McCain

John McCain is dood. U heeft zich misschien verbaasd over de aandacht die dit genereerde, zeker als u geen idee had wie die kale witte man met zijn geniepige grijns eigenlijk was. Ik ken McCain vooral dankzij The Daily Show, het satireprogramma dat ik jarenlang religieus volgde. Ik geloofde destijds écht dat presentator Jon Stewart met zijn redelijkheid en zijn grappen de wereld kon veranderen.

Tijdens de verkiezingsstrijd van 2008 tussen Barack Obama en John McCain was Stewart in absolute topvorm. Hij liet haarfijn zien hoe ongemakkelijk McCain zich voelde binnen de Republikeinse partij, die op het punt stond om over te koken. Het hoogtepunt vond plaats toen een verwarde vrouw tijdens een evenement door de microfoon zei dat McCain zijn opponent niet moest vertrouwen, omdat hij “an Arab” was. McCain onderbrak haar: “No ma’am, he’s a decent family man, who I just happen to have disagreements with.”

Als ik dat fragment nu kijk, moet ik niet lachen, maar springen de tranen juist in mijn ogen. De moed waarmee McCain de door Fox News gegenereerde gekte van zijn eigen aanhang probeerde in te dammen, in plaats van uit te buiten – dat is tien jaar later gewoon ondenkbaar. (McCain koos wel Sarah Palin als ‘running mate’, een knieval waar hij later spijt voor betuigde.)

Tegelijkertijd was McCain een typisch voorbeeld van hoe onze politieke overtuigingen gevormd worden door onze omstandigheden. Nadat hij als soldaat in Vietnam gemarteld werd, toonde hij zich een fel tegenstander van de martelmethodes van de regering-Bush. Het overleven van het gevangenschap maakte McCain bovendien dankbaar en nederig, waardoor hij niet bang was om zijn standpunt te wijzigen, en tot vlak voor zijn dood als van de weinige Republikeinen tegen het cynische beleid van Trump bleef vechten.

Dat zie je vaker: een conservatieve politicus die het homohuwelijk steunt nadat zijn dochter uit de kast is gekomen, of een linkse politicus die voor zero tolerance is nadat hij straatgeweld heeft meegemaakt. Ik las eens over een racistische, antisemitische politicus uit Hongarije die erachter kwam dat hij eigenlijk zélf Joods was. Vervolgens bekeerde hij en werd ultra-orthodox (het extreme bleef toch wel echt zijn ding).

Daarom is het bijna onmogelijk om iemand van je standpunt te overtuigen: omdat we allemaal – links én rechts – vergeten dat ons perspectief ook maar toevallig zo ontstaan is. En ze zeggen wel: “Don’t judge a man before you’ve walked a mile in his shoes”, maar wie heeft daar nog tijd voor? Onze persoonlijke ervaringen worden steeds nauwer, steeds voorspelbaarder. En het debat dus ook.

Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen relativist. Er zijn wel degelijk kernwaarden. Maar empathie is misschien wel de belangrijkste daarvan, en daar is juist zo’n ongelofelijk gebrek aan. De kracht om mee te voelen met een verwarde medestander, en tegelijk tegen haar xenofobie in te gaan, omdat je erkent dat de ander ook gewoon een fatsoenlijk mens is. Ik geef het je te doen.

Lekker Rut!

Sinds kort heb ik een werkplek buiten de deur, in een ‘ondernemershuis’ bij ons in de buurt. Het is goedkoop, de koffie is gratis en er is bijna nooit iemand. De enige voorwaarde is dat je de ruimte schoonhoudt en beschikbaar moet zijn om te netwerken, maar er is dus zelden iemand om mee te netwerken. Met andere woorden: het is perfect.

Vandaag kwam er echter een andere freelancer binnen, met harde muziek op zijn koptelefoon, een grote jongen met een kinderlijke blik en een brede kaak, die recht tegenover me ging zitten. We knikten even naar elkaar. Ik kende hem ergens van – ook dat nog. Maar gelukkig leek hij mij niet te herkennen en werd het contact niet uitgebouwd.

Toen ik me weer over mijn laptop boog, herinnerde ik me opeens wie hij was. Vorige zomer had ik een kickboksles bij hem gevolgd, in een garage die tot dojo was omgebouwd. Hij zat hier dus als kickboks-ondernemer.

De jongen pakte twee broodjes uit het meest krakerige zakje ter wereld. Vervolgens haalde hij twéé Johma-bakjes tevoorschijn – huzarensalade en krabsalade – en begon de broodjes uitgebreid te smeren, terwijl hij naar iets staarde op zijn laptop. Tijdens het eten stopte hij steeds wel vier happen tegelijk in zijn enorme hoofd, en smakte luid. Ik kromp ineen.

Vorig jaar zaten we in de laatste fase van de zwangerschap. Ik was al maandenlang zo ongelofelijk moe – soms kon ik om twee uur ‘s middags al nauwelijks mijn ogen open houden. Meezwangeren noemen ze dat, maar in feite schijnt het te komen door het stresshormoon cortisol. Iemand raadde me aan om op kickboksen te gaan: “Je moet echt topfit zijn als de baby komt.”

Op een zaterdagochtend meldde ik me dus in de garage. De andere deelnemers waren een dikkige nerd, een studente, twee dames met veel tatoeages, en Arie: een enorme kerel met een kaalgeschoren hoofd en een lichte bochel. Hij had als enige zo’n echt kickboksbroekje aan.

De leraar kwam binnen en zei: “Oké jongens, eerst de warming-up!” We deden jumping jacks, kikkersprongen, squats, sit-ups, push ups. Er kwam verdomme geen einde aan. Een voor een kregen we de taak om af te tellen voor de groep: “En nu Rutgerrrr: twintig leg raises graag!” Ik haalde met moeite de twaalf, en moest daarna hijgend doortellen voor de rest van de klas. Na de warming-up was ik al bijna aan het kotsen.

Ik hou van sport, ik kan bloedfanatiek zijn, maar kapotgaan om het kapotgaan heb ik nooit begrepen. Je door de modder laten schreeuwen door een gespierde sadist: waarom zou je jezelf dat in godsnaam aandoen?

Nu moesten we gaan sparren. De paartjes werden gevormd; Arie en ik bleven over. “Geen zorgen vriend, we doen het rustig aan,” zei de man die zeker anderhalve kop groter was dan ik.

Arie ging eerst. Ik moest het stootkussen vasthouden, draaien van been naar been, en me schrap zetten. “Goed recht houden Rut, anders breek ik zo je elleboog,” zei Arie ernstig. Het leek hem goed te doen om eens iemand de les te lezen. Maar hij had gelijk: het kostte me al mijn kracht om de klappen op te vangen, hij trapte zo beestachtig hard dat ik elke keer een halve meter achteruitvloog. “Recht houden Rut! Recht houden!” schreeuwde Arie tussendoor.

Toen was het mijn beurt. Ik trapte uit alle macht op het kussen in, tot hij me onderbrak om op vaderlijke toon tips te geven. “Hóger trappen Rut! Hóger!” Ik knikte en ging weer verder. “Lekker Rut!” riep Arie nu. “Lekker!” Ik was een en al zweet, zelfs mijn gedachten waren nat en zout.

De oneindige les eindigde met de zaktraining. Dat woord alleen al. Maar goed, het kwam erop neer dat we vijf minuten lang non-stop op de zak moesten trappen en beuken, tot we niet meer konden. “Even tot het gaatje jongens!” riep de leraar. Ik probeerde de zak recht te houden terwijl Arie als een losgeslagen stier tekeerging. Ik weet niet aan wie hij dacht terwijl hij die zak toetakelde, maar God beware hen.

“Doe het voor je baby!” schreeuwde Arie tijdens mijn beurt – tussendoor had ik hem piepend en hijgend mijn hele levensverhaal verteld – “Doe het voor die baby Rut!” Het hielp even: ik gaf de onverzettelijke zak een paar goede klappen en trappen. Maar al snel werden mijn stoten plichtmatig. “Nog eentje Rut!” riep Arie tijdens de laatste tien seconden. Ik gaf de zak een tikje met die debiele bokshandschoen, en stortte naar de grond.

In de kleedkamer zei Arie vrolijk: “En, lekker of niet?” Ik knikte traag, oprecht dankbaar voor zijn hulp. Er was een band ontstaan tussen ons, en dat had hem ook goed gedaan. Toch dacht ik alleen maar: fuck deze shit.

Dat was dus wat ik ook voelde bij mijn smakkende kantoorgenoot, naast mijn ergernis over zijn lompheid: vernedering. Hij wist precies hoe slap ik was. Als ik wat van zijn gedrag zou zeggen, zou hij maar een blik op me hoeven werpen – size me up, zoals de Engelsen zeggen – om te weten dat hij me makkelijk aankon.

Uiteindelijk zette de kickboksleraar zijn vuile vaat op het aanrecht en ging ervandoor. Ik staarde naar het bordje, het mes en het kopje. Toen stond ik op om het af te wassen. Zoals vaders doen. “Lekker Rut!” hoorde ik Arie roepen in mijn achterhoofd. “Lekker!”

Heb je alles?

“Hebben jullie alles?” vroeg de overbezorgde moeder voor we uit haar vakantiehuisje vertrokken. “Opladers, zonnebrillen, babykleertjes?” Jaaahaaa, wilde ik zuchten.

Toen we ons huis naderden, realiseerde ik me dat mijn sleutels nog op het hoektafeltje van het huisje lagen, waar ik ze een paar dagen eerder meteen bij binnenkomst had neergelegd, terwijl ik dacht: “Dit is een handige plek. Hier zal ik ze niet vergeten.”

Onze schoonmaker had de sleutels van mijn vriendin door de bus gegooid. We overlegden dus voor onze deur: terugrijden of bij onze overbuurman Patrick vragen of hij een hengeltje kon maken? Ik gluurde door onze brievenbus.

“Hier is toch niet gebeurd wat ik denk dat er gebeurd is hè?” klonk de rokerige stem van Patrick al. Hij hing kalm uit het raam van zijn benedenwoning. “Wacht effe,” zei hij en ging naar binnen. Drie minuten later overhandigde hij me een bezemsteel waar hij een kistenhaak aan vast getapet had. Het zag eruit als een wapen voor tijdens de zombie-apocalyps.

De geïmproviseerde zeis paste niet door de brievenbus, maar Patrick stak alweer een nieuwe constructie naar buiten: een doucheslang met een haak die hij van een klerenhanger had gesloopt: “Probeer déze es.” Ook hiermee lukte het niet. Maar met de bezemsteel kon ik wel de post opzij duwen zodat ik de sleutels zag liggen: rechts tegen de muur – vanuit onze verticale brievenbus was het onmogelijk om die hoek te maken.

“Wacht, nu heb ik het!” riep Patrick en hij bracht me een afgeknipte stroomdraad waar hij een koelkastmagneet aan had vastgeboden. “Je bent een soort McGyver!” zei ik, maar hij begreep het niet en ging snel weer naar binnen, naar zijn keihard tetterende tv.

De magneet pakte niet. Ik was klaar om het op te geven. Toen stond opeens Patrick naast me, met zijn grote, oude, betatoeëerde lijf. “Déze wordt het,” zei hij en hij stak een rieten stok met een ijzerdraadhaak de brievenbus in, die hij met zijn lange vingers kon besturen. “Hou jij die klep open voor me.” Ik had nog nooit zo dichtbij hem gestaan, maar nu bevonden we ons opeens in de vreemde intimiteit van de fysieke samenwerking. Zijn geur van oude man, bier en nicotine was prettig.

“Hij ligt te plat…” mompelde Patrick, in innige concentratie. In gedachten reed ik al terug naar het huisje, maar ik baalde niet, omdat het zo’n grappige situatie was geweest. “Ik hóór wel iets,” zei ik plagerig.” “Ja, omdat ik ’em héb toch,” antwoordde hij kordaat, terwijl hij voorzichtig de sleutels omhoog takelde. “Wow serieus?” Hij legde ze in mijn handen en zei: “Ik kom niet voor níks naar de overkant hè.”

“Geweldig man,” zei ik en klopte hem op de schouder, maar hij verzamelde vlug al zijn gelegenheidsgereedschap, draaide zich om zonder oogcontact te maken en verdween weer zijn huis in.

Is uw broertje echt groter?

Het lukt me nooit zo goed om met kinderen te praten. Op de dagen dat ik Tinus ophaal van de opvang, staren de andere baby’s altijd met grote ogen naar me. Als ik dan op mijn hurken ga zitten en alleen maar “Hallo Fenne, ben jij het vriendje van Tinus?” zeg, begint langzaam het onderlipje te trillen (Ik: “Oh nee, oh nee, nee joh lieverd”) – tot de ogen zich met tranen vullen en Fenne het op een krijsen zet. “Het ligt niet aan jou hoor,” zegt de leidster die snel het jongetje oppakt.

Maar met oudere kinderen gaat het niet veel beter. Gisteren liep ik bijvoorbeeld langs een paar voetballende jongetjes, toen een lomp, bol ventje een kleinere speler een duw gaf. “Dat zag ik,” zei ik, “gele kaart voor jou.” Ik stak de denkbeeldige kaart in de lucht. Ze keken me aan alsof ik gek was.

De praatjes met de buurtkinderen laat ik dus meestal aan mijn vriendin over, die veel beter is in simpele, oprechte opmerkingen als “Wat ben jij een stoer meisje zeg!”. Ik begrijp niet hoe kinderen denken: de wilde associaties, de onnavolgbare gedachtesprongen, hun kleine wereld. Als ik zeg: “Hoe gaat het op school?” dan is het antwoord: “Ik zag gisteren een naaktslak.” Tja, daar stokt het gesprek. Daar kan ik gewoon niets mee.

Maar sinds kort heb ik eindelijk aansluiting gevonden. Vorige week kwam ik de straat in lopen en zag dat het jongste zoontje van de Ghanees-Nederlandse buurvrouw op de grond zat te huilen. Zijn oudere broer Joshua stond erbij te kijken, samen met een ander buurjongetje.

“Moet je je broertje niet helpen?” vroeg ik. “Hij is gevallen,” zei Joshua schouderophalend. “Weet je,” zei ik, “je moet wel lief zijn voor je broertje hoor. Het is niet makkelijk, maar je moet het echt doen.” De kleinste was stil geworden, ze keken me nu alledrie met grote ogen aan. “Ik was ook niet altijd lief voor mijn broertje,” vervolgde ik, “maar later werd hij groter dan ik, en toen nam hij wraak.”

Ik vertelde over de keer dat mijn broertje me voor het eerst versloeg met stoeien. Hij was een jaar of twaalf en opeens heel sterk geworden. We stoeiden zoals altijd op zijn bed, en tot mijn grote verrassing belandde ik tussen het bed en de muur, waar hij me stevig vasthield. Ik zat volledig vast, maar ik kon het niet accepteren. Een half uur lang probeerde ik me met woede-aanvallen los te rukken, om de tijd terug te draaien, maar hij had me. Mijn vanzelfsprekende dominantie was voorbij.

Sinds ik dat verhaal heb verteld, word ik telkens als ik naar buiten ga omringd door buurjongetjes. Ze vragen: “Is uw broertje echt groter?” “Wie van jullie wint met judo?” “Bent u nu wel lief voor hem?” “Wanneer komt hij langs?”

De antwoorden: hij is reusachtig, hij wint sowieso met judo, ik ben nu héél lief voor hem en hij komt binnenkort langs om jullie stuk voor stuk een kilometer de lucht in te gooien.

Hittegolf

Er wordt de laatste tijd veel geschreeuwd in onze straat. Meer dan gewoonlijk, want in een arme wijk hoort geschreeuw er een beetje bij, zeker in zo’n opeengepakt buurtje als het onze. Laatst stond ik met de overburen te praten, toen ik een hels gegil hoorde. Pas na een paar seconden besefte ik dat het van mijn eigen zoon kwam. “Dit horen jullie dus ook?!” vroeg ik. Ze haalden gelaten hun schouders op.

Tinus zit in een fase waarin hij zijn stembanden en zijn invloed op ons aan het uittesten is. Volgens verschillende babysites moet je geen reactie tonen op zo’n oerschreeuw, dan gaat het vanzelf over. Maar zelfs als we niet boos op hem worden, moet hij merken dat we verkrampen. Een keihard geluid doet iets met je, zo zijn we geprogrammeerd. En het doet gewoon pijn aan je oren.

Volwassenen zijn over het algemeen beschaafder, maar de afgelopen weken lijkt iedereen dicht tegen zijn kookpunt aan te zitten. “Je kan nog niet eens een ei bakken!” hoorde ik de onderbuurvrouw gisteren tieren. “Het is al de hele week gezeik met jullie!” raasde de linkerbuurman tegen zijn vier kinderen. Wat de buurvrouw aan de overkant van het hof net krijste, kon ik niet precies verstaan, maar ik hoorde wel duidelijk het geluid van brekend glas.

Worden mensen agressiever als het heter wordt? Meerdere wetenschappelijke onderzoeken (onder andere van de VU uit 2016) lijken dit te bevestigen. Als het extreem heet is, bouwt je frustratie zich op, en heb je bovendien geen energie meer over om je woede onder controle te houden. Een warm klimaat zorgt ervoor dat mensen zich meer op de korte termijn focussen – water, schaduw, een briesje! – en dus gehaaster leven. Koortsachtiger.

Het doet me denken aan Do The Right Thing, de geniale film van Spike Lee uit 1989, over een multiculturele buurt die geteisterd wordt door een hittegolf, waardoor iedereen steeds bozer en racistischer wordt, tot het eindigt in een absurd gewelddadige climax. Naarmate de film vordert en de hitte toeneemt, gebruikt Lee steeds benauwdere close-ups van de hevig zwetende personages, die steeds meer als paniekerige Neanderthalers uit hun ogen kijken.

Het gaat misschien te ver om klimaatverandering en de toenemende agressie en frustratie in de wereld – op straat en op Twitter – met elkaar te verbinden. Dat verhaal zou te simpel en te rond zijn, alsof we met de CO2-uitstoot ook het racisme zouden kunnen terugbrengen. Meer regen, minder Trump! Briesjes tegen Baudet! De werkelijkheid is geen film.

Maar er is wel iets aan het gebeuren, en deze twee ontwikkelingen helpen elkaar niet. Ik zou willen dat ik slim genoeg was om te begrijpen hoe het allemaal in elkaar grijpt. Om überhaupt te snappen waarom de kans op een hittegolf nu vier keer zo groot is. Maar het lukt me maar niet om er helder over na te denken. Om mijn hoofd koel te houden.

RAAAAAAAAAAAAH!

Klagerig

Als ik mijn stukjes over het vaderschap van de afgelopen tijd teruglees, dan vind ik mezelf een beetje klagerig. Dat vond u vast ook. ‘Een vakántie met baby? Wat dacht je van vluchten voor oorlog met een baby, meneertje?’ Daar heeft u een punt. Bovendien hoorde ik van meerdere stellen dat ze na het lezen van mijn verhalen niet meer met hun baby op vakantie durven of zelfs überhaupt geen kinderen meer willen, en dat is ook weer niet de bedoeling.

Laatst ging ik op bezoek bij een vriend die onlangs vader is geworden, in de hoop dat we verhalen over de ellende zouden kunnen uitwisselen. Hij reageerde echter broodnuchter: “Mijn leven is eigenlijk helemaal niet zo anders,” zei hij. “Er is iemand bij gekomen, natuurlijk, maar dat is het dan ook.” Toen ik doorvroeg, bleek dat zijn vriendin en hij precies zulke ervaringen hadden gehad als wij – een huilende baby in een vol restaurant, een moeizame vakantie – en toch gebruikte hij bij deze herinneringen geen enkele keer woorden als ‘rampzalig’, ‘kapotgaan’ of ‘de hel’. Hij was kalm en relativerend.

En doodsaai.

De reden waarom ik graag het negatieve van een ervaring benadruk, is dat daar vaak de spanning van een grap of een goed verhaal zit. Een probleemloze vakantie-met-baby is samen te vatten in een zin als: “Ach ja, het was wel leuk hoor.” Daarbij val ik direct in slaap (ik val tegenwoordig sowieso snel in slaap).

Bovendien is het mijn heilige overtuiging dat eerlijkheid over dit soort belangrijke levensfasen ons kan helpen om ze beter te doorstaan, om ons minder alleen te voelen. Niemand vertelt je bijvoorbeeld dat 75% van de ouders met kinderen onder de vier jaar de afgelopen twee maanden geveld is geweest door de griep (bron: CBS). Ah, denk je dan, het is dus heel normaal dat ik me al maanden van infectie naar infectie sleep. Ik kan nu stoppen met googelen op ‘symptomen leukemie’.

Maar juist op die vakantie-met-baby realiseerde ik me dat je die eerlijkheid ook kunt overdrijven. Als je voortdurend tekortkomingen benadrukt, liggen klagerigheid en melodrama op de loer. Dan staat je openheid niet meer in dienst van een tragikomisch verhaal vol zelfspot, maar wordt het al snel het narratief van je depressie. Een self-fulfilling prophecy: “Oi oi, oi, zul je zién dat hij straks het hele vliegtuig bij elkaar krijst!” Wat dat betreft is de instelling van mijn vriend veel beter.

Daarnaast is het ook gewoon heel moeilijk om de schoonheid van het ouderschap te beschrijven, omdat een baby zich niet gedraagt volgens de wetten van het verhaal: hij snapt nog niet eens de volgorde van een simpele blokkentoren, laat staan het schema introductie-middenstuk-slot. De ontroering over je kind zit hem in blikken, geluidjes, kleine momenten. Een intimiteit die ik, toegegeven, ook gênant vind om te beschrijven. Als we met z’n drieën uitbundig dansen op een nummer van Kendrick Lamar bijvoorbeeld, terwijl hij kraait van plezier. Als hij intens tevreden zit te smikkelen van een stukje mozzarella. Of gewoon, als hij volop zit te kletsen in de kinderwagen.

En geloof me: op zulke momenten ben ik juist één met dat intense geluk, dat zich nergens mee laat vergelijken. Misschien wel juist dankzij die diepe dalen. Opeens begrijp ik het leven pas echt. Het leven! Daar kún je toch niet nuchter over zijn?