Vakantie-met-baby

Is een vakantie met een baby eigenlijk wel een vakantie? Die vraag houdt de Westerse filosofie al eeuwenlang bezig. In eerste instantie zou je denken: natuurlijk, een vakantie is een vakantie. Maar als je vervolgens de definitie in de Van Dale opzoekt – “1. toegekende vrije tijd voor werkenden 2. reis naar en verblijf elders voor plezier” – dan slaat de twijfel toe. Want: vrije tijd? Plezier?

Normaliter kun je op vakantie even afstand nemen van je zorgen en verantwoordelijkheden, maar als je een baby hebt, reizen ze gewoon met je mee. Het is alsof je opdringerige baas of je luidruchtige buren meegaan in het vliegtuig. Bij je op schoot. Bovendien ben je op een vakantie-met-baby paradoxaal genoeg veel drukker dan thuis, omdat je opeens niet de beschikking hebt over een kinderdagverblijf of opa’s en oma’s. Er is geen pauze meer. Tel daar de gebruikelijke reis-stress bij op, en je hebt eigenlijk een vakantie nodig om bij te komen van je vakantie.

We waren met andere jonge ouders achterin het vliegtuig geplaatst – vlakbij de motor, om het gehuil te overstemmen. Tijdens de vlucht moesten we in de benauwde ruimte alles inzetten om Tinus stil te houden: speeltjes, speentjes, borsten, de kaart met veiligheidsinstructies. Elke minuut duurde een uur.

Het stel voor ons leek alles veel gemakkelijker af te gaan. Tot ze plots in een fluisterruzie over een poepluier belandden en de vrouw keihard begon te huilen – al snel gevolgd door haar dochter. Ze wiegde zichzelf en haar baby van voren naar achteren als een orthodoxe Jood bij de Klaagmuur; mijn vriendin gebruikte haar vrije hand om haar lotgenoot langs de stoelrand te aaien. Pas toen de deuren van het vliegtuig opengingen, konden we weer ademen.

We zitten in een prachtig vakantiehuis. Gelukkig maar, want veel meer van het land zullen we niet zien. Tinus is maximaal drie uur wakker en zit weer eens middenin een sprongetje-tandje-griep-fase, dus als we eropuit willen, moeten we dat plannen als een militaire operatie (met evenzoveel proviand). Eén fout – een gemiste afslag, een te ambitieuze wandeling, de baby die pas op het laatst in de auto in slaap dommelt – en het hele dutjesschema is in de war. De heenweg is vaak vol optimisme, maar als je een stel met een lege kinderwagen en een woedende baby in hun armen in paniek een natuurgebied uit ziet rennen – dan zijn wij dat.

En die dutjes zijn van levensbelang. Dat zijn de mini-vakanties. Dan kunnen we eindelijk even lezen in de zon, net als vroeger, drie kwartier lang. Maar eerst nog naar de WC. Dan snel iets eten. Onszelf insmeren met zonnebrandcrème natuurlijk – we willen ontspannen, maar we zijn niet roekeloos. En dan, dan eindelijk het boek. Na twee zinnen hoor je het geblèr alweer door de babyfoon. Ja hoor, dat wordt weer drie uur lang de meest ingenieuze torens bouwen, zodat hij ze kan omgooien.

Uit eten? Ha, mallerd, vergeet het maar. Naar het strand? No way José: een baby mag niet in de zon, en het zeewater is te koud. Een stedentrip? Als je écht gek wilt worden, ja.

Het probleem is, zoals wel vaker, dat mijn verwachtingen niet overeenkomen met de realiteit. Ik heb nog altijd niet geaccepteerd dat alles anders is – zelfs mijn uitwegen. Tinus hoort bij ons, hij heeft ons nodig; vakantie in de klassieke zin des woords bestaat voorlopig niet meer. Het doet me denken aan de zusters van de kraamafdeling, die ik een paar uur na de bevalling hoorde roddelen over een andere moeder: “Ze wil niet naar huis. Ze is moe zegt ze,” vertelde de een. “Tja, ze gaat de komende vijf jaar moe zijn,” zuchtte de ander.

In dat ‘tja’ zit alles. Voor een jonge ouder staat het woord ‘tja’ gelijk aan een trip naar een luxe resort op Bali.

Centjes

“Zwaai maar naar papa. Die gaat centjes verdienen!” zegt de opvangleidster met mijn zoontje op haar arm. Ze kijkt me doordringend aan bij die laatste woorden, of beeld ik me dat in? ‘Echt hard werken hè,’ lijkt ze met die blik te zeggen, ‘anders laat je je kind voor niets hier achter.’ Tinus, ziekig en verlatingsangstig, zwaait naar me met zijn onhandige baby-beweginkjes en een beteuterd gezicht.

Thuis klap ik mijn laptop open. Ik werk aan een boek, dus of ik centjes ga verdienen is nog zéér de vraag, maar ik kan het diepe schuldgevoel op z’n minst aanwenden om die dag zoveel mogelijk werk gedaan te krijgen. In plaats daarvan begin ik voetbalnieuws te lezen. En porno te kijken. Ja, ik geef het toe, ik kijk porno terwijl mijn zoon tussen zeven andere baby’s ligt te huilen bij de opvang. Voor dat soort mensen bestaat een speciale sectie in de hel.

Ik had gehoopt dat ik dankzij de komst van de baby efficiënter zou worden. In interviews met mensen die ik bewonder las ik altijd dat het ouderschap hen dwong om de schaarse beschikbare uurtjes optimaal te benutten. Geen tijd meer voor gekloot: gewoon gáán. Uit deze noodzaak is zelfs een heel nieuw literair genre ontstaan: de boeken van schrijvers als Valeria Luiselli, Maggie Nelson en Jenny Offill, en dichter bij huis Arjen van Veelen en Marjolijn van Heemstra, bestaan uit korte, scherpe passages, met een panische concentratie geschreven terwijl de baby even sliep.

Dat lukt mij niet. Vroeger kon ik nog stoer zeggen dat deze inefficiëntie een protest tegen het kapitalisme was, nu heb ik een gezin. Nu moet ik gewoon centjes verdienen, zodat we biologische opvolgmelk van Nieuw-Zeelandse geiten kunnen kopen. Toch heb ik nog altijd opstartproblemen; die zitten blijkbaar zo diep dat zelfs de liefde voor mijn kind ze niet kan bereiken.

“Wat had je dan verwacht?” zegt mijn vriendin. “Dat het van de ene op de andere dag zou veranderen?” Nou ja, eigenlijk wel. Maar een baby is geen wonder. Het is een pijlsnel opgroeiend mensje, met duizenden praktische implicaties die je als jonge ouder wanhopig probeert bij te benen. En ja: er zijn kleine veranderingen zichtbaar. Als mijn vriendin de baby naar bed brengt, betrap ik mezelf erop dat ik opeens de afwas sta te doen. Vroeger had ik erover gemokt, nu is daar geen tijd meer voor. We moeten blijven bikkelen.

Na een paar verspilde uren van mijn schrijfdag kom ik dan eindelijk op gang. En zoals altijd kan ik nu niet meer stoppen: ik vergeet naar de WC te gaan, waardoor ik ongetwijfeld weer eens geobstipeerd zal raken, en verpest mijn ogen nog wat meer omdat ik mijn blik nauwelijks van het scherm afwend. Maar uiteindelijk is het daar: productiviteit. Ik kan tevreden achteroverleunen.

Misschien zal mijn zoon later als tiener mijn boek lezen en roepen: “Moest ik híérvoor nou naar de babydump?” Dan zal ik bedroefd knikken. Vervolgens zal hij nijdig smalen: “En het leverde ook geen geld op hè. Had je niet een gewóne baan kunnen nemen pap? Dat had een hoop gezeur gescheeld.”

Dan zal hij een klap in zijn gezicht krijgen. Mijn medeleven is groot, maar er zijn grenzen.
—————
Dit stukje verscheen ook in De Standaard, waar ik deze maand gastcolumnist ben.

De pont

Ik hou ervan om op de pont te staan. Net zoals bij andere vormen van openbaar vervoer word je gedwongen om met willekeurige vreemden een ruimte te delen, maar op de pont sta je altijd dicht op elkaar, en dobber je in vijf minuten naar de overkant, voordat iedereen weer met veel kabaal uit elkaar stuift. Dat zorgt heel even voor een vreemd soort intimiteit en rust.

De rust werd dit keer verstoord door een baby die steeds harder begon te krijsen. Sinds de geboorte van mijn zoon ben ik hypergevoelig voor het geluid van huilende baby’s. Ze lijken ook allemaal op Tinus. Soms sta ik midden op straat opeens paraat om met een flesje naar boven te rennen.

Ik keek naar de bron van het geluid en zag een baby van een paar weken oud, die net werd opgepakt door haar vader, een man van Mediterrane afkomst, of iets Zuid-Amerikaans, dat zou ook goed kunnen. Misschien Oost-Europa. Hoe dan ook was het een grote man met zwart haar en een ringbaardje, een macho-type, dus ik bleef kijken met een mengeling van vooroordeel en de verwachting van leedvermaak: hoe zou hij het er vanaf brengen? Hij zou vast het geduld niet kunnen opbrengen. Een huilende baby vergt oneindig veel geduld. Zeker op de pont. Ik had het zelf destijds niet gekund.

Maar de man bleef kalm zijn meisje zacht op en neer bewegen, terwijl hij oprecht glimlachte naar de vele starende mensen. “Baby’s hè,” leek hij te zeggen. Hij deed het zo goed. Verdomme. Wie moest ik nu dan gebruiken om mijn eigenwaarde op te krikken?

Gelukkig stond er naast me een witte yup met halflang haar en een baardje, zijn zoontje (een jaar of zeven) achterop de fiets. Hij merkte als enige de baby niet op, omdat hij zijn iPhone-oortjes in had. Die lul luisterde dus gewoon muziek terwijl hij zijn zoon van school haalde. Dat zou ik nóóit doen.

“Huilde ik ook zo pap, toen ik klein was?” vroeg het jongetje, die bezorgd naar de baby keek. “Pap?” “Hm?” zei zijn vader, terwijl hij een oortje uit deed. Hij keek even achterom naar de baby. “Jij was niet zo klein,” zei hij toen. “Nee, huílde ik ook zo?” drong het jongetje aan. “Weet ik niet meer,” zei de vader en sloot zich weer af, waarna hij verveeld door WK-uitslagen begon te scrollen.

Toen waren we alweer aan de overkant en gingen alle huilende baby’s weer uit elkaar, naar hun eigen vertrouwde huis.