toegevoegd om het verhaal van mijn ‘metamorfose’ te nuanceren, en om aan te geven dat een perfecte fiftyfifty-verdeling een illusie is: daar is het leven veel te rommelig voor. Iedereen heeft andere talenten en voorkeuren, geen enkel stel gaat ‘s avonds aan de keukentafel de uren tegen elkaar zitten afstrepen. Kortom, ik wilde een haalbaar ideaal schetsen, waar andere vaders niet meteen al moedeloos van zouden worden.

De zin was al vaker verkeerd geïnterpreteerd. Ionica gaf op Twitter ook toe dat ze alle informatie gehaast in haar column had moeten proppen, “omdat ik hier thuis dus FOKKING ALLES MOET DOEN”. Herkenbaar. Zo’n column is kort. De dag ook.

Dat is het dus, dacht ik: je moet steeds meer op je woorden passen, terwijl er tegelijk steeds minder tijd en ruimte is om jezelf goed uit te drukken. Je wordt maximaal veroordeeld op de minimale ruimte die je krijgt.

Maar later dacht ik: nee gast, het was gewoon geen goede zin. Het was geen tweet of een column, ik kreeg 3000 woorden de ruimte, een unicum, dus die had ik gewoon zo goed mogelijk moeten gebruiken. Dat lukte bijna. Maar ik had het woordje ‘helemaal’ door ‘perfect’ moeten vervangen. Nu veranderde ik alsnog in de karikatuur van de egocentrische vader. Eigen schuld.

“It’s a sentence problem,” zei schrijver Nana Kwame Adjei-Brenyah in mijn Kopstuk-interview met hem. Ik had hem gevraagd naar de belangrijkste lessen van zijn schrijfmentor George Saunders. Als er iets niet klopt in je schrijven, legde de leergierige Nana uit, dan ligt dat niet aan je innerlijk. Het is altijd een probleem op zins-, soms zelfs op woordniveau. Je bent niet stom, je hebt gewoon het verkeerde woord gekozen. Probeer het nog een keer. Werk harder.

Taal doet ertoe. Het is alles wat we hebben om de wereld vorm te geven. Een wereld waarin mensen zoals Nana nog altijd minder ruimte krijgen om hun stem te laten horen, zoals er zoveel groepen wiens taal we maar al te graag misinterpreteren. Daarom zei hij ook: “Now that I’m holding the mic, I really want to use it in a meaningful way.”

Als je 3000 woorden in een grote krant krijgt, kun je er maar beter voor zorgen dat ze alle 3000 kloppen. En niet na afloop gaan lopen miepen dat je verkeerd begrepen bent.

Buren

“Uitschot zijn jullie. Uitschot!” hoor ik mijn overbuurman Patrick met zijn André Hazes-accent roepen. In reactie daarop klinken de verontwaardigde stemmetjes van drie tienermeisjes – hun straat-accenten trippelen alle kanten op. “Denkt u dat u de baas van deze straat bent ofzo?” “Ja wie denkt u dat u bent?” Ik wil uit het raam kijken, maar dat kan niet omdat ik Frenkie de fles zit te geven.

Als de kinderen in bed liggen, kan ik vlug een blik naar de overkant werpen. Inmiddels heeft zich een grote groep kinderen en volwassenen rond de tuin van ons overbuurmeisje gevormd. Ze zit zelf op de drempel van haar huis met haar handen onder haar kin, sip voor zich uit te kijken. Twee oudere gehoofddoekte vrouwen voeren het woord, maar de stemmen zijn gedempter. Patrick en zijn zus Loes luisteren mee vanuit hun tuin. De tienermeisjes houden zich achter in de groep op, met besmuikte lachjes.

De volgende dag vraag ik Patrick wat er gebeurd was. De meisjes hadden namelijk geen idee: hij is écht de baas van de straat. Zijn huis ligt precies in het midden; vanuit zijn tuinstoel houdt hij alles in de gaten. Maar het is een zachtaardige baas. Zijn motto is: iedereen is lief. Hij heeft ons al talloze keren uit de brand geholpen.

“Oh dat,” zegt hij met een lachje. Het zat zo (hou je vast): ons Ghanees-Nederlandse buurjongetje had mot met een Marokkaans-Nederlands jongetje uit een andere straat, die daarop de moeder van de buurjongen had uitgescholden voor “k-hoer”. Ons Marokkaans-Nederlandse overbuurmeisje, een verlegen type met een bril en een hazenlip, had het jongetje toen omver geduwd. Vervolgens kwamen zijn zus en twee vriendinnen verhaal halen.

“En dat pik ik niet hoor, drie van die grote tegen een kleintje. Tegen óns buurmeisje,” zegt Patrick, een witte man van in de zeventig. “Nou, meteen een grote bek jonge, die drie.” Hij neemt een hijs van zijn sigaret. “Maar ik moet zeggen: die moeder deed het top.” Ter illustratie steekt hij een duim op. De moeder van het jongetje had de boel gede-escaleerd met een groepsgesprek.

Voor Patrick en ons buurmeisje is het volkomen vanzelfsprekend om voor hun buren op te komen. Mij ontroert het. Ze zouden ook voor ons doen, weet ik. En wij voor hen, besef ik.

Waarmee ik niet wil zeggen dat er geen verschillen tussen ons zijn, in privileges of opvattingen, of dat er nooit gedoe onderling is. Het is niet perfect. Maar dit is ons straatje. Hier groeten we elkaar. Hier wónen we.

Tijdens een vliegreis fantaseer ik er soms over dat we zullen neerstorten, maar de crash overleven: hoe zouden we het doen met deze groep? Wie zou de leider zijn? Die man op rij 3 zou direct beginnen met klagen. Die vrouw op rij 8 kan ik vertrouwen, dat voel ik. Wie maakt er vuur? Hoe lang zouden we het volhouden met elkaar?

Maar over mijn straat hoef ik niet te fantaseren. Als hier ooit de pleuris uitbreekt, zitten we sowieso goed.

Wrap met saus

Onlangs las ik het boek ’12 Rules for Life’ van de nieuwrechtse psycholoog Jordan Peterson, omdat ik weleens wilde weten wat de andere kant te zeggen had. Het bleek een redelijk, conservatief betoog met verrassend veel wijsheid (tot hij in regel 11 toch losgaat tegen de ‘doorgeslagen feminisering’, maar dat is een ander verhaal).

Ik werd met name geraakt door regel 5: “Do not make your children do anything that makes you dislike them”. Volgens Peterson moet je je kinderen voorbereiden op een keiharde sociale wereld. Als ze zich ontwikkelen tot bazige, egocentrische mensen, dan wil niemand bevriend met ze zijn: “De wereld zal dan het vuile opvoedwerk voor je opknappen – en die is veel harder dan jij.”

Daar moet ik aan denken als mijn zoon met een uitdagende blik aan het randje van zijn tortillawrap zit te knagen. “Tinus, in dit huis eten we wraps MET SAUS,” zegt mijn vriendin, een belachelijke uitspraak die ik desondanks met hevig geknik kracht bijzet.

“Ik wíl geen reps,” zegt hij op een irritant toontje. “Je neemt NU een hap MET saus,” zeg ik. Mijn vriendin en ik wisselen een kort knikje uit: we gaan ervoor. Het is een belachelijk punt om een strijd over te voeren, maar de lange dag heeft tot dit moment geleid. Met peuters moet je bovendien doorzetten als je eenmaal een pad hebt gekozen. Samen consequent zijn, tot het bittere eind. Consequent over een wrap met saus.

Dan begint hij te krijsen op een volume dat elke gedachte onmogelijk maakt.

Vroeger liep ik weleens langs een huis waaruit angstaanjagend kindergekrijs klonk, waarop ik dacht: het gaat niet goed daar. Ik heb ooit de politie gebeld omdat ik dacht dat de achterburen hun kind martelden. Nu ik zelf een peuter in huis heb, weet ik het niet zo zeker meer. Soms horen vrienden Tinus ook al op straat schreeuwen. Als ze vervolgens binnenkomen, is hij opeens poeslief.

Natuurlijk verdienen tweejarigen de ruimte om grenzen en emoties af te tasten. Maar na Petersons boek besefte ik dat ik mijn zoon elke ochtend als een butler vroeg wat hij op zijn brood wilde. Dat ik me door hem liet commanderen tijdens het spelen. Dat ik hem uit angst voor een uitbarsting soms maar alvast een koekje gaf. Mijn begrip – en mijn vermoeidheid – maakte me conflictvermijdend, en leerde hem dat hij een prinsje was.

In de serie Normal People, gebaseerd op het boek van Sally Rooney, ontdekt een moeder dat haar zoon een meisje vernederd heeft. Ze laat hem de auto aan de kant zetten. “You’re a disgrace and I’m ashamed of you,” zegt ze voor ze uitstapt en de bus naar huis neemt. Haar moederliefde verblindt haar niet: hij heeft simpelweg haar morele grenzen overschreden en dat laat ze hem weten. Ook dat is liefde.

“IK WIL GEEN SAAAAAUUUUUSSS!” huilt mijn peuterzoon. We zetten hem op de gang, wat het drama alleen maar vergroot. Ook omdat de gang geen deur heeft, waardoor hij steeds weer naarbinnen kruipt. Baby Frenkie kijkt me vanuit haar wipstoeltje met een opgetrokken wenkbrauw aan.

Een kwartier later is hij uitgeraasd. Hij neemt tweeënhalve hap – zijn leeftijd – mét saus en krijgt daarna een toetje. Het is al snel weer gezellig. Misschien wel gezelliger dan ooit.

Giechelen

Toen de kinderen om half tien eindelijk sliepen, bedacht ik dat ik die dag nog niet naar buiten was geweest, en dat ik dus maar even op het balkon moest gaan staan. Daarna dacht ik: misschien moet ik ook een beetje blowen.

Een jaar geleden keken we de serie Transparent en was ik zo vol van het warme familiegevoel van de twee zussen en hun broertje, waar vaak wiet bij aan te pas kwam, dat ik een veel te dure vaporizer kocht. De Pax 2, die regelmatig gebruikt wordt in mijn ándere favoriete serie Broad City, dus je kunt gerust zeggen dat ik een stukje fictie in huis haalde.

Dat bleek ook wel, want mijn vriendin viel telkens al na één trekje in slaap, en als ik het na een etentje met vrienden (precies de sfeer waar ik zo naar verlangde) aanbood, weigerden ze steeds beleefd. Vervolgens werd mijn vriendin zwanger van onze tweede (lees: hypergevoelig voor geuren), waardoor de Pax definitief in onbruik raakte.

Nu propte ik wat oude wiet in de brandkamer, deed hem aan en wachtte tot het groene lampje brandde. Daarna nam ik rustig drie trekjes terwijl ik over de binnenplaats staarde: genoeg om het te voelen, genoeg voor dit moment.

Met een lome tevredenheid begon ik willekeurige dingen uit keukenkastjes en de ijskast te eten. Ik schonk een glas cola in en zette een aflevering van The Last Dance op, terwijl mijn vriendin op de achtergrond haar yoga deed. (Dit bedoel ik niet zo van: tsss, die vrouwen en hun yoga. Ik had mijn yoga ‘s middags al gedaan. Het was vet chill.)

Na een paar minuten schoten we als herten omhoog: een bekend geluid vanboven. De oudste. Godver. “Ik ga wel,” zei ik.

“Ik moet plassen,” zei Tinus staand in zijn bedje. “Oké schat,” zei ik en tilde hem over de bedrand naar zijn potje, waar ik in het halfdonker even worstelde om zijn slaapzak, pyjama en nutteloze nachtluier uit te trekken. Ik ging naast hem op de grond zitten.

Tijdens het plassen keek hij me guitig aan. Dat doet hij wel vaker ‘s nachts: even kijken wat er nog te halen valt. Normaal kan ik dat weerstaan, maar nu schoot ik in de lach, waarna we samen lachten om niets. Toen ik al zijn kleding weer probeerde aan te trekken, viel hij om, waardoor we de slappe lach kregen. We giechelden terwijl ik steeds tussendoor zei: “Sssst.”

Vervolgens ging hij achterover op mijn been liggen, als een dronkeman aan het eind van een feestje. Daardoor herinnerde ik me opeens dat ik stoned was. Dat ik daarom zo moest giechelen. Shit. “Hup, naar bed jij,” zei ik.

In bed keek ik naar zijn glanzende rossige haar, zijn mooie blauwe oog (het andere was afgeplakt na een stoot-incident, wat hem des te aandoenlijker maakte) en dacht: wat is hij toch mooi. Dat moet ik zometeen aan mijn vriendin vertellen.

Maar op de trap naar beneden herinnerde ik me opeens weer dat ik stoned was en dat ik dit helemaal niet aan mijn vriendin moest vertellen.

Ik vertelde het toch.

Een stoel op het strand

Toen mijn vriendin en ik nog tijd hadden om urenlang op de bank te hangen, hadden we een terugkerend grapje. Als ik vroeg: “Wat zullen we kijken?”, antwoordde zij: “Shoah…?” waarna we tegelijk zeiden: “Nêhhh.” De film stond al tijden klaar op mijn laptop, maar wie heeft er ooit zin in een ruim negen uur durende documentaire over de Holocaust?

‘Zin’ is natuurlijk niet het punt, dus op een regenachtige zondag kwam het er toch van. Het is moeilijk om de kijkervaring van Shoah in woorden te vatten, maar de uitgestrekte lengte bleek een essentieel onderdeel, omdat het je dwingt om erin op te gaan. Dat is wat regisseur Claude Lanzmann continu doet: je dwingen om erin op te gaan (helaas drong hij zich ook regelmatig aan vrouwen op).

De trage beelden van natuurschoon op plekken waar de gruwelijkste misdaden hebben plaatsgevonden, bezorgen je dezelfde misselijkmakende desoriëntatie als de tegenstellingen in het gedicht ‘Todesfuge’ van Paul Celan: “dein goldenes Haar Margarete/dein aschenes Haar Sulamith”.

En ook tegenover de overlevers is Lanzmann dwingend. Zoals bij de man die op een terras aan het strand van Tel Aviv maar blijft glimlachen terwijl Lanzmann zijn vragen stelt, tot we de glimlach zien voor wat hij is: een overlevingsstrategie.

Of bij de Israëlische kapper Abraham Bomba, die in Treblinka gevangenen moest kaalknippen voor ze de gaskamers in gingen. Hij vertelt zijn verhaal op luide, afstandelijke toon, terwijl hij een klant in zijn kapsalon blijft knippen. Tot hij plotseling toch stokt. De camera zoomt in, we zien hoe hij zijn emoties probeert te onderdrukken. “Come on Abe, you have to,” dringt Lanzmann aan. “I can’t do it,” fluistert Bomba. “Don’t make me do it.” Het lukt hem toch.

Of bij Jan Karski, die als spion namens de Poolse regering het ghetto van Warschau binnendrong, en zo een van de eerste getuigen van de rassenzuivering werd. “Now I go back thirty-five years…” kondigt hij aan bij het begin van het interview. Maar dan wordt hij door herinneringen overmand en roept hij uit “No! No! I don’t go back!” waarop hij geëmotioneerd de kamer uitloopt. Ook hem lukt het bij de tweede poging alsnog.

Onlangs las ik Beloved, de klassieke roman over de Amerikaanse slavernij van Toni Morrison, die een paar jaar na Shoah verscheen. De mechaniek van het trauma is hier hetzelfde: “To Sethe, the future was a matter of keeping the past at bay.” Maar ook Sethe ontmoet mensen – en geesten – die haar toch dwingen om het verleden in de ogen te kijken.

Mensen beschikken over een bizar groot vermogen om verdriet te onderdrukken, net zoals we er goed in zijn om andere negatieve kanten van onszelf en het leven te ontkennen. Zullen we Shoah kijken? Nêhhh.

Voor mij was dat het belangrijkste deel van Grunbergs speech gisteren: de oproep om het kwaad in onszelf onder ogen te blijven zien: “Niets doet mensen zozeer naar een onwrikbare identiteit verlangen als het knagende vermoeden dat ze geen idee hebben wie ze zijn. En het is vaak de onwrikbare eigen identiteit, de weigering er speels mee om te gaan, die ertoe leidt dat de ander als een volstrekte vreemde en een absolute vijand wordt gezien.”

En: “Als herdenken ook verlangen naar kennis is, dan zijn details belangrijk, en dan kunnen we het ons niet permitteren te zeggen dat wij bepaalde details niet wensen te horen omdat ze onze nachtrust verstoren.”

Op mijn vijftiende had ik op de een of andere manier het boek Moordenaars Onder Ons van nazi-jager Simon Wiesenthal in handen gekregen (ik denk na het lezen van De Jongens van Brazilië van Ira Levin, waarin Wiesenthal een personage is). Hierin stuitte ik op een van de foto’s die nazi’s op feestjes uitwisselden, van een officier die zijn wapen op het achterhoofd van een magere man gericht houdt, op de rand van een kuil vol lijken. De gevangene kijkt recht in de camera, met een blik die alleen maar ‘Waarom’ lijkt te vragen.

Die nacht kon ik, misschien wel voor het eerst in mijn onbezorgde leven, niet slapen. En ik vermoed dat die foto me er later toe dreef om Auschwitz te bezoeken. Ook na de officiële tour dwaalden we er nog urenlang rond, vastbesloten om elk detail in ons op te nemen.

Grunberg erkende ook dat het belangrijk is om jezelf niet helemaal in het verleden onder te dompelen – de glimlach is écht een essentieel overlevingsmiddel. Ik kan zelf ook doorschieten in mijn drang naar eerlijkheid, waardoor het zwelgen wordt, of nog erger: depressie. Daar heeft niemand iets aan. En dan heb ik nog makkelijk praten.

Toch blijf ik geloven dat we onze diepste waarheden met elkaar moeten blijven delen. Dat we onze zwaktes moeten erkennen, om te voorkomen dat we onze frustraties – ons verdriet – afreageren op de ander. Dat we onszelf en elkaar daar soms toe moeten dwingen, zodat we kunnen leren en veranderen. In plaats daarvan lijken we steeds vaker te kiezen voor een onwrikbare identiteit.

In Yad Vashem, het Holocaustmuseum bij Jeruzalem, hoorde ik het verhaal van een Joodse vrouw die de oorlog overleefde en naar het Beloofde Land trok. Ze verwachtte dat daar op het strand een stoel voor haar klaar zou staan, waar ze op zou gaan zitten zodat ze eindelijk haar verhaal zou kunnen vertellen. Maar er stond geen stoel: niemand wilde haar verhaal horen.

In Israël heerst nog steeds veel schaamte over de manier waarop Joden zich ‘als makke lammeren’ hebben laten afvoeren. Kinderen schelden zwakkere klasgenoten op het schoolplein uit voor ‘stuk zeep’. Een onverwerkt trauma kan ook leiden tot een onwrikbare identiteit, tot nieuwe haat.

Ik moet vaak denken aan die stoel op het strand. Aan de kapper die fluistert: “I can’t do it”, aan Lanzmann die dan zegt: “You have to.” Aan Paul D, die aan het eind van Beloved over Sethe zegt: “She is a friend of my mind. She gather me, man. The pieces I am, she gather them and give them back to me in all the right order.”

Een paar jaar geleden vertelde mijn vader me dat hij had ontdekt dat zijn oma Joods was en dat veel familieleden van zijn moeder in concentratiekampen zijn overleden. Zijn moeder was zelf tijdens de oorlog gehaast met zijn katholieke vader getrouwd, en ze had mijn vader nooit iets over haar Joodse achtergrond verteld.

Het gekke is: in eerste instantie wilde ik er ook niets over horen. Ik deed het af als een nieuw projectje van mijn vader, als verre familie die niets met mij te maken heeft. Misschien wordt het toch eens tijd om naar zijn verhaal te luisteren.