Croissantjes

Omdat we in de speeltuin te lang hebben gewacht tot een ander kindje klaar was met het brommer-fietsje, hebben Tinus en ik honger. We gaan croissantjes halen, dat hoort bij onze uitjes, maar ik moet eigenlijk ook nog even langs de huisarts, en dat ligt op de route. Mijn honger naar efficiëntie wint het van de echte honger.

Ik heb geen zin om Tinus helemaal uit het kinderzitje te halen, dus zet ik de fiets op slot tegen het lage muurtje bij de ingang van de praktijk, test de stevigheid van de constructie en zeg: “Niet bewegen oké? Ik ben zo terug.” Hij knikt.

De assistente kan mijn formulier niet meteen vinden en vervolgens kan ze de instructies van de arts niet lezen. Ik begin toch zenuwachtig te worden over de opzet buiten, maar als ik een vlugge blik door het raam werp, zie ik Tinus rustig achterop de fiets zitten.

“Papa,” zegt hij stralend als ik weer naarbuiten loop, “ik ging niet bewegen!” “Ik zag het, zó goed schat.” “Ik ging even naar de bloemetjes kijken.” Hij wijst op een stel paarse bloemetjes in een perkje.

Perkje.

Verderop, bij de ingang van een andere zorgpraktijk, staat een vrouw met rood haar en een bril. Ze rookt een sigaret, een handeling die perfect past bij de vuile blik die ze op me gericht houdt. Naast haar staat een meisje van een jaar of elf.

Als we langs hen fietsen, smiespelt de vrouw iets naar het meisje. Het is zo overduidelijk, zo passief-agressief, dat ik stop en roep: “Wilt u soms iets tegen mij zeggen?”

De vrouw steekt direct van wal: “Je laat je kind daar toch niet zo achter!” “U hebt geen idee waar u het over heeft mevrouw,” zeg ik met een lachje. “Nee ja tuurlijk! Jij bent een slechte vader!” “Heel goed, reageer uw persoonlijke frustraties maar op mij af!” roep ik.

Ik besef meteen dat ik het weer eens veel te groot maak, dat ik dingen probeer te roepen die haar hele denken zouden moeten omgooien. En ik besef ook dat dit het tweede stukje in korte tijd is waarin ik naar iemand sta te schreeuwen.

Dat ‘slechte vader’ raakte me natuurlijk. Het is een grote angst. Bovendien nam ik wel degelijk een risico, en die spanning zit nog steeds in me, naast de honger en het slaaptekort. Het is een drukte van jewelste in mijn hoofd en mijn buik. Er moet iets uit. Dat geldt waarschijnlijk ook voor haar. Twee overvolle mensen schreeuwen naar elkaar.

“Jij zou geen kinderen mogen hebben!” roept ze. “Jaja, lekker van een afstandje oordelen over anderen, dat is een goede levenshouding!” “Iemand had hem zo kunnen meepakken!” “Noord is veiliger dan u denkt mevrouw! U moet een beetje vertrouwen in de medemens!” Nu lacht zij schamper. “Noord is veilig, ha!” “Ja, dingen veranderen…” sputter ik, “en mensen zijn vanbinnen beter dan u denkt!”

“Trut,” mompel ik als ik uiteindelijk doorfiets. “Wat zeg je papa?” “Niks.”

Even later eten we op een bankje onze croissantjes van de supermarkt, die toch echt beduidend minder lekker zijn dan die van de bakker.

Enge jongens

Tinus kan opeens zelf over de touwbrug in de speeltuin lopen. “Kijk wat ik doe papa!” roept hij met een mengeling van trots en verbazing in zijn blik, een blik die ik nu al mis.

Bij de schommels hangt een groepje jongens van een jaar of acht. Ze waren me meteen al opgevallen; een oude reflex. Al van kinds af aan ben ik bang voor dit soort stoere jongens, terwijl ze me tegelijk fascineren. ‘Enge jongens’ noemden we ze in ons dorp. Soms gingen we met een groepje kleinere kinderen bij hun hangplek kijken. Één keer vond ik daar een spijker die rood was gespoten, waarvan ik natuurlijk volhield dat het bloed was.

Twee jongens beginnen elkaar nu te schoppen. Ik ken dit spel maar al te goed: op de middelbare school hoorde ik zelf bij zo’n stoer groepje. We daagden elkaar de hele dag uit, tot eentje te ver ging en een keiharde stomp op zijn arm kreeg – of erger. Je moest constant op je hoede zijn.

Deze jongens trappen elkaar keihard op de bovenbenen. De roodharige verliest (uiteraard) en de ander draait snel zijn arm op zijn rug. Als de verliezer loskomt geeft hij zijn belager nog twee trappen, maar je ziet dat hij vooral tegen zijn eigen tranen vecht. Het lukt hem om niet te huilen.

Tinus heeft niets door. Als de jongens iets roepen, doet hij ze na. “Haaaaaaaa!” echoot hij dan vol bravoure vanuit zijn speeltoren. Verder zit hij nog helemaal in zijn eigen wereld.

Ik help Tinus de glijbaan op, maar ik kijk alleen maar naar de jongens. Ze trappen nu tegen het hekje van de speeltuin. Het geluid van hun getrap overheerst alles. Ze wéten toch dat hier een volwassene staat? Ik begrijp ze, ik ken ze, maar mijn ergernis is groter. Ik wil tegen de roodharige jongen zeggen: vrienden die je zo hard schoppen, zijn niet echt je vrienden.

“HÉ! KAP DAAR EENS MEE!” roep ik uiteindelijk terwijl ik op ze af been. De jongens staan stil. “Straks gaat het kapot, dan rennen kleine kinderen zo de straat op, die worden dan aangereden, en dat is dan óók jullie schuld,” bries ik. Het is veel te heftig, besef ik meteen. In mijn hoofd is een orkaan opgebouwd. Het groepje kijkt me slechts uitdagend aan. “Ga je ergens ánders vervelen,” zeg ik nog vruchteloos voor ik weer wegloop.

Terwijl ik Tinus – nog immer onbezorgd – op de schommel duw, voel ik de spanning van de confrontatie nog nagieren in mijn lijf. “Hoger papa!” zegt mijn zoon. Intussen zijn de jongens me aan het uitdagen: “Ik ben ook een kind meneer, ik ren zo de straat op!” roepen ze. Ik negeer ze met moeite.

Even later besluiten ze verstoppertje te gaan spelen en zijn het inderdaad opeens weer kinderen. Ze zijn mij alweer vergeten terwijl ze giechelend naar hun verstopplekken rennen. “Zullen we ons ook verstoppen papa?” zegt Tinus gretig als een van de jongens weer tot tien telt. “Nee,” zeg ik terwijl ik vlug zijn handje pak, “laten we naar huis gaan.”