Hypocriet

De laatste tijd probeer ik te leven volgens de filosofie van de Stoa, door me niet druk te maken over dingen waar ik geen controle over heb. Dat betekent ook weer niet dat je lekker achterover mag leunen – je moet je vol inzetten voor alles waar je wél iets aan kunt doen. Daarom kocht ik een afvalgrijper via Bol.com.

Ik ergerde me al tijden aan het zwerfafval in ons volksbuurtje, met name het plastic natuurlijk, dat het nabijgelegen water in waait en over twintig jaar zal terugkeren in de kibbeling van de viskraam op de hoek, om ons tenslotte allemaal onvruchtbaar te maken. Even overwoog ik om overal campagneposters op te hangen met de slogan “Laat je chipszak niet zomaar vallen, straks zit-ie in je ballen”, maar in plaats daarvan kocht ik de grijper.

Zo wandelde ik dus op een druilerige dag met mijn zoon door ons buurtje, met de grijper en twee vuilniszakken: één voor huisvuil en één voor plastic. Ik dacht dat het een leuk uitje zou zijn (mijn zoon loopt toch ontzettend langzaam), en bevredigend bovendien, maar Tinus had geen zin om plastic te spotten en ik voelde me eigenlijk vooral een sukkel terwijl ik een patatbakje met verregende satésaus uit andermans tuin stond te wurmen.

Toen we bij de huisvuilcontainer aankwamen, bleek deze vol te zijn. Er lag al een hoopje vuilniszakken naast. Ik had spierpijn in mijn hand van het grijpen (een heel specifieke beweging, zo blijkt), Tinus smeekte “Jij mij draaaaaagen”, dus ik legde onze zak er ook bij. Ik breng eerst het plastic weg, dacht ik nog. Op de terugweg was die gedachte al geëvolueerd naar: ik kan er verdomme toch óók niets aan doen dat die container vol zit?

Een week later kregen we een kaartje in de bus waarop vermeld stond dat we we een boete kregen voor verkeerd geplaatst vuilnis. Er zat blijkbaar een envelop met ons adres in die zak. Zoals iedereen met grote woorden en principes ben ik onvermijdelijk hypocriet, een vegetariër met leren schoenen, een klimaatstrijder op vliegvakantie, een Joaquin Phoenix met een milkshake. Maar dit was wel heel ironisch. Ik overwoog om het geldbedrag met mijn grijper bij het gemeentehuis af te geven.

Op het kaartje stond dat we op dinsdag of donderdag tussen 10 en 12 konden bellen als we wilden reageren. Een 06-nummer van de heer Uiterwijk. Ik bestudeerde het handschrift van dit ingevulde deel. Streng en priegelig, als van een oude man. Nu moest ik wel bellen.

“Goedemiddag, Jens Uiterwijk, Gemeente Amsterdam.” “Goedemiddag, ik bel over de boete voor het huisvuil. Ik ben het er op zich mee eens hoor, maar ik moet zeggen dat het wel erg ironisch is…” Ik vertelde het verhaal, maar al snel besefte ik dat ambtenaren en ironie een ongelukkige combinatie zijn.

“De container was inderdaad vol meneer, maar in ons onderzoek hebben wij geconstateerd dat er binnen 150 meter nog een lege container stond,” was zijn lauwe reactie op mijn hilarische anekdote. “Snap ik, maar ik heb dus speciáál een grijper…” “Mag ik misschien meteen een documentnummer noteren voor het proces-verbaal? De boete bedraagt 95 euro.” “95?!” “Ja meneer, ik bepaal die bedragen niet helaas.” “Jezus.” “Wilt u een verklaring geven?” “Dat heb ik u net verteld.” “Kunt u het misschien herhalen? Dan noteer ik het als officiële verklaring.” Ik had net zo goed met de vuilniscontainer zelf in gesprek kunnen gaan.

“Heeft u nog vragen?” zei hij tenslotte. “Hoe reageren de meeste mensen als ze bellen?” vroeg ik oprecht nieuwsgierig. “Tja, ze worden kwaad. En meestal geven ze anderen de schuld.”

Kon ik dat ook maar, dacht ik, anderen de schuld geven. Maar dat mag niet van de Stoa.

Poep

In de buurtboerderij waar we met mijn broer hebben afgesproken, blijkt een harp-concert bezig te zijn, waardoor we met onze peuter en baby buiten moeten wachten (harp-concerten en kinderen zijn een slechte combinatie). Mijn broer appt dat hij later komt – zijn zoontje is pas net wakker uit zijn dutje. We willen er pissig over worden, maar we kunnen ons zijn situatie te goed voorstellen.

Het begint donker te worden. “Waar zijn de dieren mama?” vraagt de peuter. We hadden hem dieren beloofd. “Kijk daar!” roep ik. Er glipt een enorme rat uit een vuilnisbak. Mijn zoontje mist hem net, maar is toch tevreden: “Er was daar een rát mama!”

Als het harp-concert eindelijk klaar is, bestellen we snel thee om op te warmen. Nadat de drankjes zijn gearriveerd vragen we om menu’s. “Ah nee sorry,” zegt de barvrouw, “vanavond hebben we geen eten. En we gaan ook zo dicht.”

Mijn broer stelt een ander restaurant voor. “Dan moeten we nú gaan,” zeg ik met een blik op de klok, waarna ik mijn bek brand aan mijn dampende muntthee. We laden vlug alles en iedereen weer in de auto. De baby huilt bij elk stoplicht, en is stil als we weer rijden.

In het café-restaurant spot ik de ene BN’er na de andere. Er loopt zelfs een acteur uit mijn favoriete serie Succession langs. Maar mijn broer heeft een hoek in een iets rommeliger familie-deel geclaimd, waar we zonder schaamte met onze troep kunnen neerzijgen.

Ik ben sowieso de schaamte voorbij. Vroeger vond ik mensen met kinderen asociaal als ze een ruimte overnamen met hun rommel en lawaai, nu begrijp ik: je moet wel. Kinderen spelen nu eenmaal met autootjes die van tafel flikkeren. Natuurlijk corrigeer je ze, maar dat heeft zijn beperkingen. Ik voel de blikken van de andere restaurantgangers, en denk: tja, zo zijn we.

Halverwege mijn hamburger zegt mijn zoon verschrikt: “Poep.” Ik sta als eerste op.

Tinus wil niet op de uitklapbare verschoontafel liggen, dus blijft hij staan terwijl ik zijn tuinbroek naar beneden trek. Ik slik. Een zee van diarree is langs zijn benen gelopen. “Oké,” zucht ik, “dat is oké.” Er moeten nu pijlsnelle beslissingen genomen worden. “Die broek kunnen we opgeven,” mompel ik. Hij knikt. Maar dan moet hij gaan zitten, en daarvoor moeten eerst zijn billen schoon zijn. Operatie-Stronthoop gaat van start.

Ik hoor opgewonden vrouwenstemmen aan de andere kant van de deur, moeders die ook hun kinderen willen verschonen, dus ik zeg op luide toon: “Jeetje wat een diarree! Dit gaat nog wel even duren zeg!”

Nu moet ik de wasbare luier in de wc uitspoelen. Intussen is mijn zoon met zijn poepvoeten over het verschoonkussen aan het paraderen. “Niet bewegen!” roep ik over mijn schouder. Ik gebruik een halve wc-rol om alles af te vegen: luier, broek, zoon, wc en het verschoonkussen, dat helemaal onder zit. Ik trek wel acht keer door en was mijn handen zestien keer. “Heel veel poep papa,” zegt mijn zoon. We moeten er samen om lachen.

Even later loopt hij slechts gekleed in een rompertje en schoenen parmantig door het chique restaurant. Een ouder stel kijkt hoofdschuddend toe.

Mijn vriendin schiet in de lach als ze ons ziet. Zodra ik weer aan mijn hamburger wil beginnen, zie ik dat mijn trui op buikhoogte nog onder de poep-korrels zit. 

We rijden door het donker naar huis, sommigen met broek, anderen zonder. Het was zwaar, maar het is gelukt, en nog zonder irritaties ook. En ik kan je zeggen: ook al stinkt alles naar kak, er is geen bevredigender gevoel dan dat.