Rancune

Ik heb Thierry Baudet nooit ontmoet, maar het scheelde niet veel. We bewogen ons jarenlang binnen dezelfde kringen: op de UvA en in de andere intellectuele en artistieke kringetjes van Amsterdam. Hij stond bekend als een ijdele dandy die wanhopig op zoek was naar erkenning, maar nergens echt serieus werd genomen.

Later leerde ik dat we nog meer gemeen hebben behalve een opleiding aan de UvA. In een inmiddels berucht opiniestuk voor The Post Online verdedigde hij ‘versiercoach’ Julien Blanc, nadat deze had verkondigd dat je vrouwen bij de keel moest grijpen. “De realiteit is dat vrouwen overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden,” bralde Baudet in de conclusie (het kan niet vaak genoeg geciteerd worden).

Het uitgangspunt van zijn stuk vond ik echter verrassend herkenbaar: lieve, romantische jongens die afgewezen worden door vrouwen die toch een stoere man willen. Baudets tragiek kwam samen in de zin: “Het briefje waarop ‘ik hou van je’ staat zal voor hun ogen worden verscheurd, terwijl het meisje lachend achterop de scooter van een ruwe kerel stapt.”

Ik herkende die pijn, maar ik vond vrouwenhaat nou niet bepaald de beste oplossing. In een reactie in NRC raadde ik Baudet en zijn medestanders aan om in de spiegel te kijken (wat ze vast al genoeg doen): als afwijzing je zo boos maakt, denk je misschien vooral dat je récht hebt op seks en liefde, en ben je dus helemaal niet zo lief. Misschien ben je het gewoon gewend om aanbeden te worden.

In het Engels hebben ze daar een goede term voor: a sense of entitlement.

Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om de strijd aan te gaan met dat egocentrisme in jezelf, met je ‘romantische’ verwachtingen van het leven. Het is veel makkelijker om anderen de schuld te blijven geven en jezelf op de borst te blijven kloppen.

In een wederom verrassend herkenbaar interview met Volkskrant Magazine vertelde Baudet dat hij ook jarenlang in therapie is geweest en daardoor nu durfde om kwetsbaar te zijn. Maar hij kon zich nog steeds niet overgeven aan een ander: “Het is mij niet gelukt om iemand fascinerend te blijven vinden.” Hij bleef anderen de schuld geven, sterker nog, hij had er nu een politieke partij op gebaseerd.

Veel mensen waren verrast door Baudets politieke succes. In de Tweede Kamer wordt hij ook vaak uitgelachen om zijn potsierlijke maniertjes. Maar men vergeet daarbij dat zijn aanhangers zich herkennen in zijn eeuwige gevoel van miskenning, zoals dat ook gebeurde bij collega-narcisten als Trump, Orban en Farage. De nieuwrechtse retoriek is volledig gestoeld op die rancune: keihard uitdelen en tegelijk het slachtoffer spelen.

Onder hun kiezers lijkt die rancune deels voort te komen uit het verlies van hun (witte, mannelijke) privileges. Oftewel: entitlement. Maar die gevoelens van miskenning hebben ook begrijpelijkere oorzaken, zoals inkomensongelijkheid, de macht van grote bedrijven, globalisatie, en het falen van de politiek en de media. Het maakt zijn aanhangers niet zoveel uit of Thierry nu weer kletst over een boreale wereld of klaagt over de moderne architectuur, zolang ze zich maar kunnen herkennen in die opgetrokken wenkbrauwtjes van hem: moeten jullie mij weer hebben? Really?

Dat is het probleem met Baudet en zijn verwanten: hun constateringen zijn behoorlijk vaak raak, al is het alleen maar op basis van een emotionele waarheid. Ook in Baudets Houellebecq-essay vond ik zijn kritiek op de individualisering herkenbaar. Maar de oplossing komt telkens weer neer op de makkelijke weg van de rancune: weg met de ander, lang leve ons (en vooral onze leider). Dat is levensgevaarlijk.

Het is niet genoeg om daar met gratuite verontwaardiging op te reageren, zoals Bas Heijne al eerder betoogde. Er moeten politici opstaan die met rechtvaardige plannen het vertrouwen kunnen terugwinnen, en die met hetzelfde vuur empathie in plaats van rancune kunnen betogen. En wij moeten vaker durven om onszelf én elkaar een spiegel voor te houden.

Verliefd

Ik ben de laatste tijd opvallend vrolijk. Er is al een tijdje geen sprake meer van de vaste pieken en dalen: ik sta elke dag op met een goed gevoel. Hoe zou dat toch komen, dacht ik vanochtend. Door mijn knappe zoontje, mijn lieve vriendin, de lente? Ben ik eindelijk volwassen geworden?

Toen besefte ik opeens: Ajax. Het komt doordat het zo goed gaat met Ajax.

Ik schrijf niet vaak over voetbal, hoewel ik er zeker 65 procent van de tijd aan denk. Misschien omdat het gênant is – er zit niet echt een verheffend verhaal in het feit dat ik regelmatig als een junkie op de wc door Voetbalzone zit te scrollen. Maar nu Ajax in de halve finale van de Champions League staat, wat onmogelijk is, schommelt dat percentage rond de 100 procent: ik lees echt ál het nieuws, kijk álle filmpjes.

Die obsessie begon 25 jaar geleden, toen ik als jongetje verliefd werd op het Ajax van Litmanen, Rijkaard, Blind en Kluivert. Stuk voor stuk unieke personages, onder leiding van die maniak Louis van Gaal. Het seizoen 1994/1995 was een sprookje: ongeslagen kampioen en winnaar van de Champions League.

Ik hield plakboeken bij, waarvoor ik zorgvuldig elk Ajax-plaatje uit kranten en tijdschriften knipte. Vlakbij onze basisschool woonde Fred Grim, de reservekeeper, bij wie we soms een handtekening gingen halen. Het schijnt dat Frank de Boer een keer open deed, maar daar was ik niet bij. Als ik wakker was geworden uit een nachtmerrie, zette mijn vader een foto van de Ajax-selectie naast mijn bed, om over me te waken.

Dat is het misschien: Ajax stelt me gerust. Omdat het iets is waar ik geen controle over heb, maar dat er toch altijd is, en dat altijd naar een romantisch soort voetbal zal streven. Voetbal is sowieso de meest onvoorspelbare sport die er is: ook tijdens mindere tijden kun je je hoop erop vestigen. En de illusie koesteren dat je er invloed op hebt.

En nu betaalt al die hoop zich eindelijk weer uit. Er staat weer een elftal met spelers om van te houden: Tadic, Frenkie, De Ligt, een nieuwe Blind (wat dat betreft is het jammer dat de zoon van Kluivert is vertrokken). En dan vergeet ik Neres, Ziyech, Mazraoui, Nico en Onana nog. En Donny natuurlijk. De helden van toen vormen nu het bestuur. Het seizoen staat bol van de symbolische verwijzingen naar Cruijff, naar Nouri.

Ja, verdomme, het is waar: ik ben verliefd. En net als bij een echte verliefdheid gaat het ten koste van mijn gezondheid: ik slaap slecht, drink teveel, mijn hand doet pijn van al het scrollen en ik ben helemaal verkrampt van de spanning. Een vriend zei na de eerste wedstrijd tegen de Spurs: “Ik keek in mijn agenda en dacht bij elke verplichting van de komende week: dat gaat dus niet lukken.” Ja. Zo is het.

Ik denk alleen nog maar aan het verhaal van Ajax. Aan elke speler, elke kans, elk detail. Want nogmaals: dit kán helemaal niet, wat er nu gebeurt. Ik begrijp er helemaal niets van. En dat maakt het zo fantastisch.