Woorden wegen

Een week geleden citeerde Ionica Smeets (die ik hoog heb zitten) een zinnetje uit mijn essay over vaderschap in haar Volkskrant-column: “Lemm probeerde te veranderen en nam steeds meer taken van zijn vriendin over, maar: ‘helemaal fiftyfifty wordt het nooit’.”

Daar baalde ik enorm van. Het was juist een zin die ik had toegevoegd om het verhaal van mijn ‘metamorfose’ te nuanceren, en om aan te geven dat een perfecte fiftyfifty-verdeling een illusie is: daar is het leven veel te rommelig voor. Iedereen heeft andere talenten en voorkeuren, geen enkel stel gaat ‘s avonds aan de keukentafel de uren tegen elkaar zitten afstrepen. Kortom, ik wilde een haalbaar ideaal schetsen, waar andere vaders niet meteen al moedeloos van zouden worden.

De zin was al vaker verkeerd geïnterpreteerd. Ionica gaf op Twitter ook toe dat ze alle informatie gehaast in haar column had moeten proppen, “omdat ik hier thuis dus FOKKING ALLES MOET DOEN”. Herkenbaar. Zo’n column is kort. De dag ook.

Dat is het dus, dacht ik: je moet steeds meer op je woorden passen, terwijl er tegelijk steeds minder tijd en ruimte is om jezelf goed uit te drukken. Je wordt maximaal veroordeeld op de minimale ruimte die je krijgt.

Maar later dacht ik: nee gast, het was gewoon geen goede zin. Het was geen tweet of een column, ik kreeg 3000 woorden de ruimte, een unicum, dus die had ik gewoon zo goed mogelijk moeten gebruiken. Dat lukte bijna. Maar ik had het woordje ‘helemaal’ door ‘perfect’ moeten vervangen. Nu veranderde ik alsnog in de karikatuur van de egocentrische vader. Eigen schuld.

“It’s a sentence problem,” zei schrijver Nana Kwame Adjei-Brenyah in mijn Kopstuk-interview met hem. Ik had hem gevraagd naar de belangrijkste lessen van zijn schrijfmentor George Saunders. Als er iets niet klopt in je schrijven, legde de leergierige Nana uit, dan ligt dat niet aan je innerlijk. Het is altijd een probleem op zins-, soms zelfs op woordniveau. Je bent niet stom, je hebt gewoon het verkeerde woord gekozen. Probeer het nog een keer. Werk harder.

Taal doet ertoe. Het is alles wat we hebben om de wereld vorm te geven. Een wereld waarin mensen zoals Nana nog altijd minder ruimte krijgen om hun stem te laten horen, zoals er zoveel groepen wiens taal we maar al te graag misinterpreteren. Daarom zei hij ook: “Now that I’m holding the mic, I really want to use it in a meaningful way.”

Als je 3000 woorden in een grote krant krijgt, kun je er maar beter voor zorgen dat ze alle 3000 kloppen. En niet na afloop gaan lopen miepen dat je verkeerd begrepen bent.

Buren

“Uitschot zijn jullie. Uitschot!” hoor ik mijn overbuurman Patrick met zijn André Hazes-accent roepen. In reactie daarop klinken de verontwaardigde stemmetjes van drie tienermeisjes – hun straat-accenten trippelen alle kanten op. “Denkt u dat u de baas van deze straat bent ofzo?” “Ja wie denkt u dat u bent?” Ik wil uit het raam kijken, maar dat kan niet omdat ik Frenkie de fles zit te geven.

Als de kinderen in bed liggen, kan ik vlug een blik naar de overkant werpen. Inmiddels heeft zich een grote groep kinderen en volwassenen rond de tuin van ons overbuurmeisje gevormd. Ze zit zelf op de drempel van haar huis met haar handen onder haar kin, sip voor zich uit te kijken. Twee oudere gehoofddoekte vrouwen voeren het woord, maar de stemmen zijn gedempter. Patrick en zijn zus Loes luisteren mee vanuit hun tuin. De tienermeisjes houden zich achter in de groep op, met besmuikte lachjes.

De volgende dag vraag ik Patrick wat er gebeurd was. De meisjes hadden namelijk geen idee: hij is écht de baas van de straat. Zijn huis ligt precies in het midden; vanuit zijn tuinstoel houdt hij alles in de gaten. Maar het is een zachtaardige baas. Zijn motto is: iedereen is lief. Hij heeft ons al talloze keren uit de brand geholpen.

“Oh dat,” zegt hij met een lachje. Het zat zo (hou je vast): ons Ghanees-Nederlandse buurjongetje had mot met een Marokkaans-Nederlands jongetje uit een andere straat, die daarop de moeder van de buurjongen had uitgescholden voor “k-hoer”. Ons Marokkaans-Nederlandse overbuurmeisje, een verlegen type met een bril en een hazenlip, had het jongetje toen omver geduwd. Vervolgens kwamen zijn zus en twee vriendinnen verhaal halen.

“En dat pik ik niet hoor, drie van die grote tegen een kleintje. Tegen óns buurmeisje,” zegt Patrick, een witte man van in de zeventig. “Nou, meteen een grote bek jonge, die drie.” Hij neemt een hijs van zijn sigaret. “Maar ik moet zeggen: die moeder deed het top.” Ter illustratie steekt hij een duim op. De moeder van het jongetje had de boel gede-escaleerd met een groepsgesprek.

Voor Patrick en ons buurmeisje is het volkomen vanzelfsprekend om voor hun buren op te komen. Mij ontroert het. Ze zouden ook voor ons doen, weet ik. En wij voor hen, besef ik.

Waarmee ik niet wil zeggen dat er geen verschillen tussen ons zijn, in privileges of opvattingen, of dat er nooit gedoe onderling is. Het is niet perfect. Maar dit is ons straatje. Hier groeten we elkaar. Hier wónen we.

Tijdens een vliegreis fantaseer ik er soms over dat we zullen neerstorten, maar de crash overleven: hoe zouden we het doen met deze groep? Wie zou de leider zijn? Die man op rij 3 zou direct beginnen met klagen. Die vrouw op rij 8 kan ik vertrouwen, dat voel ik. Wie maakt er vuur? Hoe lang zouden we het volhouden met elkaar?

Maar over mijn straat hoef ik niet te fantaseren. Als hier ooit de pleuris uitbreekt, zitten we sowieso goed.