Steeds feller

Vroeger hield ik ervan om in de zon te bakken. Dan zat ik voor het open raam van mijn studentenflat met mijn voeten op de vensterbank en een studieboek op schoot lekker te zweten, drinking it all in zoals de Engelsen zeggen.

Het is een familietrekje: mijn half-Hongaarse opa werkte in de scheepvaart en zat zich dus vaak op het dek aan de zon te laven. Zijn kinderen, waaronder mijn moeder, zijn stuk voor stuk echte zonaanbidders die in mum van tijd superbruin kunnen worden.

Zonnen is altijd een ijdele bezigheid geweest: met gesloten ogen je blik naar de spotlight richten, obsessief bezig met je eigen pigment, zoals de surfer-soldaat Lance B. Johnson in Apocalypse Now. Voor mij had het ook iets stoers: als op studiereis in Libië alle medestudenten zich onder een afdakje voor de woestijnzon verscholen, ging ik juist in de volle zon staan. Als mijn vrienden op Interrail-reis in Rome klaagden over de hitte, beet ik ze toe: “Dan hadden we maar naar Noorwegen op vakantie moeten gaan!”

Ik smeerde me ook nooit in. Ik verbrandde toch niet “met mijn huidtype”, zei ik vol jeugdige (oliedomme) bravoure. Een paar jaar geleden kreeg mijn opa huidkanker op zijn neus.

Rond die tijd begon ik te merken dat de zon feller werd. Ik kon het niet bewijzen, maar het voelde steeds minder prettig om in de zon te zitten. Misschien kwam het doordat ik ouder werd, maar opeens verbrandde ik. Sindsdien geef ik de voorkeur aan de schaduw.

Gisteren was letterlijk de heetste dag ooit. Overal werd bericht over hitterecords, strandgangers en slaap-tips, maar nergens werd de link met klimaatverandering gelegd. Dat is absurd. De wetenschap is het erover eens dat wij voor een klimaatcrisis hebben gezorgd, die steeds extremer weer tot gevolg zal hebben, maar niemand heeft het erover.

Misschien komt het doordat het weer een van onze laatste a-politieke, onschuldige gespreksonderwerpen is: je kunt met iederéén een praatje over het weer maken; het weerbericht vormde met zijn voorspelbare voorspellingen de vaste, saaie afsluiting van het journaal. Ik bedoel, wie had gedacht dat fucking Gerrit Hiemstra een van de meest urgente stemmen van onze tijd zou worden?

Tegelijkertijd is het protest onschadelijk gemaakt door de zakelijke elite die overal ter wereld de macht in handen heeft: Saudi-Arabië en de Verenigde Staten blokkeren steevast de klimaatcrisis als VN-agendapunt; het kabinet Rutte-III zegt dat we gewoon vaker onze bandenspanning moeten controleren, en blijft intussen pleiten voor uitbreiding van Schiphol.

Ik weet niet zo heel veel. Ik ben een gast die zonder zonnebrandcrème gaat zonnen in de Libische woestijn. Het heeft me veel te lang gekost om de ernst van klimaatverandering in te zien, en ik begrijp nog steeds niet alles. Daarom is het zo belangrijk dat het goed wordt uitgelegd, dat de boodschap zich verspreidt, met dezelfde urgentie waarmee je gisteren naar de koelkast rende voor een koud drankje. Want uiteindelijk telt dat het meeste: onze directe ervaring. Hoe fel de zon voélt.

Dus als de buurman straks zegt: “Heet hè?”, dan kan dat de aanleiding zijn voor een ongemakkelijk, maar belangrijk eerste gesprek.

Smiling at strangers

De laatste weken hadden we steigers voor de deur: op anderhalve meter van onze ontbijttafel stonden schilders het houtwerk te schuren. Het vreemdste was nog wel dat ze ons niet groetten; ze kletsten honderduit zonder te erkennen dat wij daar zaten te ontbijten, in onze badjassen, met een peuter die steeds “Mannen!” naar ze riep.

Ik vermoedde dat het beleid was, dat hun voorman had gezegd: “Laat die mensen lekker met rust.” Maar nu ontstond de ongemakkelijke situatie waarin we allebei deden alsof de ander niet bestond. Tot mijn vriendin op een ochtend de balkondeur opendeed en demonstratief “Goedemorgen!” naar ze zong. “Goedemorrege,” mompelden de schilders enigszins verlegen terug. Ik probeerde het de volgende ochtend ook, maar bij mij kwam het er meteen veel te agressief uit: “GOEDEMORGEN! HALLO!”

Terwijl onze straat minimaal wordt onderhouden door de wooncoöperatie, wordt verderop een moderne woontoren gebouwd, in een luxe wijk die volledig in handen van een Israëlische zakenman schijnt te zijn. Mijn vriendin wees me erop dat het gebouw zo hoog is dat je het vanuit onze straat kunt zien; de nieuwe bewoners kijken letterlijk op ons neer.

In die luxe wijk bevindt zich ook een Jumbo foodmarkt waar ik steeds vaker heen ga, ook al is alles er drie keer zo duur als bij de Dirk. Waarom ga ik dan toch? Het fruit is beter, maar het voélt vooral goed om daar rond te lopen, om verse producten te kiezen als een adelman in 1673.

In tegenstelling tot de Dirk wordt de foodmarkt uitsluitend bezocht door witte mensen. Soms zijn het types zoals onze schilders, steeds vaker zijn het de yuppen uit de nieuwe wijk, maar de overeenkomst is dat niemand daar oogcontact maakt. Als je een hippe moeder met strak gestylde kids in een versmald gangpad voor laat gaan, loopt ze je straal voorbij. Het is aanstekelijk; al snel vergeet ik zelf ook te glimlachen naar de caissière.

In de Dirk is er sprake van een gemoedelijke laagdrempeligheid, en maak je altijd een praatje bij de kassa. In de foodmarkt zit iedereen vast in zijn eigen narcistische consumentenervaring. Maar ja, die verse vis hè.

Ooit zei premier Balkenende dat we elkaar moesten groeten op straat. Dat vond ik van een stuitende truttigheid. Maar mijn vriendin leerde me dat het belangrijk is om simpelweg “Fijne dag!” te zeggen als je een winkel verlaat. Het is veel makkelijker om het niét te doen, maar zoals Joan As Policewoman zingt in ‘Human Condition’: “Good living requires smiling at strangers.”

Op een bloedhete avond liep opeens onze buurman Murat langs ons balkon, met een paar flesjes frisdrank. “Voor die gasten, ze hebben zo hard gewerkt,” verklaarde hij. Even later zag ik hoe de buurkinderen aan de overkant ook de steigers gebruikten om naar elkaars balkon over te lopen. De zon ging onder in een spectaculair soort roze. De huren stegen snel. Maar even was alles goed.
——————-
Hoe meer stukjes-abonnees, hoe meer vreugd: https://www.rutgerlemm.com/nieuwsbrief.

Oudere broer

Elke tiener heeft een oudere broer nodig, iemand die je als familie kunt vertrouwen en die tegelijk volledig los staat van de saaiheid van je ouders. Een gids die je nonchalant naar de meest opwindende boeken, films en albums leidt. Voor mij was dat Jan, die twee klassen boven mij zat en die ik leerde kennen via het schooltoneel.

Jan woonde in een oud huis in het centrum van Amsterdam (zijn ouders waren klassieke muzikanten, maar dit verhaal speelt zich af vóór de neoliberale revolutie van 2010 lieve kinderen; toen kon dat nog). Hij had de zolderkamer, een grote romantische ruimte met dwarsbalken, houten boekenkasten vol versleten klassiekers, en een verzameling van honderden CD’s.

Op die kamer liet hij me het ene na het andere nummer horen terwijl we traag sigaretten rookten en het me al snel duizelde van de nicotine en de nieuwe kennis. Eén keer vielen we in slaap bij ‘Echoes’ van Pink Floyd. Soms, als onze pretenties echt op het toppunt waren, las hij me voor uit Sartre. Ik denk niet dat ik ooit zo gelukkig ben geweest als op die zolderkamer, waar voor het eerst (en het laatst) mijn veel te poëtische verwachtingen van het leven samenvielen met de realiteit.

Ik raakte verslaafd aan het kopen van CD’s. Op weg van school naar het Centraal Station, waar ik de bus naar mijn dorp moest nemen, stapte ik vaak al op de Dam uit, om in de Fame door de ‘2 voor 17,50’ te bladeren. Soms wandelde ik dan nog door naar de Boudisque (wat een heerlijk slechte naam is dat toch). Er zat altijd wel iets bij wat ik moest hebben; ik schat dat ik door de jaren heen zo’n 3000 euro aan CD’s heb uitgegeven.

Op de WC van Jans huis hing een cartoon van een man die tussen enorme stapels boeken zit, waarop een sceptische man zegt: “Zal ik de hele boel maar even voor je op een CD’tje branden?” De boodschap was duidelijk: er is niets platter dan het opeen persen van kunst.

Toch is dat nu gebeurd. Mijn CD-verzameling, ooit mijn grote trots, ligt nu stof te verzamelen op zolder. Voor 9,99 per maand kan ik elk nummer dat ooit gemaakt is in mijn bezit krijgen. Als er een nieuw album uitkomt, hoef ik het alleen maar aan te klikken. De uitgebreide collector’s edition? Waarom niet. De B-sides? Hoppa, daar zijn ze.

Op een bepaalde manier is dat een droom die uitkomt, maar gek genoeg lukt het me maar niet om ervan te profiteren. Het is te veel. Ik verlies het overzicht. Vroeger moest ik een album zorgvuldig verkennen op mijn discman, waarna het naar de volgende band leidde (als ik genoeg geld had). Nu is er zoveel dat ik het niet meer uit elkaar kan houden, en de tips van mijn streamingservice helpen niet. Ik heb een oudere broer nodig, geen algoritme. (En tijd).

Ja, oudemannenpraat. Straks word ik nog nostalgisch over de huistelefoon, of over vieze boekjes (vroéger had je pas goede porno, jongens!). Ik wilde het gewoon even kwijt. Laat me met rust oké? Tijd voor een dutje.

Lekker weer

Terwijl Tinus in bad zat, bespraken zijn moeder en ik wie hem naar bed zou brengen. Ouderschap is: voortdurend onderhandelen. Als jij stofzuigt, dan verschoon ik zijn luier. Doe jij de afwas? Dan geef ik jou vanavond orale seks. “Ik doe het wel, ga jij maar even op de bank liggen,” zei ik nu.

Maar toen mengde onze zoon van bijna twee zich opeens in de discussie: “Nee,” zei hij, “mama naar bed brengen.” We keken hem verbaasd aan. Om zijn argument kracht bij te zetten knikte hij kalm: “Ja. Ja. Mama doen.” Daar konden we niet tegenop.

Tinus kan ontzettend goed praten, maar de laatste tijd neemt het wel heel volwassen vormen aan. Als mijn vriendin de planten de planten water geeft, zegt hij: “Goed zo mama.” Zodra we naar buiten gaan, zegt hij tegen de buren: “Lekker weer!” Als we met z’n drieën naar het park fietsen, merkt hij op: “Gezellig.”

Hij praat ons ook voortdurend na, dus dat is oppassen geblazen. “Godverredomme!” roept hij soms enthousiast. En als een duplo-blokje niet past: “Kut.” Als ik hem dan half lachend vermaan, gaat hij het natuurlijk alleen maar herhalen: “Kuttt. Kuttt. Kuttt.” Het grappigste vind ik nog dat hij geluidjes nadoet die helemaal geen betekenis hebben. Als ik hem voor het slapen gaan vraag welk boekje hij wil lezen, zegt hij eerst: “Ehmmm…”

Maar er schuilt ook een groter risico in. Het is heel verleidelijk om hem steeds gelijkwaardiger te gaan behandelen, terwijl hij eigenlijk nog gewoon een peuter is die geen fuck van de wereld begrijpt. Mijn vader zei laatst nog: “Hij lijkt op jou. De kinderpsycholoog zei over jou ook dat je ratio veel verder ontwikkeld was dan je emotionele kant.” Alice Miller, anyone?

De kinderpsycholoog. Als zevenjarige bemiddelde ik in de relatiecrisis van mijn ouders; de jaren erna voelde ik me verdrietig zonder dat ik begreep waarom. Vervolgens moest ik maandenlang inktvlekken interpreteren, waarna de conclusie was dat het gewoon aan mijn emóties lag. Dat we daar niet eerder op gekomen waren!

Maar ja, daar hebben we nu eenmaal een ongemakkelijke relatie mee, hier in Noord-Europa. Al mijn vrienden lopen bij psychologen, yoga-leraren of haptonomen om te leren wat dat eigenlijk is, voelen. Cabaretier Daniël Arends vertelde bij ’24 Uur Met’: “Mijn psycholoog zei: de volgende keer gaan we kleurentherapie proberen, want als jij praat, hóór ik veel over emoties, maar ik zie ze niet.” Hij zweeg. “Toen ben ik dus niet meer teruggegaan.”

Dat is het probleem: woorden zijn krachtig, maar ze zijn vruchteloos tijdens de dierlijke momenten van het leven, als we overvallen worden door rauwe verlangens. Ik zie het ook aan mijn zoon, die zich soms simpelweg geen raad weet met wat hij allemaal wil. “Niet die aardappel, dié! Dié! Niet papa pakken, Tinus dooeeeeeen!” huilt hij dan, in een wanhopige poging om zijn wereld weer in woorden te vangen.

Het enige wat je dan kan doen, is zwijgen, er voor hem zijn en wachten tot het overgaat. Tot hij oud genoeg is om naar een meditatie-retraite te gaan.

Respect

Onze overbuurman Patrick kijkt alle wedstrijden van het WK vrouwenvoetbal. Na de verloren WK-finale van de mannen in 2010 gooide hij letterlijk zijn TV uit het raam en stopte hij met voetbal kijken: “Ik was ‘r helemaal klaar mee.” Dat was balen voor mij toen we hier kwamen wonen: ik dacht dat het een van de weinige dingen was waar we over konden praten.

Na vijf jaar is het wantrouwen van de oude bewoners uit de straat en ons ongemak grotendeels verdwenen, zeker sinds we een kind hebben. We horen er nu helemaal bij. Patrick is onze vriend. Nu zijn wij degenen die aan nieuwe bewoners vragen: “Zijn jullie nou yuppen?”

Patrick vindt het prachtig, die voetballende meiden. Hij wilde ook de wedstrijden van Marokko op de Afrika Cup kijken – “Voor de Marokkaanse buren, ja toch?” maar tot zijn teleurstelling hadden de buren geen interesse. “Ik woon nu toch in Nederland,” zeiden ze. Dat vond hij maar raar.

Volgens mijn vriendin is Patrick een feminist zonder dat hij het doorheeft. Misschien is hij nog wel feministischer dan progressieve deugmannen zoals ik, juíst omdat hij het niet doorheeft. Hij past vaak op zijn vele kleinkinderen, grotendeels meisjes, die overal mee mogen slepen en klooien in zijn voortuin. Ik hoorde hem laatst met zijn galmende basstem tegen een kleindochter zeggen: “Je bent niét dik. Je bent mooi.” Zijn motto is: “Iedereen is lief.”

Vorig weekend keken we Nederland-Italië in zijn voortuin. “Ik ben zo trots op die meiden,” zei Patrick, die bloedzenuwachtig was. “Godver, waarom halen ze die Van de Sanden er niet uit! Beerensteyn moet erin! Beerensteyn!”

Natuurlijk zijn er nog wel verschillen. “Waarom drinken jullie eigenlijk biologisch bier?” vroeg Patricks zus Nel over de Gulpener witbiertjes die ik had meegenomen. Al snel kreeg ik gewoon een Grolsch beugelfles in mijn handen geduwd, die ik niet helemaal op kreeg omdat ik voelde dat ik dan dronken zou worden. Na de wedstrijd gaf ik iedereen een overwinnings-high five en liet mijn halve biertje onder mijn tuinstoel achter.

Woensdag keek ik Nederland-Zweden bij Patrick thuis. Nadat ik was gaan zitten, liep hij naar de keuken en zette even later zonder iets te zeggen mijn half opgedronken Grolsch-fles van afgelopen zaterdag voor me neer – koud, dat wel. Zo werkt dat bij hem: geen gedoe, maar wél even iets duidelijk maken.

“Zo mooi dit,” zei hij terwijl hij zijn zoveelste sigaret opstak en koortsachtig naar het scherm staarde. “Mijn pa had het moeten zien. In zijn tijd moesten de dames binnenblijven. Maar hij zei al-tijd: vrouwen moet je respecteren. Toen mijn nichie ging voetballen, was het nog helemaal niks. En kijk ze nu.”

Toen Jackie Groenen in de verlenging de 1-0 scoorde, sprongen we op en omhelsden elkaar extatisch. Na mijn halve biertje kreeg ik een blikkie cola. Ik rookte twee sigaretten. Het was een top-avond.

Bunny

In een briljante openingsscène van Friends zegt Ross tegen zijn vrienden: “Hey, remember when I had a monkey?” “Oh, yeah…” reageren de anderen welwillend: ze verwachten dat Ross nu herinneringen zal gaan ophalen aan Marcel, het kapucijnaapje dat hij in seizoen 1 als huisdier had. “Yeah…” zegt Ross. “What was I thinking?”

Zoiets zeggen mijn vriendin en ik ook vaak tegen elkaar als we een kapot gekauwde kabel tegenkomen: “Holy shit, we hadden gewoon een koníjn! Waarom in godsnaam?”

Ik kreeg Benny als ongevraagd cadeau bij de presentatie van mijn eerste boek. Die avond waarschuwde een collega-schrijver al: “Konijnen mag je eigenlijk echt niet alleen houden hè. Dat is zielig. Het zijn groepsdieren.” “Ja hallo,” zei ik met het beestje in mijn armen, totaal overdonderd, “moet ik er nu ook nog zelf een konijn bij kopen?”

Het ging lange tijd goed: Benny dacht dat wij een soort enorme konijnen waren, met belachelijk kleine oren weliswaar, maar toch. We aaiden haar en verschoonden haar intens gore konijnen-toilet. Soms staarden we samen naar haar als ze iets schattigs deed.

En toen kwam de baby.

Baby’s maken meer kapot dan je lief is. Je vrije tijd, je seksleven, je huisdieren (kabels laten ze meestal heel). Soms dacht ik ‘s avonds: shit, ik heb Benny niet geaaid vandaag. Dan telde ik tien aaitjes over haar koppie en ging ik snel naar bed. Mijn vriendin bekende dat ze hetzelfde deed.

Benny zat hele dagen stil in haar hoekje. We zetten haar op Marktplaats: Knap Blond Konijn Zkt Maatje. Tot onze verrassing kwamen er vele reacties van mannetjeskonijnen, inclusief foto’s. Beer, Luigi, Snuf: ze wilden allemaal wat graag met Benny op date.

Het werd Beer, een groot zwart konijn, woonachtig in een enorm konijnenren (inclusief konijnenkasteel) in Noord-Brabant. We reden erheen op een snikhete dag.

Je moet konijnen eerst koppelen, en dat moet op neutraal terrein. Monique, de intens zenuwachtige eigenares van Beer, had in de tuin van haar moeder een gelegenheidsren opgezet. Ze stond klaar met een strandhanddoek, om over de konijnen heen te gooien als het uit de hand zou lopen: konijnen vechten niet in het donker. Haar zoontje zei steeds: “Straks is Benny van ons hè?”

Benny en Beer werden losgelaten en begonnen onmiddellijk wild over elkaar heen te springen. “Nu gaan ze kijken wie de dominante is…” fluisterde Monique. Beer probeerde Benny te berijden, maar ze glipte telkens weg: ze had nog nooit een ander volwassen konijn gezien. Het was een soort bokswedstrijd: tussen de rondes door aaiden we onze hijgende, angstige konijnen, waarna de worsteling weer begon. De plukken vacht vlogen in het rond.

Uiteindelijk was de hiërarchie vastgesteld (Beer won) en konden de trillende konijnen samen in een bench mee naar het kasteel.

Thuis wilde het zoontje al zijn speelgoed aan ons laten zien: “Kijk ik heb een mountainbike. Kijk ik heb skeelers. Kijk ik heb een MacBook Pro.” Benny en Beer werden in het ren losgelaten en namen meteen afstand van elkaar. Wij kregen iets te drinken. “Jullie mogen allebei één vlierbes,” zei het jongetje terwijl hij ons een bakje voorhield.

Toen we in de auto stapten zei het zoontje: “Benny is nu van ons, toch mama?” Zijn moeder knikte, nog natrillend van alle spanning. “Hebben jullie maar één auto?” vroeg hij toen aan ons, met een beetje een vies gezicht. “Nou, Tobias!” zei zijn moeder. Om het goed te maken vroeg hij: “Misschien willen jullie een keer mee varen op onze boot?”

We reden weg met een schuldgevoel. Hadden we Benny misbruikt? Als personage, als oefen-baby? Om haar nu te dumpen bij deze materialistische neuroten?

Maar een paar dagen later stuurde Monique een filmpje van Beer en Benny, die samen aan een wortel knaagden. Vervolgens maakte ze een sprongetje van plezier. Na een tijdje vergaten we haar. En dat was dat.

Rancune

Ik heb Thierry Baudet nooit ontmoet, maar het scheelde niet veel. We bewogen ons jarenlang binnen dezelfde kringen: op de UvA en in de andere intellectuele en artistieke kringetjes van Amsterdam. Hij stond bekend als een ijdele dandy die wanhopig op zoek was naar erkenning, maar nergens echt serieus werd genomen.

Later leerde ik dat we nog meer gemeen hebben behalve een opleiding aan de UvA. In een inmiddels berucht opiniestuk voor The Post Online verdedigde hij ‘versiercoach’ Julien Blanc, nadat deze had verkondigd dat je vrouwen bij de keel moest grijpen. “De realiteit is dat vrouwen overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden,” bralde Baudet in de conclusie (het kan niet vaak genoeg geciteerd worden).

Het uitgangspunt van zijn stuk vond ik echter verrassend herkenbaar: lieve, romantische jongens die afgewezen worden door vrouwen die toch een stoere man willen. Baudets tragiek kwam samen in de zin: “Het briefje waarop ‘ik hou van je’ staat zal voor hun ogen worden verscheurd, terwijl het meisje lachend achterop de scooter van een ruwe kerel stapt.”

Ik herkende die pijn, maar ik vond vrouwenhaat nou niet bepaald de beste oplossing. In een reactie in NRC raadde ik Baudet en zijn medestanders aan om in de spiegel te kijken (wat ze vast al genoeg doen): als afwijzing je zo boos maakt, denk je misschien vooral dat je récht hebt op seks en liefde, en ben je dus helemaal niet zo lief. Misschien ben je het gewoon gewend om aanbeden te worden.

In het Engels hebben ze daar een goede term voor: a sense of entitlement.

Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om de strijd aan te gaan met dat egocentrisme in jezelf, met je ‘romantische’ verwachtingen van het leven. Het is veel makkelijker om anderen de schuld te blijven geven en jezelf op de borst te blijven kloppen.

In een wederom verrassend herkenbaar interview met Volkskrant Magazine vertelde Baudet dat hij ook jarenlang in therapie is geweest en daardoor nu durfde om kwetsbaar te zijn. Maar hij kon zich nog steeds niet overgeven aan een ander: “Het is mij niet gelukt om iemand fascinerend te blijven vinden.” Hij bleef anderen de schuld geven, sterker nog, hij had er nu een politieke partij op gebaseerd.

Veel mensen waren verrast door Baudets politieke succes. In de Tweede Kamer wordt hij ook vaak uitgelachen om zijn potsierlijke maniertjes. Maar men vergeet daarbij dat zijn aanhangers zich herkennen in zijn eeuwige gevoel van miskenning, zoals dat ook gebeurde bij collega-narcisten als Trump, Orban en Farage. De nieuwrechtse retoriek is volledig gestoeld op die rancune: keihard uitdelen en tegelijk het slachtoffer spelen.

Onder hun kiezers lijkt die rancune deels voort te komen uit het verlies van hun (witte, mannelijke) privileges. Oftewel: entitlement. Maar die gevoelens van miskenning hebben ook begrijpelijkere oorzaken, zoals inkomensongelijkheid, de macht van grote bedrijven, globalisatie, en het falen van de politiek en de media. Het maakt zijn aanhangers niet zoveel uit of Thierry nu weer kletst over een boreale wereld of klaagt over de moderne architectuur, zolang ze zich maar kunnen herkennen in die opgetrokken wenkbrauwtjes van hem: moeten jullie mij weer hebben? Really?

Dat is het probleem met Baudet en zijn verwanten: hun constateringen zijn behoorlijk vaak raak, al is het alleen maar op basis van een emotionele waarheid. Ook in Baudets Houellebecq-essay vond ik zijn kritiek op de individualisering herkenbaar. Maar de oplossing komt telkens weer neer op de makkelijke weg van de rancune: weg met de ander, lang leve ons (en vooral onze leider). Dat is levensgevaarlijk.

Het is niet genoeg om daar met gratuite verontwaardiging op te reageren, zoals Bas Heijne al eerder betoogde. Er moeten politici opstaan die met rechtvaardige plannen het vertrouwen kunnen terugwinnen, en die met hetzelfde vuur empathie in plaats van rancune kunnen betogen. En wij moeten vaker durven om onszelf én elkaar een spiegel voor te houden.

Verliefd

Ik ben de laatste tijd opvallend vrolijk. Er is al een tijdje geen sprake meer van de vaste pieken en dalen: ik sta elke dag op met een goed gevoel. Hoe zou dat toch komen, dacht ik vanochtend. Door mijn knappe zoontje, mijn lieve vriendin, de lente? Ben ik eindelijk volwassen geworden?

Toen besefte ik opeens: Ajax. Het komt doordat het zo goed gaat met Ajax.

Ik schrijf niet vaak over voetbal, hoewel ik er zeker 65 procent van de tijd aan denk. Misschien omdat het gênant is – er zit niet echt een verheffend verhaal in het feit dat ik regelmatig als een junkie op de wc door Voetbalzone zit te scrollen. Maar nu Ajax in de halve finale van de Champions League staat, wat onmogelijk is, schommelt dat percentage rond de 100 procent: ik lees echt ál het nieuws, kijk álle filmpjes.

Die obsessie begon 25 jaar geleden, toen ik als jongetje verliefd werd op het Ajax van Litmanen, Rijkaard, Blind en Kluivert. Stuk voor stuk unieke personages, onder leiding van die maniak Louis van Gaal. Het seizoen 1994/1995 was een sprookje: ongeslagen kampioen en winnaar van de Champions League.

Ik hield plakboeken bij, waarvoor ik zorgvuldig elk Ajax-plaatje uit kranten en tijdschriften knipte. Vlakbij onze basisschool woonde Fred Grim, de reservekeeper, bij wie we soms een handtekening gingen halen. Het schijnt dat Frank de Boer een keer open deed, maar daar was ik niet bij. Als ik wakker was geworden uit een nachtmerrie, zette mijn vader een foto van de Ajax-selectie naast mijn bed, om over me te waken.

Dat is het misschien: Ajax stelt me gerust. Omdat het iets is waar ik geen controle over heb, maar dat er toch altijd is, en dat altijd naar een romantisch soort voetbal zal streven. Voetbal is sowieso de meest onvoorspelbare sport die er is: ook tijdens mindere tijden kun je je hoop erop vestigen. En de illusie koesteren dat je er invloed op hebt.

En nu betaalt al die hoop zich eindelijk weer uit. Er staat weer een elftal met spelers om van te houden: Tadic, Frenkie, De Ligt, een nieuwe Blind (wat dat betreft is het jammer dat de zoon van Kluivert is vertrokken). En dan vergeet ik Neres, Ziyech, Mazraoui, Nico en Onana nog. En Donny natuurlijk. De helden van toen vormen nu het bestuur. Het seizoen staat bol van de symbolische verwijzingen naar Cruijff, naar Nouri.

Ja, verdomme, het is waar: ik ben verliefd. En net als bij een echte verliefdheid gaat het ten koste van mijn gezondheid: ik slaap slecht, drink teveel, mijn hand doet pijn van al het scrollen en ik ben helemaal verkrampt van de spanning. Een vriend zei na de eerste wedstrijd tegen de Spurs: “Ik keek in mijn agenda en dacht bij elke verplichting van de komende week: dat gaat dus niet lukken.” Ja. Zo is het.

Ik denk alleen nog maar aan het verhaal van Ajax. Aan elke speler, elke kans, elk detail. Want nogmaals: dit kán helemaal niet, wat er nu gebeurt. Ik begrijp er helemaal niets van. En dat maakt het zo fantastisch.

NEE PAPA

Als ik de kamer van mijn zoon binnenkom, begint hij nóg harder te huilen. Het is twee uur ‘s nachts, hij staat in zijn pyjama in zijn bed, met zijn handjes op de houten reling. Ik zie de teleurstelling op zijn gezicht. “NEEEE! MAMAAA! MAMAAA!” schreeuwt hij.

Ik probeer hem geruststellend te aaien, maar hij duwt boos mijn hand weg. Zijn speen smijt hij de kamer in. Ik til hem op en probeer hem te knuffelen, maar hij blijft me wegduwen. Het is vreselijk moeilijk om kalm te blijven tijdens deze worsteling, maar het lukt. Hij wijst naar mij: “Nee die!” Vervolgens wijst hij naar de deur: “Dié! Diiiiieeeee! Mamaaaaaaaaaa!” “Nee lieverdje, mama moet slapen.” Die informatie maakt hem uiteraard razend.

Uiteindelijk staat mijn vriendin toch versuft in de deuropening, en is het een opluchting om hem over te kunnen dragen. Tinus klampt zich meteen aan haar vast, draait zich dan nog even om en roept met woeste wegwerpgebaren: “NEE PAPA! NEE!” De boodschap is duidelijk: opkankeren jij. Ik druip af, om in bed te gaan liggen luisteren naar hoe mijn vriendin het weer eens oplost.

Natuurlijk is het niet persoonlijk bedoeld. Dat is een van de belangrijkste lessen van het ouderschap, en überhaupt van het ouder worden: jij en al je broze kleine gevoelens doen er niet toe. Kinderen maken onverklaarbare fases door; jij bent de enige die daar een melodramatische betekenis aan kan geven. Tinus kán mij nog geen lul vinden.

Aan de andere kant: kinderen zijn een en al intuïtie. Ze voelen perfect aan wie ze kunnen vertrouwen. Zou hij dan misschien voélen dat ik een lul ben?

Mijn eigen moeder zei vroeger geregeld dat ze voor mijn broertje en mij een brandend gebouw in zou rennen. Een beetje te vaak misschien. “En voor papa?” vroegen wij dan gretig. “Daarna pas voor papa,” zei ze terwijl ze kalm in haar thee roerde. Mijn vader hield zich tijdens dit soort gesprekken wijselijk afzijdig.

Ik heb daar tijdens de eerste weken van het vaderschap vaak aan gedacht: natuurlijk, ik hield meteen zielsveel van Tinus, maar zou ik mijn leven voor hem geven? Zonder aarzelen?

Het duurde niet lang, die twijfel: inmiddels ben ik bereid om alles voor hem op te geven. Voor hem zou ik zelfs lid van de VVD worden. Toch heb ik al vanaf het begin het gevoel dat ik achterloop op mijn vriendin, die sowieso veel eerder verantwoordelijkheden oppakt dan ik. Ik ben ongeduldiger en egocentrischer: ik maak geen kans. Als ik een verwarde peuter was, zou ik ook eerder om haar roepen.

Telkens weer voel ik de verleiding om ook boos te worden. Om me terug te trekken en het op te geven: zo zijn de verhoudingen nu eenmaal. Maar dan besef ik weer dat mijn zoon in al zijn frustraties zo ontzettend op mij lijkt – terwijl ik 33 ben, en hij anderhalf. Wiens taak is het dan om geduld te tonen? Van wie moet hij dat anders leren?

Daarom mag hij me zo vaak wegduwen als hij wil. Ik zal altijd terugkomen.

Pastrami

Het café waar ik heen wilde, blijkt gesloten te zijn. Als ik voorstel om wat verder te lopen, zegt mijn vader: “Of misschien zit er nog iets op de terugweg?” Hij zal niet snel toegeven dat hij moe is of ergens last van heeft – als ik vraag hoe het gaat, antwoordt hij altijd kalmpjes: “Goed hoor” – maar ik begrijp de boodschap. Over een paar dagen wordt hij 72.

We nemen plaats in een iets te chique restaurant. De verwarming staat aan, hoewel het een zonnige dag is. Mijn vader voelt eraan met een kritisch gezicht en zegt: “Het is hartstikke warm hier.” We verhuizen naar een plek in het midden van de zaal.

Als een prachtige zwarte vrouw onze menu’s komt brengen, zegt mijn vader: “We zijn hier gaan zitten, want het was hartstikke warm daar.” Ze knikt begripvol. “We zullen ernaar kijken meneer.” Ik glimlach zo breed mogelijk.

Op de kaart is elk gerecht maar met één woord aangeduid. “Pardon, betekent ‘Pastrami’ gewoon ‘Een broodje pastrami’?” vraagt mijn vader aan de serveerster, zonder haar aan te kijken, zijn leesbril op het puntje van zijn neus. “Ja,” zegt ze en ze licht alles geduldig toe, terwijl ik overdreven vriendelijk meeknik. “Ik vind het maar onduidelijk hoor,” bromt mijn vader. “Dank u wel,” zeg ik.

Ik vraag me af waarom mijn vader zo onaardig doet; normaal geniet hij er juist van om een praatje met serveerders te maken, tot het bijna weer gênant wordt (“En wat heb jíj gestemd bij de verkiezingen, Gaston?”). Zou hij een racist zijn? Is dat het?

Maar dan snap ik het: hij moet simpelweg zijn aandacht steeds zorgvuldiger verdelen. Daarom had hij me ook van tevoren gebeld om te vragen naar wat voor café we precies zouden gaan: “Gewoon een lunchtent met broodjes?” Hij moet zich nu heroriënteren, de controle weer vinden, en kan de serveerster er even niet bij hebben.

Tegelijkertijd besef ik dat de moeite die ik nu doe om zijn nukkigheid te compenseren, een manier is om hem te verzorgen – iets wat hij nóóit zou toelaten. Ik heb nog genoeg energie om het menu te bestuderen en tegelijk beleefd te zijn, dus kan ik dat voor ons allebei doen. Ik ben mijn vader dus gewoon aan het hélpen, wie had dat ooit gedacht. Nu maar hopen dat hij het niet doorkrijgt.

Die ochtend luisterde ik toevallig nog een podcast-interview met comedian Ray Romano, waarin hij zei: “If my father had hugged me once, I would’ve become an accountant.”

Zo eenduidig is het niet met ons. Mijn vader heeft zijn beperkingen, we steken graag de draak met elkaar, maar tijdens de broodjes pastrami hebben we opeens een open gesprek, waarin hij zich scherp en zelfkritisch toont, alsof hij zich hiervoor heeft gespaard. Buiten omhelzen we elkaar kort en stevig.

Ik zal nooit een emotioneel stabiele accountant worden, maar mijn vader zegt de laatste jaren steeds vaker dat hij trots op me is. Per e-mail, maar toch.

Misschien wordt het tijd om een keer te zeggen dat ik ook trots op hem ben.

Another prize!

Our Etgar Keret film just won the Jury Prize at Le Fifa – the Art Film Festival in Montreal. We’re so happy! The jury wrote: “Everyone fell in love with the form and substance of this documentary about an author. Inspired by his subject’s incredible style, the director had the jury laughing out loud even as he offered a deep reflection on the art of storytelling. In a world that often seems senseless, Keret offers a way to reconcile ourselves with the absurdity of life, and his art is a breath of fresh air.” 

Ik help wel

Herinnert u zich dat stukje over mijn onderbuurvrouw die steeds dezelfde dertig euro van ons komt lenen? Ze heeft inmiddels een vlot kortgeknipt kapsel en we hebben de drie tientjes al een tijdje niet meer teruggezien. Nu had ze weer twintig nodig, voor de belasting. “In april krijgen jullie alles terug hoor, ik hou het allemaal bij,” zwoer ze vanuit onze deuropening.

Wij waren net op weg naar buiten en zo stonden we dus met z’n allen in ons krappe halletje: Wilma, mijn vriendin, Tinus, Wilma’s hondje Lucy en ik. Tinus keek bezorgd naar het hondje en ik stond ook nog een beetje onzeker op mijn benen, na twee dagen buikgriep.

Toch kon ik het niet laten en vroeg: “Heb je nog gestemd, Wil?” “Neh,” zei ze, “dat doe ik niet meer. Maar ik vind wel dat dat ‘Forum voor Democratie’ – erg lange naam trouwens – goeie ideeën heeft hoor.” Ik had er natuurlijk op gerekend, maar bij het horen van die partijnaam wendde ik me vlug af en deed alsof ik bezig was met Tinus’ jas, waardoor ik mijn vriendin met het probleem opzadelde.

“Ja, maar ze zeggen ook rare dingen hoor,” deed mijn vriendin een dappere poging. “Zoals hoe ze de wetenschap achter klimaatverandering ontkennen.” “Jaaaa daar zijn ze allemaal toch veel te laat mee, ik heb het steeds gezegd,” reageerde Wilma met een vaag handgebaar. Ik wilde zeggen: “Echt nooit op FvD stemmen Wilma. Thierry Baudet heeft racistische en vrouwonvriendelijke overtuigingen en geeft om niemand behalve zichzelf.” Maar het moment was alweer voorbij. “Nou, ik ga weer naar binnen.” “Ja, wij gaan boodschappen doen.” “Daaaag.” “Daaaag.”

We liepen met z’n drieën traag door ons straatje, terwijl het zacht regende en een agressieve wind ons zo nu en dan bijna omver blies. Ik keek naar al het zwerfafval in de voortuintjes. “Als je erop gaat letten, is het echt heel erg hè,” zei ik tegen mijn vriendin, die niets terug zei. “Auto,” zei Tinus tegen elke auto.

Bij de snackbar raapte ik een groot stuk plastic op. We wonen vlakbij het water en soms zie ik gewoon hoe al die troep er naartoe waait, om over twintig jaar in de vorm van microplastics in Tinus’ lichaam terecht te komen natuurlijk. Loopt hij straks rond met een minuscuul stukje van de Dirk-tas van Wilma in zijn bloed. Ik voelde mijn misselijkheid langzaam terugkeren.

We staken het zebrapad over, waar de auto’s van de ene richting keurig stopten, maar vanuit de andere richting scheurde een taxi vlak voor ons langs. “KLOOTZAK!” schreeuwde ik en stak woest mijn middelvinger op. Ik zag nog net hoe de bestuurder verschrikt opkeek van zijn telefoon. Aan de overkant smeet ik het plastic in de container.

In de supermarkt waren we van alle kanten omringd door de leugens van het consumentisme. Ik kwam nauwelijks vooruit. “Ga jij maar alvast naar huis,” zei mijn vriendin. “Ik help wel,” bromde ik. Ze draaide zich opeens om en griste het mandje uit mijn handen. “Nee,” zei ze, “wat jij doet, helpt helemaal niets.”

Boks

Ik moest wiet halen voor een vriend van me. Dat klinkt alsof dit verhaal zich afspeelt toen ik nog op de middelbare school zat, maar het was een dertigersboodschap: hij zocht wiet met weinig THC en extra veel CBD – die hippe heilzame stof die je ook in flesjes bij Holland & Barrett kunt kopen. De wiet was alleen in Amsterdam verkrijgbaar, en die vriend woont in Eindhoven (ja ik heb ook vrienden buiten de Randstad, en ook daar wonen blijkbaar neuroten).

De coffeeshop bevond zich op een industrieterrein. Naast een slagboom zat een beveiliger, die vriendelijk knikte naar de man voor me en mij in mijn auto grondig scande, voor hij terecht concludeerde dat ik geen enkele dreiging vormde.

Ik stapte uit, gekleed in de lange herenjas die me nog meer op een vader doet lijken, ‘gedistingeerd’ zoals een vriend het laatst spottend noemde. Op de deur de huisregels: 18+, geen gezichtsbedekkende kleding, etc. Maar ook: geen seksisme of racisme. Een progressieve coffeeshop, met biologische wiet.

Vanbinnen leek het een soort hippe apotheek: de medewerkers in witte jassen, de inrichting klinisch en toch cool. Ik was aan de beurt bij een zwarte jongen met korte dreads en vroeg naar de CBD-wiet. “Hoeveel gram wil je man?” zei hij.

Op de middelbare school blowde ik veel. De eerste keer dat ik spijbelde was ook meteen de eerste keer dat ik een coffeeshop in ging, en op de terugweg zag ik voor het eerst prostituees achter de ramen staan. Dat was me het dagje wel.

De hiërarchie was duidelijk: bouwer-buyer-bietser. Eerst mocht degene die de joint draaide een trekje nemen, daarna degene die het gekocht had, en daarna pas het gepeupel. Ik hoorde bij die wanhopige sukkels die vochten om het stompje, terwijl de bouwer en de buyer al kalm terug naar school wandelden.

Ik weet dus niets van grammen. Maar in die huisregels stond ook: “Niet meer dan vijf gram per persoon per dag”, dus ik zei: “Drie ofzo?” Hij deed een enorme hoeveelheid in het weegschaaltje. “Dit is een gram.” “Dat is wel genoeg,” zei ik snel, de geremde dertiger.

Door de medische uitstraling besloot ik nog wat vragen te stellen. “Mijn vriendin wordt altijd suf van blowen, hebben jullie daar iets tegen?” De jongen pakte een bakje en zei: “Als ze hiér suf van wordt, vind ik het knap.” Na nog meer veel te technische vragen (“Zou je een vaporizer aanraden?”) rekende ik af.

“Oké man,” zei de jongen, en hij stak zijn vuist naar voren. Ik keek er even in paniek naar. Toen stootte ik mijn vuist tegen de zijne, zoals ik duizenden keren heb gedaan als tiener. Maar terwijl hij hem vervolgens gewoon op zijn borst klopte, als een normaal persoon, stak ik mijn vuist kort en onzeker de lucht in. De jongen trok een wenkbrauw op.

In de auto lachte ik mezelf keihard uit. Want dat is wel een voordeel van dertiger zijn: dat je een auto hebt om jezelf keihard in uit te lachen.