Bunny

In een briljante openingsscène van Friends zegt Ross tegen zijn vrienden: “Hey, remember when I had a monkey?” “Oh, yeah…” reageren de anderen welwillend: ze verwachten dat Ross nu herinneringen zal gaan ophalen aan Marcel, het kapucijnaapje dat hij in seizoen 1 als huisdier had. “Yeah…” zegt Ross. “What was I thinking?”

Zoiets zeggen mijn vriendin en ik ook vaak tegen elkaar als we een kapot gekauwde kabel tegenkomen: “Holy shit, we hadden gewoon een koníjn! Waarom in godsnaam?”

Ik kreeg Benny als ongevraagd cadeau bij de presentatie van mijn eerste boek. Die avond waarschuwde een collega-schrijver al: “Konijnen mag je eigenlijk echt niet alleen houden hè. Dat is zielig. Het zijn groepsdieren.” “Ja hallo,” zei ik met het beestje in mijn armen, totaal overdonderd, “moet ik er nu ook nog zelf een konijn bij kopen?”

Het ging lange tijd goed: Benny dacht dat wij een soort enorme konijnen waren, met belachelijk kleine oren weliswaar, maar toch. We aaiden haar en verschoonden haar intens gore konijnen-toilet. Soms staarden we samen naar haar als ze iets schattigs deed.

En toen kwam de baby.

Baby’s maken meer kapot dan je lief is. Je vrije tijd, je seksleven, je huisdieren (kabels laten ze meestal heel). Soms dacht ik ‘s avonds: shit, ik heb Benny niet geaaid vandaag. Dan telde ik tien aaitjes over haar koppie en ging ik snel naar bed. Mijn vriendin bekende dat ze hetzelfde deed.

Benny zat hele dagen stil in haar hoekje. We zetten haar op Marktplaats: Knap Blond Konijn Zkt Maatje. Tot onze verrassing kwamen er vele reacties van mannetjeskonijnen, inclusief foto’s. Beer, Luigi, Snuf: ze wilden allemaal wat graag met Benny op date.

Het werd Beer, een groot zwart konijn, woonachtig in een enorm konijnenren (inclusief konijnenkasteel) in Noord-Brabant. We reden erheen op een snikhete dag.

Je moet konijnen eerst koppelen, en dat moet op neutraal terrein. Monique, de intens zenuwachtige eigenares van Beer, had in de tuin van haar moeder een gelegenheidsren opgezet. Ze stond klaar met een strandhanddoek, om over de konijnen heen te gooien als het uit de hand zou lopen: konijnen vechten niet in het donker. Haar zoontje zei steeds: “Straks is Benny van ons hè?”

Benny en Beer werden losgelaten en begonnen onmiddellijk wild over elkaar heen te springen. “Nu gaan ze kijken wie de dominante is…” fluisterde Monique. Beer probeerde Benny te berijden, maar ze glipte telkens weg: ze had nog nooit een ander volwassen konijn gezien. Het was een soort bokswedstrijd: tussen de rondes door aaiden we onze hijgende, angstige konijnen, waarna de worsteling weer begon. De plukken vacht vlogen in het rond.

Uiteindelijk was de hiërarchie vastgesteld (Beer won) en konden de trillende konijnen samen in een bench mee naar het kasteel.

Thuis wilde het zoontje al zijn speelgoed aan ons laten zien: “Kijk ik heb een mountainbike. Kijk ik heb skeelers. Kijk ik heb een MacBook Pro.” Benny en Beer werden in het ren losgelaten en namen meteen afstand van elkaar. Wij kregen iets te drinken. “Jullie mogen allebei één vlierbes,” zei het jongetje terwijl hij ons een bakje voorhield.

Toen we in de auto stapten zei het zoontje: “Benny is nu van ons, toch mama?” Zijn moeder knikte, nog natrillend van alle spanning. “Hebben jullie maar één auto?” vroeg hij toen aan ons, met een beetje een vies gezicht. “Nou, Tobias!” zei zijn moeder. Om het goed te maken vroeg hij: “Misschien willen jullie een keer mee varen op onze boot?”

We reden weg met een schuldgevoel. Hadden we Benny misbruikt? Als personage, als oefen-baby? Om haar nu te dumpen bij deze materialistische neuroten?

Maar een paar dagen later stuurde Monique een filmpje van Beer en Benny, die samen aan een wortel knaagden. Vervolgens maakte ze een sprongetje van plezier. Na een tijdje vergaten we haar. En dat was dat.