Box

Ik moest wiet halen voor een vriend van me. Dat klinkt alsof dit verhaal zich afspeelt toen ik nog op de middelbare school zat, maar het was een dertigersboodschap: hij zocht wiet met weinig THC en extra veel CBD – die hippe heilzame stof die je ook in flesjes bij Holland & Barrett kunt kopen. De wiet was alleen in Amsterdam verkrijgbaar, en die vriend woont in Eindhoven (ja ik heb ook vrienden buiten de Randstad, en ook daar wonen blijkbaar neuroten).

De coffeeshop bevond zich op een industrieterrein. Naast een slagboom zat een beveiliger, die vriendelijk knikte naar de man voor me en mij in mijn auto grondig scande, voor hij terecht concludeerde dat ik geen enkele dreiging vormde.

Ik stapte uit, gekleed in de lange herenjas die me nog meer op een vader doet lijken, ‘gedistingeerd’ zoals een vriend het laatst spottend noemde. Op de deur de huisregels: 18+, geen gezichtsbedekkende kleding, etc. Maar ook: geen seksisme of racisme. Een progressieve coffeeshop, met biologische wiet.

Vanbinnen leek het een soort hippe apotheek: de medewerkers in witte jassen, de inrichting klinisch en toch cool. Ik was aan de beurt bij een zwarte jongen met korte dreads en vroeg naar de CBD-wiet. “Hoeveel gram wil je man?” zei hij.

Op de middelbare school blowde ik veel. De eerste keer dat ik spijbelde was ook meteen de eerste keer dat ik een coffeeshop in ging, en op de terugweg zag ik voor het eerst prostituees achter de ramen staan. Dat was me het dagje wel.

De hiërarchie was duidelijk: bouwer-buyer-bietser. Eerst mocht degene die de joint draaide een trekje nemen, daarna degene die het gekocht had, en daarna pas het gepeupel. Ik hoorde bij die wanhopige sukkels die vochten om het stompje, terwijl de bouwer en de buyer al kalm terug naar school wandelden.

Ik weet dus niets van grammen. Maar in die huisregels stond ook: “Niet meer dan vijf gram per persoon per dag”, dus ik zei: “Drie ofzo?” Hij deed een enorme hoeveelheid in het weegschaaltje. “Dit is een gram.” “Dat is wel genoeg,” zei ik snel, de geremde dertiger.

Door de medische uitstraling besloot ik nog wat vragen te stellen. “Mijn vriendin wordt altijd suf van blowen, hebben jullie daar iets tegen?” De jongen pakte een bakje en zei: “Als ze hiér suf van wordt, vind ik het knap.” Na nog meer veel te technische vragen (“Zou je een vaporizer aanraden?”) rekende ik af.

“Oké man,” zei de jongen, en hij stak zijn vuist naar voren. Ik keek er even in paniek naar. Toen stootte ik mijn vuist tegen de zijne, zoals ik duizenden keren heb gedaan als tiener. Maar terwijl hij hem vervolgens gewoon op zijn borst klopte, als een normaal persoon, stak ik mijn vuist kort en onzeker de lucht in. De jongen trok een wenkbrauw op.

In de auto lachte ik mezelf keihard uit. Want dat is wel een voordeel van dertiger zijn: dat je een auto hebt om jezelf keihard in uit te lachen.

Klootzakje

Telkens als ik Tinus zijn wantje wil aandoen, spreidt hij zijn vingers zo wijd mogelijk, terwijl hij me met een ondeugende glimlach aankijkt. “Wat ben je toch een klootzakje,” zeg ik lachend, “een klein klein klootzakje.” Als het eindelijk lukt zegt hij: “Zó.” “Ja,” zeg ik, “Zó.” Ik sta op en bekijk het klootzakje, hoe hij volledig ingepakt in de wandelwagen zit, met die grote blauwe ogen van ’em.

“Kijk, papa doet ook een muts op.” Dat maakt hem aan het lachen. Ik begin te beatboxen en te rappen in ons smalle halletje: “Tinus heeft een muts op, papa heeft een muts op. Dikke dikke beat – dikke dikke baaaaaby.” Mijn zoon kijkt me aan met een mix van verwondering en plezier.

“Papa, buit’. Eèèsss,” lispelt hij uiteindelijk. Ja, we gaan naar buiten. Naar het ijs. Vroeger probeerde ik de hele winter binnen te blijven, maar dat kan nu niet meer.

We zijn de enigen in het witte park. “Maan,” zegt Tinus. En naar de eendjes: “Kak-kak-kak!” En dan een heel lang verhaal, vol overtuiging verteld, waar ik helemaal niets van begrijp. “Ja,” zeg ik, “zo kun je het ook zien.”

Overal in het park zitten van die zwarte vogels. Raven of kraaien ofzo. Kauwen? Het maakt ook niet uit. Ik kan Tinus toch nog alles wijsmaken. Ik zou tegen hem kunnen zeggen: “Kijk, dat zijn pinguïns.” En dan zou hij wijzen en zeggen: “Kwins.”

De vogels vliegen niet weg als we dichterbij komen – waarschijnlijk om energie te besparen. Er zit er eentje op de leuning van een bankje die ons tot een meter laat komen. Hij is dik en prachtig, zijn gitzwarte veren vormen het perfecte contrast met de hemels witte omgeving.

Toen ik depressief was en nog alleen woonde, tijdens een andere winter, zaten deze vogels de hele dag in de boom voor mijn raam. “Ka! Ka! Ka!” riepen ze. Al sinds Jurassic Park ben ik bang voor vogels.

Nu is het alsof we vrede sluiten. Hij beweegt zijn kop schichtig heen en weer, en ik kijk nog steeds wantrouwig naar zijn scherpe zwarte snavel, maar de kalmte van Tinus – half mens half dier – vormt een soort brug tussen ons. Natuurlijk is een zwarte vogel geen onheilsteken. Het is gewoon een zwarte vogel.

Ik besluit een stukje van Tinus’ ontbijtkoek naar hem te gooien. De vogel hipt er door de sneeuw naartoe.

Dan verschijnen er meer. Ze duiken niet massaal op de buit af, zoals eenden en meeuwen, maar stellen zich aan de randen op: eentje in de boom daar, eentje op de lantaarnpaal, eentje in een andere boom. Ik moet denken aan de tactiek van de velociraptors in Jurassic Park: eentje leidt je af, terwijl de rest je omsingelt.

Ik scheur gehaast de ontbijtkoek in stukken en gooi er in elke hoek één, als een soort offer, en loop dan vlug het park uit. “Ka! Ka! Ka!” roept Tinus. “Èèèèssss.”

Eerlijk

“Lieve volgers, dit jaar zal ik geen stories over mooie reizen en spannende feestjes meer posten,” schreef een knappe vrouw, een soort influencer, die ik op Instagram volg. “Ik merkte dat ik neerslachtig werd als ik door mijn insta scrollde, omdat iedereen 24/7 gelukkig lijkt. Daar wil ik niet meer aan meedoen. Dit jaar wil ik meer mezelf zijn. De afgelopen tijd hebben jullie al kunnen merken dat ik meer post over dingen die belangrijk voor me zijn: vrienden, familie, avondjes thuis.”

Het grappige is dat ik die foto’s inderdaad voorbij had zien komen, maar dat ik helemaal geen verschil had gezien. Ja, ze toonden intiemere situaties dan voorheen, maar de beelden waren nog steeds jaloersmakend: een zwart-wit portret van een zwangere (halfnaakte) modellenvriendin, een perfect uitgelichte foto van een boswandeling met haar ongelofelijk knappe vriend, een plaatje van een familiediner dat rechtstreeks uit een Italiaanse film leek te komen. Zelfs op de nonchalante selfie van een make-uploos avondje op de bank was ze prachtig – iedereen weet dat joggingbroeken stiekem heel sexy zijn.

Ik wil deze Instragrammer helemaal niet belachelijk maken – haar streven is mooi en begrijpelijk. Maar de uitwerking toont aan dat het bijna onmogelijk is om oprecht te zijn op sociale media, en misschien wel überhaupt in onze gemediatiseerde samenleving.

Het kapitalisme gunt ons namelijk geen rust, zelfs niet tijdens onze meest intieme momenten; we moeten blijven consumeren. Hoe meer we door social media scrollen, hoe meer advertenties er verkocht kunnen worden, en misschien kopen we zelf ook nog iets wat we niet nodig hebben. (Zoals de hippe rugzak met USB-poort waarvan ik laatst opeens zeker wist dat ik hem moést hebben en waar ik uren van wakker lag.) De posts daartussendoor, van ons allemaal, zijn ook advertenties – voor het sociale medium zelf. Ze moeten dus wel aantrekkelijk zijn, of ironisch-aantrekkelijk, zelfs als het over intimiteit gaat, en daarmee verliezen ze onvermijdelijk authenticiteit. Bijna niemand kan daaraan ontsnappen. Oprechtheid is als een zeepje dat steeds uit je handen glipt als je het probeert te grijpen.

Want er is nog iets wat het kapitalisme briljant doet: zodra iets ertegenin gaat, wordt het al snel in het systeem opgeslokt. Wil je minder op social media zitten? Koop dan deze concentratie-app. Verlang je naar eerlijkheid over carrièrefouten? Kom naar onze faal-avond en leer hoe het wél moet. Burn-out? Met deze mindfulness-cursus ben je er zo weer bovenop. Je moet blijven meedoen.

Daarom ben ik ook sceptisch over veel goede voornemens, hoe goedbedoeld ze ook zijn. In eerste instantie gaat het vaak over heel persoonlijke zaken – lichamelijke conditie, mentale rust, routine, liefde – maar als je even doorvraagt staat het dan toch weer in dienst van het optimaliseren van de productiviteit, de koopkracht en het persoonlijke ‘systeem’. Het blijft bij kleine correcties, maar de ware reden voor de uitputting, voor het eeuwig knagende gevoel dat het niet genoeg is – die blijft steeds nét buiten ons bereik.

——–
Dit was mijn laatste inval-column voor De Volkskrant.

Kalfje

“Je bent in een rare bui,” zegt mijn vriendin bij het ontbijt. “Hoezo?” vraag ik met een kalme glimlach, waarvan ik me al snel realiseer dat het een maniakale grijns is. Ik scroll intussen verder door de lijst met ‘100 films die je gezien moet hebben voor je doodgaat’ – zo nu en dan maakt een helder ping-geluid duidelijk dat een van mijn vierendertig downloads voltooid is.

“Je gedraagt je als een kalfje dat voor het eerst de wei in mag: tegelijk superblij én superbang.” Ze heeft gelijk: gisterochtend was ik aan de ontbijttafel nog zo neerslachtig dat ik nauwelijks een gesprek kon voeren, nu wil ik haar opeens allerlei mooie liedjes laten horen. “Het is oké,” zucht ze. “Je hebt dit altijd rond deze tijd van het jaar.”

Het schijnt dat we liedjes in ons hoofd krijgen als we eigenlijk overbelast zijn: de herhalende muziek verdrijft alle gedachten, als een dweilmachine op de ijsbaan. De afgelopen weken zat mijn hoofd vol met kerstliedjes, maar er was nog een zinnetje dat maar terug bleef komen, uit het nummer Gekkenhuis van Opgezwolle: “Ik dacht dat het met mij wel goed ging/Nu heb ik alweer last van moodswings”.

Deze tekst van de rapper Sticks (tevens verantwoordelijk voor de parel “Gooi je handen in de lucht/Voor de stress in m’n rug”) vat perfect samen hoe het is om labiel te zijn. Juist als het al maanden prima gaat, net als ik denk dat ik eindelijk van die diepe dalen af ben: dan slaat het toe. Schijnbaar uit het niets. Ik moet ook vaak denken aan een tweet van comedian Marc Maron: “Why, anxiety? I was just sitting here.”

Het is eigenlijk jammer dat we in het Nederlands geen goede vertaling voor het woord ‘anxiety’ hebben: de combinatie van angst, zenuwen en opwinding. Een algehele onrust.

Natuurlijk is het niet vreemd dat dit gevoel me altijd tijdens de overgang van december naar januari overvalt. De druk van de buitenwereld is dan immens groot: laatste deadlines, sociale spanningen, goede voornemens. Vink ik bij mijn nieuwe zorgverzekering de optie aan waarbij mijn partner een uitkering krijgt als ik overlijd door een ongeval, of toch maar niet? En tegelijkertijd gebeurt er helemaal niets: het is koud, donker en stil. Je kunt alleen maar binnen zitten en angstig scrollen, terwijl je af en toe opschrikt van een vuurwerkbom.

Iedereen weet ook dat het jaar eigenlijk in de zomer eindigt. Dan is alles omgekeerd: de druk neemt juist af en er gebeurt van alles. In september heb ik altijd volop nieuwe energie, in plaats van het katerige gevoel van die eeuwigdurende januarimaand.

Bij dezen nodig ik u dan ook van harte uit voor mijn oud-en-nieuwfeest op 31 augustus. Ik heb al zeker dertig films klaarstaan die je echt gezien moét hebben.






Spanning

Al die eindejaarslijstjes zijn nogal confronterend voor mensen met kinderen. Een top TIEN van de beste films van 2018? Ik ben in 2018 misschien vier keer naar de bioscoop geweest! Doe mij maar een top-10 van de beste oppassen. Of een top-10 van de nachten dat ik kon doorslapen. Mijn nummer van het jaar? ‘Klap eens in je handjes’, gevolgd door ‘Smakelijk eten, smakelijk drinken’. En ‘I want to break free’ van Queen natuurlijk.

Voor mij was dit het jaar van de spanning. Het ouderschap bracht allerlei nieuwe vormen van stress en onzekerheid met zich mee, waar mijn vriendin en ik ons telkens doorheen moesten vechten. Om over middeleeuwse kwaaltjes als hoofdluis, krentenbaard en de hand-mond-voet-ziekte nog maar te zwijgen.

Mijn culturele hoogtepunten hadden ook met spanning te maken. Zoals ‘Nanette’ de comedyshow van Hannah Gadsby, waarin ze op ingenieuze wijze uit de doeken doet hoe ze als seksuele minderheid al haar hele leven in spanning leeft, en daarom overweegt om te stoppen met comedy: “Punchlines hebben spanning nodig – en ik ben al sinds mijn kindertijd een meester in het beheersen van spanning. Maar ik wil het niet meer. De spanning maakt me doodmoe.” Ik weet niet of het comedy is, wat Gadsby doet, maar het is fantastisch.

Een veelgehoorde uitspraak dit jaar was: “Of mag je dat niet meer zeggen?” – juist ook in comedykringen. Ik begrijp dat niet zo goed. Gadsby heeft gelijk: grappen hebben spanning nodig. Nu op heel veel gebieden – misbruik, seksuele identiteit, racisme – spanningen zijn blootgelegd, is het simpelweg niet interessant meer om er grappen over te maken – tenzij je die oude spanningen eigenlijk in stand wilt houden. Natuurlijk mág je nog een giechelige grap over homo’s maken, of over zeurende vrouwen, maar waarom zou je, als je van goede comedy houdt? Er zijn nu zoveel nieuwe ongemakkelijke sociale normen en kleine taboe’s die erom smeken om opgelost te worden met een goede punchline.

Gadsby wil de spanning niet meer dragen, maar het is waar: minderheden leven voortdurend in spanning, en kunnen er daarom meesters in worden. Daarom zijn veel van mijn favoriete makers van het afgelopen jaar zwarte Amerikanen, vermoed ik: filmmakers als Jordan Peele (Get Out) en Donald Glover (de serie Atlanta), rappers als Kendrick Lamar, en schrijvers als Ta-Nehisi Coates durven vanuit die spanning te werken, ze kijken reikhalzend uit naar een niéuwe wereld, en daarom is hun werk zo meeslepend.

Mensen vragen me soms of ik spijt heb van het vaderschap. Natuurlijk waren er nachten dat ik om half vier met een krijsende dreumes in mijn armen stond en dacht: waarom ben ik hier in godsnaam aan begonnen? Waarom hebben we ons comfortabele leven vrijwillig opgegeven? Maar dan bouwde de spanning zich op, kwam ze tot uitbarsting en vonden we toch weer een nieuw perspectief. We vonden onszelf opnieuw uit, talloze keren.

Ik hoop dus dat we in 2019 niet in oude spanningen zullen blijven hangen, dat we nieuwe spanningen durven opzoeken en die met nieuwe punchlines zullen verlichten.

Een okapi in een hoogwerker

Tinus is gek op boeken. Mijn vriendin en ik zijn al voor zijn geboorte begonnen om deze hobby aan hem op te dringen, door een enorme boekenkast in de babykamer te bouwen. Aan het einde van zijn uitgebreide slaapritueeltje – dat steeds meer op een serie dwangneuroses van zijn papa begint te lijken – zeg ik altijd drie schrijvers uit die kast gedag (waarvan er minstens eentje een vrouw moet zijn): “Dag Etgar Keret, welterusten Lieke Marsman, slaap lekker Friedrich Nietzsche.”

Overdag trekt hij graag boeken uit de kast. Vooral La Superba van Ilja Leonard Pfeiffer, vanwege de enorme auteursfoto op de achterkant: “Heeeeeeey!” roept hij als de man met de weelderige haardos tevoorschijn komt, alsof hij een oude vriend begroet. Laatst riep hij vol overtuiging “Papa!” naar de auteursfoto van Rob Wijnberg. Dat vond ik minder leuk.

Hij wil voortdurend boekjes lezen; met name Kleine Blauwe Truck wordt vaak naar mijn schoot gesleept. Zo ontzettend vaak. Oh man, ik heb me zelden zo verveeld als bij het voor de duizendste keer voorlezen van Kleine Blauwe Truck. Om mezelf wakker te houden verzin ik er soms dingen bij: “Daar gaat die kleine blauwe truck weer… met zijn enorme CO2-uitstoot. Hij mag de stad niet meer in vanwege de nieuwe milieuzones, dus rijdt hij maar rondjes langs alle dieren op het platteland… die sadistische kleine blauwe truck.”

Want ál die kinderboekjes gaan over dieren en auto’s, en eigenlijk slaat dat nergens op. In een van Tinus’ boekjes staat bijvoorbeeld een plaatje van een kip die vrolijk een vrachtwagen vol eieren bestuurt. Een kip die de producten van de legbatterij zélf fluitend naar de mensen komt brengen? Wat is dit voor zieke fantasie?

Momenteel is Tinus in de ban van Feest Van De Machines, met op elke pagina een andere absurde combinatie: een koala op een grasmaaier, een gorilla op een trekker, een okapi in een hoogwerker. Dit boekje is echt de ultieme middelvinger naar de natuur: eeuwenlang hebben dieren terrein moeten prijsgeven aan de menselijke industrie, we hebben hun lichamen zélf massaal geïndustrialiseerd, en nu tonen we onze kinderen plaatjes waarop ze gewoon méédoen met al dat gezellige broem-broem-broem. Dan weet je zeker dat je gewonnen hebt.

Het einde van Feest Van De Machines bezorgt me altijd de rillingen. Eerst komen de dieren samen voor een macaber feest – de steenbok is de DJ, hij staat in een satanische danshouding achter de draaitafels. Als de dieren gaan ‘slapen’, springen plotseling alle koplampen aan en begint het bal waar de titel van dit zieke, zieke boekje op gebaseerd is. De machines dansen uitbundig en tegelijk beheerst: zij zijn eigenlijk de baas. Tinus klapt enthousiast in zijn handjes.

Na het lezen van dat boekje, en de rest van ons veel te uitgebreide slaapritueel, valt mijn zoon in een diepe, tevreden slaap. Maar zelf moet ik dan nog heel wat pagina’s Nietzsche lezen, voor ik de slaap kan vatten.

Hé jongens!

Kerst brengt vele spanningen met zich mee, waardoor het zowel het slechtste als het beste in de mens naar boven haalt. De laatste jaren vier ik het met ‘een soort familie’: vrienden van mijn ouders die ik al mijn hele leven ken, hun kinderen die mijn vrienden geworden zijn, en de kleinkinderen.

Het is een mondige, levendige groep. Aan tafel moet je vechten om aan het woord te komen, en ik vind niets heerlijker dan dat. Als kind keek ik al enorm uit naar dit soort etentjes waar ik dan met al mijn kracht – “Jongens! Jongens! Hé!” – de aandacht moest opeisen om een grap te maken of een verhaal te vertellen, om vervolgens beloond te worden met zo’n gulle groepslach.

De laatste jaren ben ik me er steeds meer bewust van geworden hoe belangrijk dit voor me is. Ik heb dit soort avonden vol verhalen net zo hard nodig als slaap, water en kerstbrood. Als er geen goede verhalen worden verteld, voel ik me niet op mijn gemak (ongeveer 90% van de tijd dus). Hierdoor keek ik soms echter zó erg naar de kerstdiners uit, dat ik dan de hele avond veel te hyper en gespannen was. Ik wilde zo graag dat de anekdotes weer over tafel zouden vliegen, dat het zou sprankelen, en juist daardoor gebeurde het dan niet.

Afgelopen weekend vierden we het weer. Dit keer was ik sowieso niet in staat om veel te praten omdat onze 1-jarige zoon ons wat slapeloze nachten had bezorgd. Bovendien wilde ik voortdurend naar hem kijken, hoe hij van schoot naar schoot klom en met iedereen flirtte.

Het oudste kleinkind, Felien (7), stal de show. Ze organiseerde een competitie voor sjoelen met kerstkransjes en maakte steeds met luide stem de tussenstand bekend (“Hé jongens! Hé! De tussenstand!”), ze had een fantastisch kerstverhaal geschreven dat haar vader moest voorlezen (“Wat een mooie ster, zei de herder. Vind ik ook, zei de andere herder”) en aan het eind van de avond deed ze als eerste kleinkind mee met het Hoge Hoedenspel.

Het Hoge Hoedenspel, ook wel bekend als het Namenspel, is perfect voor ons gezelschap, omdat je heel veel mag schreeuwen. Zo moet je in de eerste ronde een beroemdheid omschrijven zonder hoofdletters of telwoorden te gebruiken, en als een van ons dan zegt “Dit is een politicus met een Franse naam”, dan duiken de anderen er bloedfanatiek bovenop: “FRANSE! FRANSE! FRANSE! AF!”

Felien deed moeiteloos mee. Haar omschrijvingen waren kinderlijk treffend (Paul de Leeuw was “Een kale dikke man die liedjes zingt”) en ze leek geen enkele druk te voelen als de hele groep zijn adem inhield. Op een gegeven moment hoorde ik haar zelfs meeroepen: “Amerika! Je zei Amerika! Hoofdletter! Af!”

Zo zag ik het voor mijn ogen ontstaan: de volgende generatie die de aandacht steelt, die kerstverhalen deelt en die veel te fanatiek spelletjes speelt. Ik kon ontspannen achteroverleunen.

——————–
Dit was mijn eerste Volkskrant-column als vervanger van Aaf Brandt Corstius. Fijne feestdagen allemaal, het zijn ook stressvolle, irritante dagen, maar zet je ego even opzij en wees lief voor elkaar. Dat kunnen we wel gebruiken.

Italiaantje

Mijn vriendin en ik staan op de pont, op weg naar huis na een geslaagde ‘date night’. Als je eindelijk een oppas hebt weten te regelen staat er toch wat extra druk op zo’n avond, dus we zijn allebei opgelucht dat het ook echt gezellig was.

Ik kijk kalm om me heen. Op een paar meter van ons staat een groepje jonge toeristen – twee van hen filmen de nachtelijke overtocht. Eentje heeft zo’n oerlelijke Amsterdam-muts op. Ze praten hard in het Italiaans.

Opeens maakt mijn lome tevredenheid plaats voor diepe haat. Dit groepje staat voor mij, nu, symbool voor alles wat er mis is met de wereld. Hun kleding, hun gadgets, hun quasi-ongeïnteresseerde houding en de manier waarop ze mijn stad als entertainment behandelen: dit alles is onderdeel van het domme, zelfingenomen consumentisme waar de hele wereld aan kapotgaat.

Dat gevoel overkomt me de laatste tijd vaker, vooral als ik me onder de mensenmassa op het Centraal Station beweeg, en zeker als ik moe ben. Iedereen lijkt alleen maar bezig met kopen, met uiterlijk vertoon, met het delen van lege ervaringen – waarom denken ze daar niet kritischer over na? Al die kennis is nu toch ruimschoots voorhanden? Rustig Rut, denk ik dan, liefde, tranquillo. Jij koopt zelf ook graag mooie kleren. Maar het is al te laat, ik ben volledig in paniek over alles.

Een van de filmende Italianen draait zich nu om en richt haar telefoon op de passagiers van de boot; ze verblindt ons even met het licht van haar camera. Nu is mijn irritatie ook nog eens echt gerechtvaardigd. Ik denk aan hoe laatst een andere toerist op de pont opeens mijn zoon in zijn kinderzitje begon te filmen alsof hij een zeldzaam dier was. “Say hi to the camera little guy!”

Mijn agressie richt zich vooral op een kleine, magere Italiaan met een strakke coupe en een glimmend jasje aan, die opgefokt heen en weer loopt over het dek, alsof hij de fucking kapitein is. Zijn machismo is de druppel. “Kom op, raak m’n fiets aan, geef me een reden,” mompel ik als hij vlak voor ons langs marcheert. Mijn vriendin moet lachen. Maar ik meen het: als hij nog verder mijn ruimte binnendringt, zal ik hem bij zijn kraag grijpen en buitenproportioneel hard overboord smijten.

De pont komt aan, het moment lijkt voorbij te gaan. Maar als we ons door de mensenbrij hebben gewerkt, loopt het magere Italiaantje opeens zelfverzekerd op het fietspad, een paar meter voor mijn wiel. Ik roep “Hé!” en ga tegelijkertijd in volle vaart op hem af. Hij stapt net op tijd opzij, maar ik steek mijn arm uit en raak hem met mijn elleboog.

“Voel je je nu beter?” vraagt mijn vriendin even later. Ze is sarcastisch, dat hoor ik ook wel. En ze heeft gelijk: het elleboogje was zinloos en laf. Maar als ik mijn gevoel peil, merk ik tot mijn eigen verbazing dat ik me inderdaad een stuk beter voel.

Extravagante poepluier

Ik was in opperste concentratie een overvolle, ik zou zelfs zeggen extravagánte poepluier aan het verwijderen – spartelende beentjes omhooghouden, met andere hand billendoekje pakken, wasbare luier in het kakbakje leggen, en dit alles in hoog tempo om zo snel mogelijk van de stank af te zijn – toen ik vanuit mijn ooghoek zag dat Tinus iets aan het eten was. “Hé lieverdje, ben je lekker aan smikkelen?” zei ik. “Hoe kom je daar aaaaAAAAAAAH? Oh nee. Oh nee.”

Het was gebeurd. Mijn zoon had zijn eigen poep gegeten. Hij glimlachte erbij.
Een paar seconden later begon hij echter heel hard te huilen, alsof hij besefte wat hij had gedaan. “Ja schat, dat moet je een keer meemaken,” zei ik terwijl ik hem vlug naar de badkamer droeg om zijn tanden te poetsen.

Ze vertellen je zoveel dingen niet. Dat je tijdens het eten nauwelijks met elkaar kunt praten omdat hij overal doorheen gilt (een babyhuiltje is echt niets in vergelijking met het oorverdovende gegil van een peuter), dat hij nú al soms overal ‘nee’ op zegt en alles wegduwt (inclusief zijn vader), dat hij zo ontzettend woedend kan worden, een woede die je daarvoor alleen bij dieren hebt gezien.

Mijn vriendin en ik hebben regelmatig ruzie over hoe ‘moeilijk’ Tinus nou precies is. Ik heb geen vergelijkingsmateriaal, maar ik vermoed dat hij niet de makkelijkste is. Mijn vriendin verdedigt hem dan vol overgave, als een echte moeder, een dynamiek die we waarschijnlijk de rest van ons leven zullen volhouden – hij heeft immers ook niet de meest makkelijke ouders. Inmiddels hebben we een compromis gevonden: Tinus is ‘temperamentvol’.

En zo is het ook. Hij is altijd al fysiek sterk geweest (ik zweer het je, over een jaar verslaat hij me met armpje drukken), maar mentaal is hij net zo krachtig. Als hij met twee treden tegelijk de trap beklimt terwijl ik hem op de voet volg, draait hij zich opeens ferm om en zegt met een terechtwijzend vingertje: “Nee nee nee.” Ik was hem niet eens aan het helpen, maar hij claimt nu al zijn eigen ruimte.

Niemand vertelt je dat zo’n afscheid al zo vroeg begint, maar het maakt me ook trots. Net zoals ik trots ben op zijn grapjes, zijn nieuwsgierigheid en hoe hij keihard “KOE” roept als hij een plaatje van een koe ziet. Hij gaat later rusteloos worden, absoluut, maar hij zal ook vooropgaan in de strijd (tegen de aliens die onze zonne-energie komen stelen).

Want ja, er gebeurt zoveel meer dan ze je vertellen, maar dit is ook echt pas het begin. Als ik hem midden in de nacht vasthoudt terwijl hij vol overgave zijn frustraties eruit krijst, fluister ik: “Rustig, rustig, je maakt het jezelf zo moeilijk.” Maar dan denk ik tegelijkertijd: het heeft mij 33 jaar gekost om dat te leren, en het lukt me nog steeds niet altijd om rustig te blijven.

Laat hem dus nog maar even duwen, krijsen en zijn eigen kak eten. Ik zal er altijd zijn om na afloop zijn tanden te poetsen.

Emmy

Vlak voor de ceremonie begon, vroeg Stephane me om hem ervan te overtuigen dat we niet gingen winnen. Ik keek hem strak aan en zei: “Wij zijn een kleine film van nieuwe makers, die ze er alleen maar bij hebben gezet om aan te geven dat ze experiment steunen. De nominatie is een aanmoedigingsprijs. Er is nul kans dat we winnen. Nul.” Hij knikte. “Ok.”

Twintig minuten later klonk het: “And the Emmy goes to… Etgar Keret: Based on a True Story.”

Misschien had ik geprobeerd om mezelf in te dekken. Ik had vroeger vaak te hoge verwachtingen; nu was ik de andere kant op geschoten.

Ik kon ook oprecht niet goed inschatten wat die International Emmy Awards precies voorstelden. Aangezien alleen de regisseur en iemand van de productie werden uitgenodigd, moest er voor mij een kaartje van liefst 600 dollar gekocht worden. Per mail werd me aangeboden om een eigen nominatie-medaille te kopen (150 dollar), begeleid door een Tell Sell-achtige foto van de glimmende koopwaar. Was het een soort geldklopperij, inspelend op de ijdelheid van buitenlandse film- en tv-makers?

Maar toen we de enorme balzaal in New York binnenkwamen, beseften we opeens: dit is echt. Een echte award ceremony, met dezelfde beeldjes.

De avond ervoor had een dronken Britse tv-producent me op het hart gedrukt om alsnog zo’n medaille te kopen: “Frame it, stick it on the wall. As a creative you have good days and bad days, right? Now, when you’ll have a bad day, you can just point at the wall and say: I got nominated for a fuckin’ Emmy.”

Nadat we dan toch wonnen, moest ik steeds denken aan die middag tijdens de montage-fase van de film, toen ik koortsachtig rondjes door het bos bij ons de buurt liep, terwijl ik mezelf hardop moed probeerde in te praten, om te voorkomen dat ik volledig zou doordraaien (dat doorgedraaide mensen vaak hardop tegen zichzelf praten, liet ik even buiten beschouwing). De film leek nergens op, de vriendschap met Stephane stond op springen.

Het is moeilijk, misschien wel onmogelijk, om ego en artistieke urgentie van elkaar te scheiden. Maar op de een of andere manier (door pure uitputting waarschijnlijk) besloten we toen om alle persoonlijke bewijsdrang opzij te zetten en gewoon een zo goed mogelijke film te maken.

Als je zo’n prijs wint, ligt ijdelheid alsnog op de loer. Maar door die herinnering kon ik dit keer vrij kalm van het moment genieten. Gewoon even dat beeldje vastpakken en grijnzend mijn vriend, die wonderwel nog steeds mijn vriend is, op de schouder slaan.
Nu weet ik weer niet goed wat het betekent. Maar toen werd aangeboden om een extra beeldje te kopen, heb ik het toch maar gedaan. De volgende keer dat ik de behoefte voel om hardop pratend door een bos te lopen, kan ik daar dan even naar kijken. En denken: waarom heb ik in godsnaam 600 dollar voor dat ding betaald?

Lievelingsdier

Tijdens de zwangerschap keken we ontzettend veel tv. Zeven seizoenen van The Good Wife bijvoorbeeld, waardoor we op een gegeven moment alleen nog maar in het jargon van de Amerikaanse rechtspraak konden praten – ‘Objection, your honor – relevance?!’ – maar ook alle BBC-natuurseries van sir David Attenborough – Planet Earth, Life, etc.

In een van zijn epische voice-overs sprak Attenborough zo teder over olifanten, dat ik besloot te googelen of het eigenlijk zijn lievelingsdier was. Sowieso een leuke vraag voor iemand die een respectabel deel van de 8.7 miljoen diersoorten op aarde van dichtbij heeft meegemaakt.

Niet de olifant, maar een tien maanden oude mensenbaby bleek Attenboroughs favoriete organisme: “Ik kan er eindeloos naar blijven kijken. Hoe snel het leert, groeit en woorden verzamelt. Geen enkel ander dier is zo complex en zo fascinerend,” zei hij in een interview.

Een jaar later heb ik nauwelijks nog tijd om tv te kijken, maar begrijp ik precies wat Attenborough bedoelt: het is eindeloos fascinerend om een kind van tien maanden bezig te zien. De manier waarop mijn zoon in innige concentratie met een lichtknopje speelt, terwijl hij prevelt: “Uit… uit…” Of hoe hij juist totaal rusteloos het balkon verkent, telkens weer afgeleid door nóg een spannend stuk karton. Voortdurend mompelt hij: “Deze, dit, dat, die,” overweldigd door wat hij allemaal nog moet ontdekken, als iemand die voor het eerst XTC heeft gebruikt.

Eigenlijk begint zijn leven nu pas echt. Een jonge baby is enorm kwetsbaar, en dat haalt een diep soort liefde in ons naar boven, maar het stelt nog niks voor – de eerste negen maanden probeer je als mensenouders vooral de omstandigheden van een baarmoeder na te bootsen. Giraffen lachen ons uit: hun baby’s galopperen in één keer het geboortekanaal uit. Nu pas kunnen wij ons mensenkind een beetje loslaten en van een afstandje begluren, met een begeleidende Britse voice-over in ons achterhoofd.

Van de week haalde ik mijn zoon op bij het kinderdagverblijf. In de deur zit een observatieraam – een Robert M.-venster, zullen we maar zeggen – waar ik altijd even blijf staan om hem in een onbewaakt moment te kunnen bekijken. Het is hartverwarmend (en geruststellend) om ons diertje dan vol enthousiasme achter een van de leidsters aan te zien kruipen, of rustig te zien spelen.

“Lekker dagje gehad weer hoor,” zei de leidster toen ik binnen was en hem had opgepakt. Ze deelde een baby-anekdote: op een gegeven moment was ze even om de hoek bezig geweest, toen ze gegiechel hoorde. Vervolgens zag ze dat Tinus in een elektrisch wipstoeltje was geklommen, die een bevriende baby heen en weer aan het duwen was, terwijl ze de grootste lol hadden.

Ik keek naar Tinus, die ondeugend lachte. Tien maanden oud en nu al een privéleven. Het moet verdomme niet gekker worden.