Rancune

Ik heb Thierry Baudet nooit ontmoet, maar het scheelde niet veel. We bewogen ons jarenlang binnen dezelfde kringen: op de UvA en in de andere intellectuele en artistieke kringetjes van Amsterdam. Hij stond bekend als een ijdele dandy die wanhopig op zoek was naar erkenning, maar nergens echt serieus werd genomen.

Later leerde ik dat we nog meer gemeen hebben behalve een opleiding aan de UvA. In een inmiddels berucht opiniestuk voor The Post Online verdedigde hij ‘versiercoach’ Julien Blanc, nadat deze had verkondigd dat je vrouwen bij de keel moest grijpen. “De realiteit is dat vrouwen overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden,” bralde Baudet in de conclusie (het kan niet vaak genoeg geciteerd worden).

Het uitgangspunt van zijn stuk vond ik echter verrassend herkenbaar: lieve, romantische jongens die afgewezen worden door vrouwen die toch een stoere man willen. Baudets tragiek kwam samen in de zin: “Het briefje waarop ‘ik hou van je’ staat zal voor hun ogen worden verscheurd, terwijl het meisje lachend achterop de scooter van een ruwe kerel stapt.”

Ik herkende die pijn, maar ik vond vrouwenhaat nou niet bepaald de beste oplossing. In een reactie in NRC raadde ik Baudet en zijn medestanders aan om in de spiegel te kijken (wat ze vast al genoeg doen): als afwijzing je zo boos maakt, denk je misschien vooral dat je récht hebt op seks en liefde, en ben je dus helemaal niet zo lief. Misschien ben je het gewoon gewend om aanbeden te worden.

In het Engels hebben ze daar een goede term voor: a sense of entitlement.

Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om de strijd aan te gaan met dat egocentrisme in jezelf, met je ‘romantische’ verwachtingen van het leven. Het is veel makkelijker om anderen de schuld te blijven geven en jezelf op de borst te blijven kloppen.

In een wederom verrassend herkenbaar interview met Volkskrant Magazine vertelde Baudet dat hij ook jarenlang in therapie is geweest en daardoor nu durfde om kwetsbaar te zijn. Maar hij kon zich nog steeds niet overgeven aan een ander: “Het is mij niet gelukt om iemand fascinerend te blijven vinden.” Hij bleef anderen de schuld geven, sterker nog, hij had er nu een politieke partij op gebaseerd.

Veel mensen waren verrast door Baudets politieke succes. In de Tweede Kamer wordt hij ook vaak uitgelachen om zijn potsierlijke maniertjes. Maar men vergeet daarbij dat zijn aanhangers zich herkennen in zijn eeuwige gevoel van miskenning, zoals dat ook gebeurde bij collega-narcisten als Trump, Orban en Farage. De nieuwrechtse retoriek is volledig gestoeld op die rancune: keihard uitdelen en tegelijk het slachtoffer spelen.

Onder hun kiezers lijkt die rancune deels voort te komen uit het verlies van hun (witte, mannelijke) privileges. Oftewel: entitlement. Maar die gevoelens van miskenning hebben ook begrijpelijkere oorzaken, zoals inkomensongelijkheid, de macht van grote bedrijven, globalisatie, en het falen van de politiek en de media. Het maakt zijn aanhangers niet zoveel uit of Thierry nu weer kletst over een boreale wereld of klaagt over de moderne architectuur, zolang ze zich maar kunnen herkennen in die opgetrokken wenkbrauwtjes van hem: moeten jullie mij weer hebben? Really?

Dat is het probleem met Baudet en zijn verwanten: hun constateringen zijn behoorlijk vaak raak, al is het alleen maar op basis van een emotionele waarheid. Ook in Baudets Houellebecq-essay vond ik zijn kritiek op de individualisering herkenbaar. Maar de oplossing komt telkens weer neer op de makkelijke weg van de rancune: weg met de ander, lang leve ons (en vooral onze leider). Dat is levensgevaarlijk.

Het is niet genoeg om daar met gratuite verontwaardiging op te reageren, zoals Bas Heijne al eerder betoogde. Er moeten politici opstaan die met rechtvaardige plannen het vertrouwen kunnen terugwinnen, en die met hetzelfde vuur empathie in plaats van rancune kunnen betogen. En wij moeten vaker durven om onszelf én elkaar een spiegel voor te houden.

Verliefd

Ik ben de laatste tijd opvallend vrolijk. Er is al een tijdje geen sprake meer van de vaste pieken en dalen: ik sta elke dag op met een goed gevoel. Hoe zou dat toch komen, dacht ik vanochtend. Door mijn knappe zoontje, mijn lieve vriendin, de lente? Ben ik eindelijk volwassen geworden?

Toen besefte ik opeens: Ajax. Het komt doordat het zo goed gaat met Ajax.

Ik schrijf niet vaak over voetbal, hoewel ik er zeker 65 procent van de tijd aan denk. Misschien omdat het gênant is – er zit niet echt een verheffend verhaal in het feit dat ik regelmatig als een junkie op de wc door Voetbalzone zit te scrollen. Maar nu Ajax in de halve finale van de Champions League staat, wat onmogelijk is, schommelt dat percentage rond de 100 procent: ik lees echt ál het nieuws, kijk álle filmpjes.

Die obsessie begon 25 jaar geleden, toen ik als jongetje verliefd werd op het Ajax van Litmanen, Rijkaard, Blind en Kluivert. Stuk voor stuk unieke personages, onder leiding van die maniak Louis van Gaal. Het seizoen 1994/1995 was een sprookje: ongeslagen kampioen en winnaar van de Champions League.

Ik hield plakboeken bij, waarvoor ik zorgvuldig elk Ajax-plaatje uit kranten en tijdschriften knipte. Vlakbij onze basisschool woonde Fred Grim, de reservekeeper, bij wie we soms een handtekening gingen halen. Het schijnt dat Frank de Boer een keer open deed, maar daar was ik niet bij. Als ik wakker was geworden uit een nachtmerrie, zette mijn vader een foto van de Ajax-selectie naast mijn bed, om over me te waken.

Dat is het misschien: Ajax stelt me gerust. Omdat het iets is waar ik geen controle over heb, maar dat er toch altijd is, en dat altijd naar een romantisch soort voetbal zal streven. Voetbal is sowieso de meest onvoorspelbare sport die er is: ook tijdens mindere tijden kun je je hoop erop vestigen. En de illusie koesteren dat je er invloed op hebt.

En nu betaalt al die hoop zich eindelijk weer uit. Er staat weer een elftal met spelers om van te houden: Tadic, Frenkie, De Ligt, een nieuwe Blind (wat dat betreft is het jammer dat de zoon van Kluivert is vertrokken). En dan vergeet ik Neres, Ziyech, Mazraoui, Nico en Onana nog. En Donny natuurlijk. De helden van toen vormen nu het bestuur. Het seizoen staat bol van de symbolische verwijzingen naar Cruijff, naar Nouri.

Ja, verdomme, het is waar: ik ben verliefd. En net als bij een echte verliefdheid gaat het ten koste van mijn gezondheid: ik slaap slecht, drink teveel, mijn hand doet pijn van al het scrollen en ik ben helemaal verkrampt van de spanning. Een vriend zei na de eerste wedstrijd tegen de Spurs: “Ik keek in mijn agenda en dacht bij elke verplichting van de komende week: dat gaat dus niet lukken.” Ja. Zo is het.

Ik denk alleen nog maar aan het verhaal van Ajax. Aan elke speler, elke kans, elk detail. Want nogmaals: dit kán helemaal niet, wat er nu gebeurt. Ik begrijp er helemaal niets van. En dat maakt het zo fantastisch.

NEE PAPA

Als ik de kamer van mijn zoon binnenkom, begint hij nóg harder te huilen. Het is twee uur ‘s nachts, hij staat in zijn pyjama in zijn bed, met zijn handjes op de houten reling. Ik zie de teleurstelling op zijn gezicht. “NEEEE! MAMAAA! MAMAAA!” schreeuwt hij.

Ik probeer hem geruststellend te aaien, maar hij duwt boos mijn hand weg. Zijn speen smijt hij de kamer in. Ik til hem op en probeer hem te knuffelen, maar hij blijft me wegduwen. Het is vreselijk moeilijk om kalm te blijven tijdens deze worsteling, maar het lukt. Hij wijst naar mij: “Nee die!” Vervolgens wijst hij naar de deur: “Dié! Diiiiieeeee! Mamaaaaaaaaaa!” “Nee lieverdje, mama moet slapen.” Die informatie maakt hem uiteraard razend.

Uiteindelijk staat mijn vriendin toch versuft in de deuropening, en is het een opluchting om hem over te kunnen dragen. Tinus klampt zich meteen aan haar vast, draait zich dan nog even om en roept met woeste wegwerpgebaren: “NEE PAPA! NEE!” De boodschap is duidelijk: opkankeren jij. Ik druip af, om in bed te gaan liggen luisteren naar hoe mijn vriendin het weer eens oplost.

Natuurlijk is het niet persoonlijk bedoeld. Dat is een van de belangrijkste lessen van het ouderschap, en überhaupt van het ouder worden: jij en al je broze kleine gevoelens doen er niet toe. Kinderen maken onverklaarbare fases door; jij bent de enige die daar een melodramatische betekenis aan kan geven. Tinus kán mij nog geen lul vinden.

Aan de andere kant: kinderen zijn een en al intuïtie. Ze voelen perfect aan wie ze kunnen vertrouwen. Zou hij dan misschien voélen dat ik een lul ben?

Mijn eigen moeder zei vroeger geregeld dat ze voor mijn broertje en mij een brandend gebouw in zou rennen. Een beetje te vaak misschien. “En voor papa?” vroegen wij dan gretig. “Daarna pas voor papa,” zei ze terwijl ze kalm in haar thee roerde. Mijn vader hield zich tijdens dit soort gesprekken wijselijk afzijdig.

Ik heb daar tijdens de eerste weken van het vaderschap vaak aan gedacht: natuurlijk, ik hield meteen zielsveel van Tinus, maar zou ik mijn leven voor hem geven? Zonder aarzelen?

Het duurde niet lang, die twijfel: inmiddels ben ik bereid om alles voor hem op te geven. Voor hem zou ik zelfs lid van de VVD worden. Toch heb ik al vanaf het begin het gevoel dat ik achterloop op mijn vriendin, die sowieso veel eerder verantwoordelijkheden oppakt dan ik. Ik ben ongeduldiger en egocentrischer: ik maak geen kans. Als ik een verwarde peuter was, zou ik ook eerder om haar roepen.

Telkens weer voel ik de verleiding om ook boos te worden. Om me terug te trekken en het op te geven: zo zijn de verhoudingen nu eenmaal. Maar dan besef ik weer dat mijn zoon in al zijn frustraties zo ontzettend op mij lijkt – terwijl ik 33 ben, en hij anderhalf. Wiens taak is het dan om geduld te tonen? Van wie moet hij dat anders leren?

Daarom mag hij me zo vaak wegduwen als hij wil. Ik zal altijd terugkomen.

Pastrami

Het café waar ik heen wilde, blijkt gesloten te zijn. Als ik voorstel om wat verder te lopen, zegt mijn vader: “Of misschien zit er nog iets op de terugweg?” Hij zal niet snel toegeven dat hij moe is of ergens last van heeft – als ik vraag hoe het gaat, antwoordt hij altijd kalmpjes: “Goed hoor” – maar ik begrijp de boodschap. Over een paar dagen wordt hij 72.

We nemen plaats in een iets te chique restaurant. De verwarming staat aan, hoewel het een zonnige dag is. Mijn vader voelt eraan met een kritisch gezicht en zegt: “Het is hartstikke warm hier.” We verhuizen naar een plek in het midden van de zaal.

Als een prachtige zwarte vrouw onze menu’s komt brengen, zegt mijn vader: “We zijn hier gaan zitten, want het was hartstikke warm daar.” Ze knikt begripvol. “We zullen ernaar kijken meneer.” Ik glimlach zo breed mogelijk.

Op de kaart is elk gerecht maar met één woord aangeduid. “Pardon, betekent ‘Pastrami’ gewoon ‘Een broodje pastrami’?” vraagt mijn vader aan de serveerster, zonder haar aan te kijken, zijn leesbril op het puntje van zijn neus. “Ja,” zegt ze en ze licht alles geduldig toe, terwijl ik overdreven vriendelijk meeknik. “Ik vind het maar onduidelijk hoor,” bromt mijn vader. “Dank u wel,” zeg ik.

Ik vraag me af waarom mijn vader zo onaardig doet; normaal geniet hij er juist van om een praatje met serveerders te maken, tot het bijna weer gênant wordt (“En wat heb jíj gestemd bij de verkiezingen, Gaston?”). Zou hij een racist zijn? Is dat het?

Maar dan snap ik het: hij moet simpelweg zijn aandacht steeds zorgvuldiger verdelen. Daarom had hij me ook van tevoren gebeld om te vragen naar wat voor café we precies zouden gaan: “Gewoon een lunchtent met broodjes?” Hij moet zich nu heroriënteren, de controle weer vinden, en kan de serveerster er even niet bij hebben.

Tegelijkertijd besef ik dat de moeite die ik nu doe om zijn nukkigheid te compenseren, een manier is om hem te verzorgen – iets wat hij nóóit zou toelaten. Ik heb nog genoeg energie om het menu te bestuderen en tegelijk beleefd te zijn, dus kan ik dat voor ons allebei doen. Ik ben mijn vader dus gewoon aan het hélpen, wie had dat ooit gedacht. Nu maar hopen dat hij het niet doorkrijgt.

Die ochtend luisterde ik toevallig nog een podcast-interview met comedian Ray Romano, waarin hij zei: “If my father had hugged me once, I would’ve become an accountant.”

Zo eenduidig is het niet met ons. Mijn vader heeft zijn beperkingen, we steken graag de draak met elkaar, maar tijdens de broodjes pastrami hebben we opeens een open gesprek, waarin hij zich scherp en zelfkritisch toont, alsof hij zich hiervoor heeft gespaard. Buiten omhelzen we elkaar kort en stevig.

Ik zal nooit een emotioneel stabiele accountant worden, maar mijn vader zegt de laatste jaren steeds vaker dat hij trots op me is. Per e-mail, maar toch.

Misschien wordt het tijd om een keer te zeggen dat ik ook trots op hem ben.

Another prize!

Our Etgar Keret film just won the Jury Prize at Le Fifa – the Art Film Festival in Montreal. We’re so happy! The jury wrote: “Everyone fell in love with the form and substance of this documentary about an author. Inspired by his subject’s incredible style, the director had the jury laughing out loud even as he offered a deep reflection on the art of storytelling. In a world that often seems senseless, Keret offers a way to reconcile ourselves with the absurdity of life, and his art is a breath of fresh air.” 

Ik help wel

Herinnert u zich dat stukje over mijn onderbuurvrouw die steeds dezelfde dertig euro van ons komt lenen? Ze heeft inmiddels een vlot kortgeknipt kapsel en we hebben de drie tientjes al een tijdje niet meer teruggezien. Nu had ze weer twintig nodig, voor de belasting. “In april krijgen jullie alles terug hoor, ik hou het allemaal bij,” zwoer ze vanuit onze deuropening.

Wij waren net op weg naar buiten en zo stonden we dus met z’n allen in ons krappe halletje: Wilma, mijn vriendin, Tinus, Wilma’s hondje Lucy en ik. Tinus keek bezorgd naar het hondje en ik stond ook nog een beetje onzeker op mijn benen, na twee dagen buikgriep.

Toch kon ik het niet laten en vroeg: “Heb je nog gestemd, Wil?” “Neh,” zei ze, “dat doe ik niet meer. Maar ik vind wel dat dat ‘Forum voor Democratie’ – erg lange naam trouwens – goeie ideeën heeft hoor.” Ik had er natuurlijk op gerekend, maar bij het horen van die partijnaam wendde ik me vlug af en deed alsof ik bezig was met Tinus’ jas, waardoor ik mijn vriendin met het probleem opzadelde.

“Ja, maar ze zeggen ook rare dingen hoor,” deed mijn vriendin een dappere poging. “Zoals hoe ze de wetenschap achter klimaatverandering ontkennen.” “Jaaaa daar zijn ze allemaal toch veel te laat mee, ik heb het steeds gezegd,” reageerde Wilma met een vaag handgebaar. Ik wilde zeggen: “Echt nooit op FvD stemmen Wilma. Thierry Baudet heeft racistische en vrouwonvriendelijke overtuigingen en geeft om niemand behalve zichzelf.” Maar het moment was alweer voorbij. “Nou, ik ga weer naar binnen.” “Ja, wij gaan boodschappen doen.” “Daaaag.” “Daaaag.”

We liepen met z’n drieën traag door ons straatje, terwijl het zacht regende en een agressieve wind ons zo nu en dan bijna omver blies. Ik keek naar al het zwerfafval in de voortuintjes. “Als je erop gaat letten, is het echt heel erg hè,” zei ik tegen mijn vriendin, die niets terug zei. “Auto,” zei Tinus tegen elke auto.

Bij de snackbar raapte ik een groot stuk plastic op. We wonen vlakbij het water en soms zie ik gewoon hoe al die troep er naartoe waait, om over twintig jaar in de vorm van microplastics in Tinus’ lichaam terecht te komen natuurlijk. Loopt hij straks rond met een minuscuul stukje van de Dirk-tas van Wilma in zijn bloed. Ik voelde mijn misselijkheid langzaam terugkeren.

We staken het zebrapad over, waar de auto’s van de ene richting keurig stopten, maar vanuit de andere richting scheurde een taxi vlak voor ons langs. “KLOOTZAK!” schreeuwde ik en stak woest mijn middelvinger op. Ik zag nog net hoe de bestuurder verschrikt opkeek van zijn telefoon. Aan de overkant smeet ik het plastic in de container.

In de supermarkt waren we van alle kanten omringd door de leugens van het consumentisme. Ik kwam nauwelijks vooruit. “Ga jij maar alvast naar huis,” zei mijn vriendin. “Ik help wel,” bromde ik. Ze draaide zich opeens om en griste het mandje uit mijn handen. “Nee,” zei ze, “wat jij doet, helpt helemaal niets.”

Boks

Ik moest wiet halen voor een vriend van me. Dat klinkt alsof dit verhaal zich afspeelt toen ik nog op de middelbare school zat, maar het was een dertigersboodschap: hij zocht wiet met weinig THC en extra veel CBD – die hippe heilzame stof die je ook in flesjes bij Holland & Barrett kunt kopen. De wiet was alleen in Amsterdam verkrijgbaar, en die vriend woont in Eindhoven (ja ik heb ook vrienden buiten de Randstad, en ook daar wonen blijkbaar neuroten).

De coffeeshop bevond zich op een industrieterrein. Naast een slagboom zat een beveiliger, die vriendelijk knikte naar de man voor me en mij in mijn auto grondig scande, voor hij terecht concludeerde dat ik geen enkele dreiging vormde.

Ik stapte uit, gekleed in de lange herenjas die me nog meer op een vader doet lijken, ‘gedistingeerd’ zoals een vriend het laatst spottend noemde. Op de deur de huisregels: 18+, geen gezichtsbedekkende kleding, etc. Maar ook: geen seksisme of racisme. Een progressieve coffeeshop, met biologische wiet.

Vanbinnen leek het een soort hippe apotheek: de medewerkers in witte jassen, de inrichting klinisch en toch cool. Ik was aan de beurt bij een zwarte jongen met korte dreads en vroeg naar de CBD-wiet. “Hoeveel gram wil je man?” zei hij.

Op de middelbare school blowde ik veel. De eerste keer dat ik spijbelde was ook meteen de eerste keer dat ik een coffeeshop in ging, en op de terugweg zag ik voor het eerst prostituees achter de ramen staan. Dat was me het dagje wel.

De hiërarchie was duidelijk: bouwer-buyer-bietser. Eerst mocht degene die de joint draaide een trekje nemen, daarna degene die het gekocht had, en daarna pas het gepeupel. Ik hoorde bij die wanhopige sukkels die vochten om het stompje, terwijl de bouwer en de buyer al kalm terug naar school wandelden.

Ik weet dus niets van grammen. Maar in die huisregels stond ook: “Niet meer dan vijf gram per persoon per dag”, dus ik zei: “Drie ofzo?” Hij deed een enorme hoeveelheid in het weegschaaltje. “Dit is een gram.” “Dat is wel genoeg,” zei ik snel, de geremde dertiger.

Door de medische uitstraling besloot ik nog wat vragen te stellen. “Mijn vriendin wordt altijd suf van blowen, hebben jullie daar iets tegen?” De jongen pakte een bakje en zei: “Als ze hiér suf van wordt, vind ik het knap.” Na nog meer veel te technische vragen (“Zou je een vaporizer aanraden?”) rekende ik af.

“Oké man,” zei de jongen, en hij stak zijn vuist naar voren. Ik keek er even in paniek naar. Toen stootte ik mijn vuist tegen de zijne, zoals ik duizenden keren heb gedaan als tiener. Maar terwijl hij hem vervolgens gewoon op zijn borst klopte, als een normaal persoon, stak ik mijn vuist kort en onzeker de lucht in. De jongen trok een wenkbrauw op.

In de auto lachte ik mezelf keihard uit. Want dat is wel een voordeel van dertiger zijn: dat je een auto hebt om jezelf keihard in uit te lachen.

Klootzakje

Telkens als ik Tinus zijn wantje wil aandoen, spreidt hij zijn vingers zo wijd mogelijk, terwijl hij me met een ondeugende glimlach aankijkt. “Wat ben je toch een klootzakje,” zeg ik lachend, “een klein klein klootzakje.” Als het eindelijk lukt zegt hij: “Zó.” “Ja,” zeg ik, “Zó.” Ik sta op en bekijk het klootzakje, hoe hij volledig ingepakt in de wandelwagen zit, met die grote blauwe ogen van ’em.

“Kijk, papa doet ook een muts op.” Dat maakt hem aan het lachen. Ik begin te beatboxen en te rappen in ons smalle halletje: “Tinus heeft een muts op, papa heeft een muts op. Dikke dikke beat – dikke dikke baaaaaby.” Mijn zoon kijkt me aan met een mix van verwondering en plezier.

“Papa, buit’. Eèèsss,” lispelt hij uiteindelijk. Ja, we gaan naar buiten. Naar het ijs. Vroeger probeerde ik de hele winter binnen te blijven, maar dat kan nu niet meer.

We zijn de enigen in het witte park. “Maan,” zegt Tinus. En naar de eendjes: “Kak-kak-kak!” En dan een heel lang verhaal, vol overtuiging verteld, waar ik helemaal niets van begrijp. “Ja,” zeg ik, “zo kun je het ook zien.”

Overal in het park zitten van die zwarte vogels. Raven of kraaien ofzo. Kauwen? Het maakt ook niet uit. Ik kan Tinus toch nog alles wijsmaken. Ik zou tegen hem kunnen zeggen: “Kijk, dat zijn pinguïns.” En dan zou hij wijzen en zeggen: “Kwins.”

De vogels vliegen niet weg als we dichterbij komen – waarschijnlijk om energie te besparen. Er zit er eentje op de leuning van een bankje die ons tot een meter laat komen. Hij is dik en prachtig, zijn gitzwarte veren vormen het perfecte contrast met de hemels witte omgeving.

Toen ik depressief was en nog alleen woonde, tijdens een andere winter, zaten deze vogels de hele dag in de boom voor mijn raam. “Ka! Ka! Ka!” riepen ze. Al sinds Jurassic Park ben ik bang voor vogels.

Nu is het alsof we vrede sluiten. Hij beweegt zijn kop schichtig heen en weer, en ik kijk nog steeds wantrouwig naar zijn scherpe zwarte snavel, maar de kalmte van Tinus – half mens half dier – vormt een soort brug tussen ons. Natuurlijk is een zwarte vogel geen onheilsteken. Het is gewoon een zwarte vogel.

Ik besluit een stukje van Tinus’ ontbijtkoek naar hem te gooien. De vogel hipt er door de sneeuw naartoe.

Dan verschijnen er meer. Ze duiken niet massaal op de buit af, zoals eenden en meeuwen, maar stellen zich aan de randen op: eentje in de boom daar, eentje op de lantaarnpaal, eentje in een andere boom. Ik moet denken aan de tactiek van de velociraptors in Jurassic Park: eentje leidt je af, terwijl de rest je omsingelt.

Ik scheur gehaast de ontbijtkoek in stukken en gooi er in elke hoek één, als een soort offer, en loop dan vlug het park uit. “Ka! Ka! Ka!” roept Tinus. “Èèèèssss.”

Eerlijk

“Lieve volgers, dit jaar zal ik geen stories over mooie reizen en spannende feestjes meer posten,” schreef een knappe vrouw, een soort influencer, die ik op Instagram volg. “Ik merkte dat ik neerslachtig werd als ik door mijn insta scrollde, omdat iedereen 24/7 gelukkig lijkt. Daar wil ik niet meer aan meedoen. Dit jaar wil ik meer mezelf zijn. De afgelopen tijd hebben jullie al kunnen merken dat ik meer post over dingen die belangrijk voor me zijn: vrienden, familie, avondjes thuis.”

Het grappige is dat ik die foto’s inderdaad voorbij had zien komen, maar dat ik helemaal geen verschil had gezien. Ja, ze toonden intiemere situaties dan voorheen, maar de beelden waren nog steeds jaloersmakend: een zwart-wit portret van een zwangere (halfnaakte) modellenvriendin, een perfect uitgelichte foto van een boswandeling met haar ongelofelijk knappe vriend, een plaatje van een familiediner dat rechtstreeks uit een Italiaanse film leek te komen. Zelfs op de nonchalante selfie van een make-uploos avondje op de bank was ze prachtig – iedereen weet dat joggingbroeken stiekem heel sexy zijn.

Ik wil deze Instragrammer helemaal niet belachelijk maken – haar streven is mooi en begrijpelijk. Maar de uitwerking toont aan dat het bijna onmogelijk is om oprecht te zijn op sociale media, en misschien wel überhaupt in onze gemediatiseerde samenleving.

Het kapitalisme gunt ons namelijk geen rust, zelfs niet tijdens onze meest intieme momenten; we moeten blijven consumeren. Hoe meer we door social media scrollen, hoe meer advertenties er verkocht kunnen worden, en misschien kopen we zelf ook nog iets wat we niet nodig hebben. (Zoals de hippe rugzak met USB-poort waarvan ik laatst opeens zeker wist dat ik hem moést hebben en waar ik uren van wakker lag.) De posts daartussendoor, van ons allemaal, zijn ook advertenties – voor het sociale medium zelf. Ze moeten dus wel aantrekkelijk zijn, of ironisch-aantrekkelijk, zelfs als het over intimiteit gaat, en daarmee verliezen ze onvermijdelijk authenticiteit. Bijna niemand kan daaraan ontsnappen. Oprechtheid is als een zeepje dat steeds uit je handen glipt als je het probeert te grijpen.

Want er is nog iets wat het kapitalisme briljant doet: zodra iets ertegenin gaat, wordt het al snel in het systeem opgeslokt. Wil je minder op social media zitten? Koop dan deze concentratie-app. Verlang je naar eerlijkheid over carrièrefouten? Kom naar onze faal-avond en leer hoe het wél moet. Burn-out? Met deze mindfulness-cursus ben je er zo weer bovenop. Je moet blijven meedoen.

Daarom ben ik ook sceptisch over veel goede voornemens, hoe goedbedoeld ze ook zijn. In eerste instantie gaat het vaak over heel persoonlijke zaken – lichamelijke conditie, mentale rust, routine, liefde – maar als je even doorvraagt staat het dan toch weer in dienst van het optimaliseren van de productiviteit, de koopkracht en het persoonlijke ‘systeem’. Het blijft bij kleine correcties, maar de ware reden voor de uitputting, voor het eeuwig knagende gevoel dat het niet genoeg is – die blijft steeds nét buiten ons bereik.

——–
Dit was mijn laatste inval-column voor De Volkskrant.

Kalfje

“Je bent in een rare bui,” zegt mijn vriendin bij het ontbijt. “Hoezo?” vraag ik met een kalme glimlach, waarvan ik me al snel realiseer dat het een maniakale grijns is. Ik scroll intussen verder door de lijst met ‘100 films die je gezien moet hebben voor je doodgaat’ – zo nu en dan maakt een helder ping-geluid duidelijk dat een van mijn vierendertig downloads voltooid is.

“Je gedraagt je als een kalfje dat voor het eerst de wei in mag: tegelijk superblij én superbang.” Ze heeft gelijk: gisterochtend was ik aan de ontbijttafel nog zo neerslachtig dat ik nauwelijks een gesprek kon voeren, nu wil ik haar opeens allerlei mooie liedjes laten horen. “Het is oké,” zucht ze. “Je hebt dit altijd rond deze tijd van het jaar.”

Het schijnt dat we liedjes in ons hoofd krijgen als we eigenlijk overbelast zijn: de herhalende muziek verdrijft alle gedachten, als een dweilmachine op de ijsbaan. De afgelopen weken zat mijn hoofd vol met kerstliedjes, maar er was nog een zinnetje dat maar terug bleef komen, uit het nummer Gekkenhuis van Opgezwolle: “Ik dacht dat het met mij wel goed ging/Nu heb ik alweer last van moodswings”.

Deze tekst van de rapper Sticks (tevens verantwoordelijk voor de parel “Gooi je handen in de lucht/Voor de stress in m’n rug”) vat perfect samen hoe het is om labiel te zijn. Juist als het al maanden prima gaat, net als ik denk dat ik eindelijk van die diepe dalen af ben: dan slaat het toe. Schijnbaar uit het niets. Ik moet ook vaak denken aan een tweet van comedian Marc Maron: “Why, anxiety? I was just sitting here.”

Het is eigenlijk jammer dat we in het Nederlands geen goede vertaling voor het woord ‘anxiety’ hebben: de combinatie van angst, zenuwen en opwinding. Een algehele onrust.

Natuurlijk is het niet vreemd dat dit gevoel me altijd tijdens de overgang van december naar januari overvalt. De druk van de buitenwereld is dan immens groot: laatste deadlines, sociale spanningen, goede voornemens. Vink ik bij mijn nieuwe zorgverzekering de optie aan waarbij mijn partner een uitkering krijgt als ik overlijd door een ongeval, of toch maar niet? En tegelijkertijd gebeurt er helemaal niets: het is koud, donker en stil. Je kunt alleen maar binnen zitten en angstig scrollen, terwijl je af en toe opschrikt van een vuurwerkbom.

Iedereen weet ook dat het jaar eigenlijk in de zomer eindigt. Dan is alles omgekeerd: de druk neemt juist af en er gebeurt van alles. In september heb ik altijd volop nieuwe energie, in plaats van het katerige gevoel van die eeuwigdurende januarimaand.

Bij dezen nodig ik u dan ook van harte uit voor mijn oud-en-nieuwfeest op 31 augustus. Ik heb al zeker dertig films klaarstaan die je echt gezien moét hebben.






Spanning

Al die eindejaarslijstjes zijn nogal confronterend voor mensen met kinderen. Een top TIEN van de beste films van 2018? Ik ben in 2018 misschien vier keer naar de bioscoop geweest! Doe mij maar een top-10 van de beste oppassen. Of een top-10 van de nachten dat ik kon doorslapen. Mijn nummer van het jaar? ‘Klap eens in je handjes’, gevolgd door ‘Smakelijk eten, smakelijk drinken’. En ‘I want to break free’ van Queen natuurlijk.

Voor mij was dit het jaar van de spanning. Het ouderschap bracht allerlei nieuwe vormen van stress en onzekerheid met zich mee, waar mijn vriendin en ik ons telkens doorheen moesten vechten. Om over middeleeuwse kwaaltjes als hoofdluis, krentenbaard en de hand-mond-voet-ziekte nog maar te zwijgen.

Mijn culturele hoogtepunten hadden ook met spanning te maken. Zoals ‘Nanette’ de comedyshow van Hannah Gadsby, waarin ze op ingenieuze wijze uit de doeken doet hoe ze als seksuele minderheid al haar hele leven in spanning leeft, en daarom overweegt om te stoppen met comedy: “Punchlines hebben spanning nodig – en ik ben al sinds mijn kindertijd een meester in het beheersen van spanning. Maar ik wil het niet meer. De spanning maakt me doodmoe.” Ik weet niet of het comedy is, wat Gadsby doet, maar het is fantastisch.

Een veelgehoorde uitspraak dit jaar was: “Of mag je dat niet meer zeggen?” – juist ook in comedykringen. Ik begrijp dat niet zo goed. Gadsby heeft gelijk: grappen hebben spanning nodig. Nu op heel veel gebieden – misbruik, seksuele identiteit, racisme – spanningen zijn blootgelegd, is het simpelweg niet interessant meer om er grappen over te maken – tenzij je die oude spanningen eigenlijk in stand wilt houden. Natuurlijk mág je nog een giechelige grap over homo’s maken, of over zeurende vrouwen, maar waarom zou je, als je van goede comedy houdt? Er zijn nu zoveel nieuwe ongemakkelijke sociale normen en kleine taboe’s die erom smeken om opgelost te worden met een goede punchline.

Gadsby wil de spanning niet meer dragen, maar het is waar: minderheden leven voortdurend in spanning, en kunnen er daarom meesters in worden. Daarom zijn veel van mijn favoriete makers van het afgelopen jaar zwarte Amerikanen, vermoed ik: filmmakers als Jordan Peele (Get Out) en Donald Glover (de serie Atlanta), rappers als Kendrick Lamar, en schrijvers als Ta-Nehisi Coates durven vanuit die spanning te werken, ze kijken reikhalzend uit naar een niéuwe wereld, en daarom is hun werk zo meeslepend.

Mensen vragen me soms of ik spijt heb van het vaderschap. Natuurlijk waren er nachten dat ik om half vier met een krijsende dreumes in mijn armen stond en dacht: waarom ben ik hier in godsnaam aan begonnen? Waarom hebben we ons comfortabele leven vrijwillig opgegeven? Maar dan bouwde de spanning zich op, kwam ze tot uitbarsting en vonden we toch weer een nieuw perspectief. We vonden onszelf opnieuw uit, talloze keren.

Ik hoop dus dat we in 2019 niet in oude spanningen zullen blijven hangen, dat we nieuwe spanningen durven opzoeken en die met nieuwe punchlines zullen verlichten.

Een okapi in een hoogwerker

Tinus is gek op boeken. Mijn vriendin en ik zijn al voor zijn geboorte begonnen om deze hobby aan hem op te dringen, door een enorme boekenkast in de babykamer te bouwen. Aan het einde van zijn uitgebreide slaapritueeltje – dat steeds meer op een serie dwangneuroses van zijn papa begint te lijken – zeg ik altijd drie schrijvers uit die kast gedag (waarvan er minstens eentje een vrouw moet zijn): “Dag Etgar Keret, welterusten Lieke Marsman, slaap lekker Friedrich Nietzsche.”

Overdag trekt hij graag boeken uit de kast. Vooral La Superba van Ilja Leonard Pfeiffer, vanwege de enorme auteursfoto op de achterkant: “Heeeeeeey!” roept hij als de man met de weelderige haardos tevoorschijn komt, alsof hij een oude vriend begroet. Laatst riep hij vol overtuiging “Papa!” naar de auteursfoto van Rob Wijnberg. Dat vond ik minder leuk.

Hij wil voortdurend boekjes lezen; met name Kleine Blauwe Truck wordt vaak naar mijn schoot gesleept. Zo ontzettend vaak. Oh man, ik heb me zelden zo verveeld als bij het voor de duizendste keer voorlezen van Kleine Blauwe Truck. Om mezelf wakker te houden verzin ik er soms dingen bij: “Daar gaat die kleine blauwe truck weer… met zijn enorme CO2-uitstoot. Hij mag de stad niet meer in vanwege de nieuwe milieuzones, dus rijdt hij maar rondjes langs alle dieren op het platteland… die sadistische kleine blauwe truck.”

Want ál die kinderboekjes gaan over dieren en auto’s, en eigenlijk slaat dat nergens op. In een van Tinus’ boekjes staat bijvoorbeeld een plaatje van een kip die vrolijk een vrachtwagen vol eieren bestuurt. Een kip die de producten van de legbatterij zélf fluitend naar de mensen komt brengen? Wat is dit voor zieke fantasie?

Momenteel is Tinus in de ban van Feest Van De Machines, met op elke pagina een andere absurde combinatie: een koala op een grasmaaier, een gorilla op een trekker, een okapi in een hoogwerker. Dit boekje is echt de ultieme middelvinger naar de natuur: eeuwenlang hebben dieren terrein moeten prijsgeven aan de menselijke industrie, we hebben hun lichamen zélf massaal geïndustrialiseerd, en nu tonen we onze kinderen plaatjes waarop ze gewoon méédoen met al dat gezellige broem-broem-broem. Dan weet je zeker dat je gewonnen hebt.

Het einde van Feest Van De Machines bezorgt me altijd de rillingen. Eerst komen de dieren samen voor een macaber feest – de steenbok is de DJ, hij staat in een satanische danshouding achter de draaitafels. Als de dieren gaan ‘slapen’, springen plotseling alle koplampen aan en begint het bal waar de titel van dit zieke, zieke boekje op gebaseerd is. De machines dansen uitbundig en tegelijk beheerst: zij zijn eigenlijk de baas. Tinus klapt enthousiast in zijn handjes.

Na het lezen van dat boekje, en de rest van ons veel te uitgebreide slaapritueel, valt mijn zoon in een diepe, tevreden slaap. Maar zelf moet ik dan nog heel wat pagina’s Nietzsche lezen, voor ik de slaap kan vatten.

Hé jongens!

Kerst brengt vele spanningen met zich mee, waardoor het zowel het slechtste als het beste in de mens naar boven haalt. De laatste jaren vier ik het met ‘een soort familie’: vrienden van mijn ouders die ik al mijn hele leven ken, hun kinderen die mijn vrienden geworden zijn, en de kleinkinderen.

Het is een mondige, levendige groep. Aan tafel moet je vechten om aan het woord te komen, en ik vind niets heerlijker dan dat. Als kind keek ik al enorm uit naar dit soort etentjes waar ik dan met al mijn kracht – “Jongens! Jongens! Hé!” – de aandacht moest opeisen om een grap te maken of een verhaal te vertellen, om vervolgens beloond te worden met zo’n gulle groepslach.

De laatste jaren ben ik me er steeds meer bewust van geworden hoe belangrijk dit voor me is. Ik heb dit soort avonden vol verhalen net zo hard nodig als slaap, water en kerstbrood. Als er geen goede verhalen worden verteld, voel ik me niet op mijn gemak (ongeveer 90% van de tijd dus). Hierdoor keek ik soms echter zó erg naar de kerstdiners uit, dat ik dan de hele avond veel te hyper en gespannen was. Ik wilde zo graag dat de anekdotes weer over tafel zouden vliegen, dat het zou sprankelen, en juist daardoor gebeurde het dan niet.

Afgelopen weekend vierden we het weer. Dit keer was ik sowieso niet in staat om veel te praten omdat onze 1-jarige zoon ons wat slapeloze nachten had bezorgd. Bovendien wilde ik voortdurend naar hem kijken, hoe hij van schoot naar schoot klom en met iedereen flirtte.

Het oudste kleinkind, Felien (7), stal de show. Ze organiseerde een competitie voor sjoelen met kerstkransjes en maakte steeds met luide stem de tussenstand bekend (“Hé jongens! Hé! De tussenstand!”), ze had een fantastisch kerstverhaal geschreven dat haar vader moest voorlezen (“Wat een mooie ster, zei de herder. Vind ik ook, zei de andere herder”) en aan het eind van de avond deed ze als eerste kleinkind mee met het Hoge Hoedenspel.

Het Hoge Hoedenspel, ook wel bekend als het Namenspel, is perfect voor ons gezelschap, omdat je heel veel mag schreeuwen. Zo moet je in de eerste ronde een beroemdheid omschrijven zonder hoofdletters of telwoorden te gebruiken, en als een van ons dan zegt “Dit is een politicus met een Franse naam”, dan duiken de anderen er bloedfanatiek bovenop: “FRANSE! FRANSE! FRANSE! AF!”

Felien deed moeiteloos mee. Haar omschrijvingen waren kinderlijk treffend (Paul de Leeuw was “Een kale dikke man die liedjes zingt”) en ze leek geen enkele druk te voelen als de hele groep zijn adem inhield. Op een gegeven moment hoorde ik haar zelfs meeroepen: “Amerika! Je zei Amerika! Hoofdletter! Af!”

Zo zag ik het voor mijn ogen ontstaan: de volgende generatie die de aandacht steelt, die kerstverhalen deelt en die veel te fanatiek spelletjes speelt. Ik kon ontspannen achteroverleunen.

——————–
Dit was mijn eerste Volkskrant-column als vervanger van Aaf Brandt Corstius. Fijne feestdagen allemaal, het zijn ook stressvolle, irritante dagen, maar zet je ego even opzij en wees lief voor elkaar. Dat kunnen we wel gebruiken.