Wrap met saus

Onlangs las ik het boek ’12 Rules for Life’ van de nieuwrechtse psycholoog Jordan Peterson, omdat ik weleens wilde weten wat de andere kant te zeggen had. Het bleek een redelijk, conservatief betoog met verrassend veel wijsheid (tot hij in regel 11 toch losgaat tegen de ‘doorgeslagen feminisering’, maar dat is een ander verhaal).

Ik werd met name geraakt door regel 5: “Do not make your children do anything that makes you dislike them”. Volgens Peterson moet je je kinderen voorbereiden op een keiharde sociale wereld. Als ze zich ontwikkelen tot bazige, egocentrische mensen, dan wil niemand bevriend met ze zijn: “De wereld zal dan het vuile opvoedwerk voor je opknappen – en die is veel harder dan jij.”

Daar moet ik aan denken als mijn zoon met een uitdagende blik aan het randje van zijn tortillawrap zit te knagen. “Tinus, in dit huis eten we wraps MET SAUS,” zegt mijn vriendin, een belachelijke uitspraak die ik desondanks met hevig geknik kracht bijzet.

“Ik wíl geen reps,” zegt hij op een irritant toontje. “Je neemt NU een hap MET saus,” zeg ik. Mijn vriendin en ik wisselen een kort knikje uit: we gaan ervoor. Het is een belachelijk punt om een strijd over te voeren, maar de lange dag heeft tot dit moment geleid. Met peuters moet je bovendien doorzetten als je eenmaal een pad hebt gekozen. Samen consequent zijn, tot het bittere eind. Consequent over een wrap met saus.

Dan begint hij te krijsen op een volume dat elke gedachte onmogelijk maakt.

Vroeger liep ik weleens langs een huis waaruit angstaanjagend kindergekrijs klonk, waarop ik dacht: het gaat niet goed daar. Ik heb ooit de politie gebeld omdat ik dacht dat de achterburen hun kind martelden. Nu ik zelf een peuter in huis heb, weet ik het niet zo zeker meer. Soms horen vrienden Tinus ook al op straat schreeuwen. Als ze vervolgens binnenkomen, is hij opeens poeslief.

Natuurlijk verdienen tweejarigen de ruimte om grenzen en emoties af te tasten. Maar na Petersons boek besefte ik dat ik mijn zoon elke ochtend als een butler vroeg wat hij op zijn brood wilde. Dat ik me door hem liet commanderen tijdens het spelen. Dat ik hem uit angst voor een uitbarsting soms maar alvast een koekje gaf. Mijn begrip – en mijn vermoeidheid – maakte me conflictvermijdend, en leerde hem dat hij een prinsje was.

In de serie Normal People, gebaseerd op het boek van Sally Rooney, ontdekt een moeder dat haar zoon een meisje vernederd heeft. Ze laat hem de auto aan de kant zetten. “You’re a disgrace and I’m ashamed of you,” zegt ze voor ze uitstapt en de bus naar huis neemt. Haar moederliefde verblindt haar niet: hij heeft simpelweg haar morele grenzen overschreden en dat laat ze hem weten. Ook dat is liefde.

“IK WIL GEEN SAAAAAUUUUUSSS!” huilt mijn peuterzoon. We zetten hem op de gang, wat het drama alleen maar vergroot. Ook omdat de gang geen deur heeft, waardoor hij steeds weer naarbinnen kruipt. Baby Frenkie kijkt me vanuit haar wipstoeltje met een opgetrokken wenkbrauw aan.

Een kwartier later is hij uitgeraasd. Hij neemt tweeënhalve hap – zijn leeftijd – mét saus en krijgt daarna een toetje. Het is al snel weer gezellig. Misschien wel gezelliger dan ooit.

Giechelen

Toen de kinderen om half tien eindelijk sliepen, bedacht ik dat ik die dag nog niet naar buiten was geweest, en dat ik dus maar even op het balkon moest gaan staan. Daarna dacht ik: misschien moet ik ook een beetje blowen.

Een jaar geleden keken we de serie Transparent en was ik zo vol van het warme familiegevoel van de twee zussen en hun broertje, waar vaak wiet bij aan te pas kwam, dat ik een veel te dure vaporizer kocht. De Pax 2, die regelmatig gebruikt wordt in mijn ándere favoriete serie Broad City, dus je kunt gerust zeggen dat ik een stukje fictie in huis haalde.

Dat bleek ook wel, want mijn vriendin viel telkens al na één trekje in slaap, en als ik het na een etentje met vrienden (precies de sfeer waar ik zo naar verlangde) aanbood, weigerden ze steeds beleefd. Vervolgens werd mijn vriendin zwanger van onze tweede (lees: hypergevoelig voor geuren), waardoor de Pax definitief in onbruik raakte.

Nu propte ik wat oude wiet in de brandkamer, deed hem aan en wachtte tot het groene lampje brandde. Daarna nam ik rustig drie trekjes terwijl ik over de binnenplaats staarde: genoeg om het te voelen, genoeg voor dit moment.

Met een lome tevredenheid begon ik willekeurige dingen uit keukenkastjes en de ijskast te eten. Ik schonk een glas cola in en zette een aflevering van The Last Dance op, terwijl mijn vriendin op de achtergrond haar yoga deed. (Dit bedoel ik niet zo van: tsss, die vrouwen en hun yoga. Ik had mijn yoga ‘s middags al gedaan. Het was vet chill.)

Na een paar minuten schoten we als herten omhoog: een bekend geluid vanboven. De oudste. Godver. “Ik ga wel,” zei ik.

“Ik moet plassen,” zei Tinus staand in zijn bedje. “Oké schat,” zei ik en tilde hem over de bedrand naar zijn potje, waar ik in het halfdonker even worstelde om zijn slaapzak, pyjama en nutteloze nachtluier uit te trekken. Ik ging naast hem op de grond zitten.

Tijdens het plassen keek hij me guitig aan. Dat doet hij wel vaker ‘s nachts: even kijken wat er nog te halen valt. Normaal kan ik dat weerstaan, maar nu schoot ik in de lach, waarna we samen lachten om niets. Toen ik al zijn kleding weer probeerde aan te trekken, viel hij om, waardoor we de slappe lach kregen. We giechelden terwijl ik steeds tussendoor zei: “Sssst.”

Vervolgens ging hij achterover op mijn been liggen, als een dronkeman aan het eind van een feestje. Daardoor herinnerde ik me opeens dat ik stoned was. Dat ik daarom zo moest giechelen. Shit. “Hup, naar bed jij,” zei ik.

In bed keek ik naar zijn glanzende rossige haar, zijn mooie blauwe oog (het andere was afgeplakt na een stoot-incident, wat hem des te aandoenlijker maakte) en dacht: wat is hij toch mooi. Dat moet ik zometeen aan mijn vriendin vertellen.

Maar op de trap naar beneden herinnerde ik me opeens weer dat ik stoned was en dat ik dit helemaal niet aan mijn vriendin moest vertellen.

Ik vertelde het toch.

Een stoel op het strand

Toen mijn vriendin en ik nog tijd hadden om urenlang op de bank te hangen, hadden we een terugkerend grapje. Als ik vroeg: “Wat zullen we kijken?”, antwoordde zij: “Shoah…?” waarna we tegelijk zeiden: “Nêhhh.” De film stond al tijden klaar op mijn laptop, maar wie heeft er ooit zin in een ruim negen uur durende documentaire over de Holocaust?

‘Zin’ is natuurlijk niet het punt, dus op een regenachtige zondag kwam het er toch van. Het is moeilijk om de kijkervaring van Shoah in woorden te vatten, maar de uitgestrekte lengte bleek een essentieel onderdeel, omdat het je dwingt om erin op te gaan. Dat is wat regisseur Claude Lanzmann continu doet: je dwingen om erin op te gaan (helaas drong hij zich ook regelmatig aan vrouwen op).

De trage beelden van natuurschoon op plekken waar de gruwelijkste misdaden hebben plaatsgevonden, bezorgen je dezelfde misselijkmakende desoriëntatie als de tegenstellingen in het gedicht ‘Todesfuge’ van Paul Celan: “dein goldenes Haar Margarete/dein aschenes Haar Sulamith”.

En ook tegenover de overlevers is Lanzmann dwingend. Zoals bij de man die op een terras aan het strand van Tel Aviv maar blijft glimlachen terwijl Lanzmann zijn vragen stelt, tot we de glimlach zien voor wat hij is: een overlevingsstrategie.

Of bij de Israëlische kapper Abraham Bomba, die in Treblinka gevangenen moest kaalknippen voor ze de gaskamers in gingen. Hij vertelt zijn verhaal op luide, afstandelijke toon, terwijl hij een klant in zijn kapsalon blijft knippen. Tot hij plotseling toch stokt. De camera zoomt in, we zien hoe hij zijn emoties probeert te onderdrukken. “Come on Abe, you have to,” dringt Lanzmann aan. “I can’t do it,” fluistert Bomba. “Don’t make me do it.” Het lukt hem toch.

Of bij Jan Karski, die als spion namens de Poolse regering het ghetto van Warschau binnendrong, en zo een van de eerste getuigen van de rassenzuivering werd. “Now I go back thirty-five years…” kondigt hij aan bij het begin van het interview. Maar dan wordt hij door herinneringen overmand en roept hij uit “No! No! I don’t go back!” waarop hij geëmotioneerd de kamer uitloopt. Ook hem lukt het bij de tweede poging alsnog.

Onlangs las ik Beloved, de klassieke roman over de Amerikaanse slavernij van Toni Morrison, die een paar jaar na Shoah verscheen. De mechaniek van het trauma is hier hetzelfde: “To Sethe, the future was a matter of keeping the past at bay.” Maar ook Sethe ontmoet mensen – en geesten – die haar toch dwingen om het verleden in de ogen te kijken.

Mensen beschikken over een bizar groot vermogen om verdriet te onderdrukken, net zoals we er goed in zijn om andere negatieve kanten van onszelf en het leven te ontkennen. Zullen we Shoah kijken? Nêhhh.

Voor mij was dat het belangrijkste deel van Grunbergs speech gisteren: de oproep om het kwaad in onszelf onder ogen te blijven zien: “Niets doet mensen zozeer naar een onwrikbare identiteit verlangen als het knagende vermoeden dat ze geen idee hebben wie ze zijn. En het is vaak de onwrikbare eigen identiteit, de weigering er speels mee om te gaan, die ertoe leidt dat de ander als een volstrekte vreemde en een absolute vijand wordt gezien.”

En: “Als herdenken ook verlangen naar kennis is, dan zijn details belangrijk, en dan kunnen we het ons niet permitteren te zeggen dat wij bepaalde details niet wensen te horen omdat ze onze nachtrust verstoren.”

Op mijn vijftiende had ik op de een of andere manier het boek Moordenaars Onder Ons van nazi-jager Simon Wiesenthal in handen gekregen (ik denk na het lezen van De Jongens van Brazilië van Ira Levin, waarin Wiesenthal een personage is). Hierin stuitte ik op een van de foto’s die nazi’s op feestjes uitwisselden, van een officier die zijn wapen op het achterhoofd van een magere man gericht houdt, op de rand van een kuil vol lijken. De gevangene kijkt recht in de camera, met een blik die alleen maar ‘Waarom’ lijkt te vragen.

Die nacht kon ik, misschien wel voor het eerst in mijn onbezorgde leven, niet slapen. En ik vermoed dat die foto me er later toe dreef om Auschwitz te bezoeken. Ook na de officiële tour dwaalden we er nog urenlang rond, vastbesloten om elk detail in ons op te nemen.

Grunberg erkende ook dat het belangrijk is om jezelf niet helemaal in het verleden onder te dompelen – de glimlach is écht een essentieel overlevingsmiddel. Ik kan zelf ook doorschieten in mijn drang naar eerlijkheid, waardoor het zwelgen wordt, of nog erger: depressie. Daar heeft niemand iets aan. En dan heb ik nog makkelijk praten.

Toch blijf ik geloven dat we onze diepste waarheden met elkaar moeten blijven delen. Dat we onze zwaktes moeten erkennen, om te voorkomen dat we onze frustraties – ons verdriet – afreageren op de ander. Dat we onszelf en elkaar daar soms toe moeten dwingen, zodat we kunnen leren en veranderen. In plaats daarvan lijken we steeds vaker te kiezen voor een onwrikbare identiteit.

In Yad Vashem, het Holocaustmuseum bij Jeruzalem, hoorde ik het verhaal van een Joodse vrouw die de oorlog overleefde en naar het Beloofde Land trok. Ze verwachtte dat daar op het strand een stoel voor haar klaar zou staan, waar ze op zou gaan zitten zodat ze eindelijk haar verhaal zou kunnen vertellen. Maar er stond geen stoel: niemand wilde haar verhaal horen.

In Israël heerst nog steeds veel schaamte over de manier waarop Joden zich ‘als makke lammeren’ hebben laten afvoeren. Kinderen schelden zwakkere klasgenoten op het schoolplein uit voor ‘stuk zeep’. Een onverwerkt trauma kan ook leiden tot een onwrikbare identiteit, tot nieuwe haat.

Ik moet vaak denken aan die stoel op het strand. Aan de kapper die fluistert: “I can’t do it”, aan Lanzmann die dan zegt: “You have to.” Aan Paul D, die aan het eind van Beloved over Sethe zegt: “She is a friend of my mind. She gather me, man. The pieces I am, she gather them and give them back to me in all the right order.”

Een paar jaar geleden vertelde mijn vader me dat hij had ontdekt dat zijn oma Joods was en dat veel familieleden van zijn moeder in concentratiekampen zijn overleden. Zijn moeder was zelf tijdens de oorlog gehaast met zijn katholieke vader getrouwd, en ze had mijn vader nooit iets over haar Joodse achtergrond verteld.

Het gekke is: in eerste instantie wilde ik er ook niets over horen. Ik deed het af als een nieuw projectje van mijn vader, als verre familie die niets met mij te maken heeft. Misschien wordt het toch eens tijd om naar zijn verhaal te luisteren.

Verraad

“Ik zou het maar voor je houden,” zei een vriend toen ik hem vertelde dat ik met mijn gezin naar een natuurhuisje zou gaan. Ik begreep wat hij bedoelde: er heerst een grote behoefte om mensen aan de schandpaal te nagelen. De gekmakende onzekerheid zorgt ervoor dat we ons vastklampen aan onze morele superioriteit. Sommige mensen zijn zo teleurgesteld in hun medemens dat ze zich woedend opsluiten in hun ivoren toren (met Wifi).

Waren we eigenlijk wel in overtreding? Dat was, zoals zoveel tijdens deze crisis, onduidelijk. Binnenlandse vakanties werden ‘afgeraden’, maar social distancen is veel makkelijker op het platteland.

We waren doodop. Het algoritme van Twitter weet precies wat me provoceert en toont daarom willekeurige tweets die me gegarandeerd woedend zullen maken. Zo zag ik een bericht van een onbekende die schreef dat veel ouders hopen dat de scholen en kinderopvang opengaan “omdat ze hun “kutkind” naarbuiten willen bonjouren zodat ZIJ rust kunnen hebben”.

Ik hapte. Waar komt toch het idee vandaan dat ouders die het zwaar hebben, dan maar geen kinderen hadden moeten nemen? It takes a village, zeggen ze: niemand kan een kind opvoeden zonder hulp. Kun je het nu niet aan in je eentje? Schaam je! Neoliberaler kun je het niet krijgen – maar dit soort kritiek komt steeds vaker van links-progressieve mensen.

Het algoritme van Instagram weet dan weer precies waar je naar verlangt en toonde me dus prachtige plaatjes van andere ouders, die hun kinderen konden laten uitrazen in de tuinen van familiehuisjes. Groen van jaloezie boekte ik ons eigen huisje aan het bos.

In het natuurhuisje vond ik eindelijk de rust om ‘t Hooge Nest van Roxane van Iperen uit te lezen. Het was vreemd om tijdens de grootste crisis van ons leven in zo’n levensecht verslag van de Tweede Wereldoorlog te duiken. Er waren overeenkomsten: de twijfel tussen optimisme (‘Het zal wel meevallen’) en waakzaamheid. De onverwachte momenten van schoonheid: het onderduikadres uit de titel lag ook in een bosrijke omgeving. Maar het deed vooral beseffen dat het nog veel erger kan.

Termen als ‘NSB’er’ en ‘verzetsstrijder’ zijn ook onzinnig als de vijand bestaat uit onzichtbare virusdeeltjes. En wat betekent ‘verraad’ in deze tijd? Is het nu goed om je op het internet kwaad te maken over een vage telelens-foto van aso’s die toch samen Koningsdag lijken te vieren? Of is het juist goed om binnen deze nieuwe grenzen op zoek te blijven naar medemenselijkheid? Je weet het niet.

Het is zoals die grap van Theo Maassen: “Tijdens de Tachtigjarige Oorlog zeiden ze ook niet na veertig jaar: ‘Hè gelukkig, we zijn op de helft.'”

We maakten een boswandeling met vrienden en hun kinderen. Op anderhalve meter – afstandelen noemde ik het. Was dat oké? Of waren we zo hardwerkende zorgmedewerkers indirect in hun gezicht aan het spugen? Het was prachtig weer, de kinderen speelden en ik genoot van het gezelschap, maar het verdriet lag op de loer. Alles was vaag.

Ik heb het gevoel dat deze crisis de climax is van de eeuwig terugkerende discussie die de laatste jaren weer oplaaide: kiezen we voor individualisme of voor collectivisme? Nadat de samenleving decennialang was uitgehold onder het mom van ‘eigen verantwoordelijkheid’, en we de laatste tijd zo met onszelf en onze telefoons bezig waren dat we niet eens meer in staat waren om een gesprekje met de buurvrouw te voeren, leken we weer te neigen naar de tweede optie.

Het is omgedraaid: in plaats van samen te leven als individualisten, leven we nu apart uit solidariteit. Daar schuilt een kans in. Maar die empathie moet dan wel echt zo ver mogelijk reiken, en niet ophouden bij anderen die zich niet zo perfect gedragen als jij – of die je toch al niet mocht.

Waakzaamheid betekent zorgen voor de mensen om je heen, met alles wat je hebt, en die cirkel proberen te vergroten – niet keihard oordelen over mensen die je niet kent. Dat is de les van ‘t Hooge Nest.