Smiling at strangers

De laatste weken hadden we steigers voor de deur: op anderhalve meter van onze ontbijttafel stonden schilders het houtwerk te schuren. Het vreemdste was nog wel dat ze ons niet groetten; ze kletsten honderduit zonder te erkennen dat wij daar zaten te ontbijten, in onze badjassen, met een peuter die steeds “Mannen!” naar ze riep.

Ik vermoedde dat het beleid was, dat hun voorman had gezegd: “Laat die mensen lekker met rust.” Maar nu ontstond de ongemakkelijke situatie waarin we allebei deden alsof de ander niet bestond. Tot mijn vriendin op een ochtend de balkondeur opendeed en demonstratief “Goedemorgen!” naar ze zong. “Goedemorrege,” mompelden de schilders enigszins verlegen terug. Ik probeerde het de volgende ochtend ook, maar bij mij kwam het er meteen veel te agressief uit: “GOEDEMORGEN! HALLO!”

Terwijl onze straat minimaal wordt onderhouden door de wooncoöperatie, wordt verderop een moderne woontoren gebouwd, in een luxe wijk die volledig in handen van een Israëlische zakenman schijnt te zijn. Mijn vriendin wees me erop dat het gebouw zo hoog is dat je het vanuit onze straat kunt zien; de nieuwe bewoners kijken letterlijk op ons neer.

In die luxe wijk bevindt zich ook een Jumbo foodmarkt waar ik steeds vaker heen ga, ook al is alles er drie keer zo duur als bij de Dirk. Waarom ga ik dan toch? Het fruit is beter, maar het voélt vooral goed om daar rond te lopen, om verse producten te kiezen als een adelman in 1673.

In tegenstelling tot de Dirk wordt de foodmarkt uitsluitend bezocht door witte mensen. Soms zijn het types zoals onze schilders, steeds vaker zijn het de yuppen uit de nieuwe wijk, maar de overeenkomst is dat niemand daar oogcontact maakt. Als je een hippe moeder met strak gestylde kids in een versmald gangpad voor laat gaan, loopt ze je straal voorbij. Het is aanstekelijk; al snel vergeet ik zelf ook te glimlachen naar de caissière.

In de Dirk is er sprake van een gemoedelijke laagdrempeligheid, en maak je altijd een praatje bij de kassa. In de foodmarkt zit iedereen vast in zijn eigen narcistische consumentenervaring. Maar ja, die verse vis hè.

Ooit zei premier Balkenende dat we elkaar moesten groeten op straat. Dat vond ik van een stuitende truttigheid. Maar mijn vriendin leerde me dat het belangrijk is om simpelweg “Fijne dag!” te zeggen als je een winkel verlaat. Het is veel makkelijker om het niét te doen, maar zoals Joan As Policewoman zingt in ‘Human Condition’: “Good living requires smiling at strangers.”

Op een bloedhete avond liep opeens onze buurman Murat langs ons balkon, met een paar flesjes frisdrank. “Voor die gasten, ze hebben zo hard gewerkt,” verklaarde hij. Even later zag ik hoe de buurkinderen aan de overkant ook de steigers gebruikten om naar elkaars balkon over te lopen. De zon ging onder in een spectaculair soort roze. De huren stegen snel. Maar even was alles goed.
——————-
Hoe meer stukjes-abonnees, hoe meer vreugd: https://www.rutgerlemm.com/nieuwsbrief.

Oudere broer

Elke tiener heeft een oudere broer nodig, iemand die je als familie kunt vertrouwen en die tegelijk volledig los staat van de saaiheid van je ouders. Een gids die je nonchalant naar de meest opwindende boeken, films en albums leidt. Voor mij was dat Jan, die twee klassen boven mij zat en die ik leerde kennen via het schooltoneel.

Jan woonde in een oud huis in het centrum van Amsterdam (zijn ouders waren klassieke muzikanten, maar dit verhaal speelt zich af vóór de neoliberale revolutie van 2010 lieve kinderen; toen kon dat nog). Hij had de zolderkamer, een grote romantische ruimte met dwarsbalken, houten boekenkasten vol versleten klassiekers, en een verzameling van honderden CD’s.

Op die kamer liet hij me het ene na het andere nummer horen terwijl we traag sigaretten rookten en het me al snel duizelde van de nicotine en de nieuwe kennis. Eén keer vielen we in slaap bij ‘Echoes’ van Pink Floyd. Soms, als onze pretenties echt op het toppunt waren, las hij me voor uit Sartre. Ik denk niet dat ik ooit zo gelukkig ben geweest als op die zolderkamer, waar voor het eerst (en het laatst) mijn veel te poëtische verwachtingen van het leven samenvielen met de realiteit.

Ik raakte verslaafd aan het kopen van CD’s. Op weg van school naar het Centraal Station, waar ik de bus naar mijn dorp moest nemen, stapte ik vaak al op de Dam uit, om in de Fame door de ‘2 voor 17,50’ te bladeren. Soms wandelde ik dan nog door naar de Boudisque (wat een heerlijk slechte naam is dat toch). Er zat altijd wel iets bij wat ik moest hebben; ik schat dat ik door de jaren heen zo’n 3000 euro aan CD’s heb uitgegeven.

Op de WC van Jans huis hing een cartoon van een man die tussen enorme stapels boeken zit, waarop een sceptische man zegt: “Zal ik de hele boel maar even voor je op een CD’tje branden?” De boodschap was duidelijk: er is niets platter dan het opeen persen van kunst.

Toch is dat nu gebeurd. Mijn CD-verzameling, ooit mijn grote trots, ligt nu stof te verzamelen op zolder. Voor 9,99 per maand kan ik elk nummer dat ooit gemaakt is in mijn bezit krijgen. Als er een nieuw album uitkomt, hoef ik het alleen maar aan te klikken. De uitgebreide collector’s edition? Waarom niet. De B-sides? Hoppa, daar zijn ze.

Op een bepaalde manier is dat een droom die uitkomt, maar gek genoeg lukt het me maar niet om ervan te profiteren. Het is te veel. Ik verlies het overzicht. Vroeger moest ik een album zorgvuldig verkennen op mijn discman, waarna het naar de volgende band leidde (als ik genoeg geld had). Nu is er zoveel dat ik het niet meer uit elkaar kan houden, en de tips van mijn streamingservice helpen niet. Ik heb een oudere broer nodig, geen algoritme. (En tijd).

Ja, oudemannenpraat. Straks word ik nog nostalgisch over de huistelefoon, of over vieze boekjes (vroéger had je pas goede porno, jongens!). Ik wilde het gewoon even kwijt. Laat me met rust oké? Tijd voor een dutje.

Lekker weer

Terwijl Tinus in bad zat, bespraken zijn moeder en ik wie hem naar bed zou brengen. Ouderschap is: voortdurend onderhandelen. Als jij stofzuigt, dan verschoon ik zijn luier. Doe jij de afwas? Dan geef ik jou vanavond orale seks. “Ik doe het wel, ga jij maar even op de bank liggen,” zei ik nu.

Maar toen mengde onze zoon van bijna twee zich opeens in de discussie: “Nee,” zei hij, “mama naar bed brengen.” We keken hem verbaasd aan. Om zijn argument kracht bij te zetten knikte hij kalm: “Ja. Ja. Mama doen.” Daar konden we niet tegenop.

Tinus kan ontzettend goed praten, maar de laatste tijd neemt het wel heel volwassen vormen aan. Als mijn vriendin de planten de planten water geeft, zegt hij: “Goed zo mama.” Zodra we naar buiten gaan, zegt hij tegen de buren: “Lekker weer!” Als we met z’n drieën naar het park fietsen, merkt hij op: “Gezellig.”

Hij praat ons ook voortdurend na, dus dat is oppassen geblazen. “Godverredomme!” roept hij soms enthousiast. En als een duplo-blokje niet past: “Kut.” Als ik hem dan half lachend vermaan, gaat hij het natuurlijk alleen maar herhalen: “Kuttt. Kuttt. Kuttt.” Het grappigste vind ik nog dat hij geluidjes nadoet die helemaal geen betekenis hebben. Als ik hem voor het slapen gaan vraag welk boekje hij wil lezen, zegt hij eerst: “Ehmmm…”

Maar er schuilt ook een groter risico in. Het is heel verleidelijk om hem steeds gelijkwaardiger te gaan behandelen, terwijl hij eigenlijk nog gewoon een peuter is die geen fuck van de wereld begrijpt. Mijn vader zei laatst nog: “Hij lijkt op jou. De kinderpsycholoog zei over jou ook dat je ratio veel verder ontwikkeld was dan je emotionele kant.” Alice Miller, anyone?

De kinderpsycholoog. Als zevenjarige bemiddelde ik in de relatiecrisis van mijn ouders; de jaren erna voelde ik me verdrietig zonder dat ik begreep waarom. Vervolgens moest ik maandenlang inktvlekken interpreteren, waarna de conclusie was dat het gewoon aan mijn emóties lag. Dat we daar niet eerder op gekomen waren!

Maar ja, daar hebben we nu eenmaal een ongemakkelijke relatie mee, hier in Noord-Europa. Al mijn vrienden lopen bij psychologen, yoga-leraren of haptonomen om te leren wat dat eigenlijk is, voelen. Cabaretier Daniël Arends vertelde bij ’24 Uur Met’: “Mijn psycholoog zei: de volgende keer gaan we kleurentherapie proberen, want als jij praat, hóór ik veel over emoties, maar ik zie ze niet.” Hij zweeg. “Toen ben ik dus niet meer teruggegaan.”

Dat is het probleem: woorden zijn krachtig, maar ze zijn vruchteloos tijdens de dierlijke momenten van het leven, als we overvallen worden door rauwe verlangens. Ik zie het ook aan mijn zoon, die zich soms simpelweg geen raad weet met wat hij allemaal wil. “Niet die aardappel, dié! Dié! Niet papa pakken, Tinus dooeeeeeen!” huilt hij dan, in een wanhopige poging om zijn wereld weer in woorden te vangen.

Het enige wat je dan kan doen, is zwijgen, er voor hem zijn en wachten tot het overgaat. Tot hij oud genoeg is om naar een meditatie-retraite te gaan.

Respect

Onze overbuurman Patrick kijkt alle wedstrijden van het WK vrouwenvoetbal. Na de verloren WK-finale van de mannen in 2010 gooide hij letterlijk zijn TV uit het raam en stopte hij met voetbal kijken: “Ik was ‘r helemaal klaar mee.” Dat was balen voor mij toen we hier kwamen wonen: ik dacht dat het een van de weinige dingen was waar we over konden praten.

Na vijf jaar is het wantrouwen van de oude bewoners uit de straat en ons ongemak grotendeels verdwenen, zeker sinds we een kind hebben. We horen er nu helemaal bij. Patrick is onze vriend. Nu zijn wij degenen die aan nieuwe bewoners vragen: “Zijn jullie nou yuppen?”

Patrick vindt het prachtig, die voetballende meiden. Hij wilde ook de wedstrijden van Marokko op de Afrika Cup kijken – “Voor de Marokkaanse buren, ja toch?” maar tot zijn teleurstelling hadden de buren geen interesse. “Ik woon nu toch in Nederland,” zeiden ze. Dat vond hij maar raar.

Volgens mijn vriendin is Patrick een feminist zonder dat hij het doorheeft. Misschien is hij nog wel feministischer dan progressieve deugmannen zoals ik, juíst omdat hij het niet doorheeft. Hij past vaak op zijn vele kleinkinderen, grotendeels meisjes, die overal mee mogen slepen en klooien in zijn voortuin. Ik hoorde hem laatst met zijn galmende basstem tegen een kleindochter zeggen: “Je bent niét dik. Je bent mooi.” Zijn motto is: “Iedereen is lief.”

Vorig weekend keken we Nederland-Italië in zijn voortuin. “Ik ben zo trots op die meiden,” zei Patrick, die bloedzenuwachtig was. “Godver, waarom halen ze die Van de Sanden er niet uit! Beerensteyn moet erin! Beerensteyn!”

Natuurlijk zijn er nog wel verschillen. “Waarom drinken jullie eigenlijk biologisch bier?” vroeg Patricks zus Nel over de Gulpener witbiertjes die ik had meegenomen. Al snel kreeg ik gewoon een Grolsch beugelfles in mijn handen geduwd, die ik niet helemaal op kreeg omdat ik voelde dat ik dan dronken zou worden. Na de wedstrijd gaf ik iedereen een overwinnings-high five en liet mijn halve biertje onder mijn tuinstoel achter.

Woensdag keek ik Nederland-Zweden bij Patrick thuis. Nadat ik was gaan zitten, liep hij naar de keuken en zette even later zonder iets te zeggen mijn half opgedronken Grolsch-fles van afgelopen zaterdag voor me neer – koud, dat wel. Zo werkt dat bij hem: geen gedoe, maar wél even iets duidelijk maken.

“Zo mooi dit,” zei hij terwijl hij zijn zoveelste sigaret opstak en koortsachtig naar het scherm staarde. “Mijn pa had het moeten zien. In zijn tijd moesten de dames binnenblijven. Maar hij zei al-tijd: vrouwen moet je respecteren. Toen mijn nichie ging voetballen, was het nog helemaal niks. En kijk ze nu.”

Toen Jackie Groenen in de verlenging de 1-0 scoorde, sprongen we op en omhelsden elkaar extatisch. Na mijn halve biertje kreeg ik een blikkie cola. Ik rookte twee sigaretten. Het was een top-avond.