Veerkracht

Het lukt. Het is niet makkelijk, maar uiteindelijk is het goed te doen, dat social distancing. Ik wil niet teveel als een montere minister-president klinken, maar het is toch wel wonderlijk om te zien hoe snel we in staat zijn geweest om die omschakeling te maken. Hoe normaal het soms al voelt.

Mensen zijn veerkrachtig; dat is misschien wel ons grootste talent. Ik was zelf lange tijd een uitzondering op die regel. Er was niet veel nodig om me uit het veld te slaan, fysiek of mentaal. Ik weet nog dat ik als student naar de huisarts ging omdat ik werkelijk élk griepje kreeg. Hij mompelde toen iets over “overgevoelige slijmvliezen”. Dat vatte mijn probleem wel samen: ik bestond van top tot teen uit overgevoelige slijmvliezen.

Tijdens een lange periode vol depressie en angsten leende mijn broer me ‘The Happiness Hypothesis’ van psycholoog Jonathan Haidt. Daarin schrijft hij: “Human beings are able to recover from virtually everything.” Dat gaf me de kracht om eruit te komen.

In mijn Kopstuk-interview met rapper Sticks vertelde hij dat hij geen mood swings meer heeft sinds hij vader is. Als je iets leert van kinderen, is het wel dat je telkens weer moet opstaan en door moet gaan. Ten eerste omdat ze het zelf niet doen: ze blijven op de grond liggen huilen tot je ze troost. Tegelijkertijd beschikken ze over een onverwoestbare geest die jou telkens weer uit je bed dwingt.

Sinds een half jaar douche ik ‘s ochtends koud af. Dat heeft fysieke voordelen, maar voor mij is het vooral een mentale kwestie. Ik háát kou. Het liefst maak ik het mezelf zo comfortabel mogelijk met een kwartiertje extra onder de dekens, of met een veel te uitgebreid bad. Onder die ijskoude douche dwing ik mezelf elke dag om twee minuten in de afgrond te staren, terwijl ik toch rustig door blijf ademen. Mijn wereld stort vervolgens niet meer in elkaar als blijkt dat de yoghurt op is. En ik ben veel minder vaak ziek.

Nog zoiets. Eind vorig jaar las ik in zo’n geluks-artikel van The New York Times over de 3-minute-rule: als iets in 3 minuten of minder te doen is, moet je het metéén doen. Een afwasje? Doe het. Je bed opmaken? Doe het gewoon effe. Voor je het weet doe je dat soort dingen zonder erover na te denken, en nog belangrijker: zonder jezelf als een slachtoffer van die afwas te zien.

Natuurlijk is er soms corona-stress. Zoals Pamela Adlon, de oermoeder uit de geweldige serie Better Things zei in een Instagram-video: “We freak out, then we go back in.” Koken helpt haar: “I decided to cook this fucking chicken.”

Voor de meesten van jullie klinkt dit als een aap die zichzelf heeft geleerd om met twee stenen een nootje open te slaan, terwijl jullie gewoon een notenkraker gebruiken. Jullie weten allang hoe dat moet, doorgaan. Duh.

Misschien probeer ik gewoon te zeggen dat ik jullie bewonder.

STOP

Zodra ik mijn huis uit stap, kijk ik mijn overburen aan, die in hun tuinstoelen – keurig anderhalve meter uit elkaar – van het zonnetje zitten te genieten. “Dag buurman, alles goed?” zeggen Patrick en Loes bijna tegelijk. Het zijn broer en zus, echte oud-Noorderlingen.

Ik zit om een praatje verlegen, dus ik blijf graag even bij hun tuinhek staan. “Ik vind het toch een soort straf voor hoe we geleefd hebben,” mijmert Loes. “Absoluut!” zegt Patrick. “Als je ziet wat er voor huizen betaald werd… En nou? Wat heb je nou aan je geld?”

“De lucht is nog nooit zo schoon geweest,” zegt Loes, terwijl ze naar de strakblauwe hemel wijst. “Heb je die foto’s gezien van de lucht boven China?” zegt Patrick, waarna hij een slok van zijn biertje neemt. “Alcohol doodt de bacteriën, zeiden ze op de radio,” verklaart hij. “En ik dronk al bijna nooit meer, hè.”

Ik groet ze en loop verder. Je hoort het vaker, de theorie dat de corona-crisis een boete is voor onze verslaving aan de eeuwige groei, dat ‘Moeder Aarde’ daar nu een correctie in aanbrengt. Er worden vele tenenkrommende filmpjes over doorgestuurd.

Aan de ene kant is dat pseudo-religieus gelul. Bovendien: er sterven onnodig mensen, met alle gevolgen van dien, en dat is niets om ‘dankbaar’ voor te zijn.

Aan de andere kant is het wel degelijk zo dat we in deze shit zitten omdat we weer eens een stel vleermuizen niet met rust konden laten. Zoals we al decennia bezig zijn om volledige ecosystemen in de war schoppen, waardoor de planeet op korte termijn onleefbaar dreigde worden.

Iedereen die zich zorgen maakte over klimaatverandering fantaseerde weleens over een grote STOP-knop. Hoe kon je ánders zo’n complex en vernietigend systeem als het wereldwijde consumentisme tot een halt brengen? Het leek maar door te denderen, terwijl we slechts met lede ogen konden toekijken.

Nu is het opeens stil.

Inmiddels ben ik bij het IJ, waar ik op een bankje ga zitten lezen. Na vijf minuten kan ik niet meer negeren dat de wind eigenlijk nog te koud is, en word ik weer terug naar huis gedwongen.

Op de terugweg schrik ik op van een meisje dat in haar telefoon schreeuwt: “IK WALG VAN JE! IK WÁLG VAN JEEEEEEEEE! VIEZE VUILE KÁNKER-DRUGSVERSLAAFDE, VIEZE VUILE KÁNKER-SEKSVERSLAAFDE! NEE, NEE, IK GA NAAR M’N ZUS!”

Even later loop ik langs een man die óók al keihard met iemand telefoneert. “Doe normaal, anders ga je de pakkie van je leven krijgen!” roept hij, terwijl hij verwoede trekjes van zijn sigaret neemt. Jeetje, denk ik, door de corona-crisis worden mensen echt steeds agressiever. Pas als hij zegt: “NIET naar je zus gaan bitch!”, besef ik dat het hier om één en dezelfde situatie gaat.

Dit is dus die drugs- en seksverslaafde, denk ik terwijl ik de man stiekem van opzij bekijk. Misschien, heel misschien, beseft hij straks ook dat hij met minder kan. Ik heb het hem nog maar even niet gevraagd.

Iets extra’s

Een oude wijze vriend stuurde me een mooie reactie op mijn vorige stukje. Hij feliciteerde me niet met mijn huwelijksaanzoek, maar zei dat hij mijn stukjes vaak zo “aandoenlijk” vond. “Vooral op de momenten dat je bang wordt. Er is ALTIJD iets grondig mis geweest met deze wereld Rutger,” schreef hij. Maar: “In wezen, ten diepste, hoef je je in dit leven nooit ergens zorgen over te maken.”

Dat had ik even nodig, want het sluiten van de kinderopvang en de ZZP-opmerking van minister Wiebes hakten er onverwacht hard in. Ik begon toch een beetje te wanhopen: ging het wel lukken, de komende weken? Daar voorbij lag een toekomst die al helemaal onzeker was.

Zoals gezegd: dat past ook wel bij mijn gevoel van de laatste tijd. Mijn vriend heeft waarschijnlijk gelijk als hij zegt dat er ALTIJD iets mis is geweest met deze wereld, maar de geboorte van twee kinderen in ruim twee jaar tijd heeft mijn wereld al honderden malen op z’n kop gezet. 

Daarom dacht ik vanochtend aan onze kraamverzorgster Saartje. Een vrouw van vijfenzestig met een grote bril en een hoog beleefd stemmetje, die door Annie MG Schmidt was bedacht en door Fiep Westendorp voor ons was uitgetekend. “Dag, ik ben Saartje,” sprak ze fijntjes toen ik de eerste ochtend verward de deur opendeed. Ik gaf haar een hand. Dat kon toen nog.

Saartje hielp ons tijdens die extreem hectische weken na de komst van een tweede kind niet alleen met de borstvoeding en het eerste badje; ze hielp ons om beter te leven. “Het is zo’n lieverd,” zei ze steeds over onze oudste, juist op de momenten dat ik me aan hem begon te ergeren. “Niet die afwas doen! Gaan jullie maar even slapen,” sprak ze ons streng toe.

Maar het belangrijkste was dat ze elke middag een warme maaltijd voor ons kookte. Saartje werkte al vijftien jaar in de kraamzorg, maar voor die tijd had ze meerdere levens geleefd: als hippie in New York, als kok in meerdere restaurants. Daardoor was ze in staat om van vier willekeurige ingrediënten en wat kruiden een maaltijd op tafel te toveren die mijn vriendin en mij elke keer versteld deed staan: komt dit uit onze keuken? We hadden toch alleen maar een prei en een half bakje crème fraîche in huis?

Dat liefdevolle voedsel was elke dag een verademing. Als een omhelzing op het moment dat je oververmoeid bent: opeens voel je de spanning van je afglijden. Niet zelden zat ik met tranen in mijn ogen te eten.

Saartje vertrok uiteindelijk, tot onze grote spijt, maar ik probeer sindsdien om iets van haar aanwezigheid vast te houden. Als het leven wat moeilijker gaat, is het heel verleidelijk om je tot het minimale te beperken: twee boterhammetjes met smeerkaas en dóór. Maar juist dan probeer ik iets extra’s te doen, door voor iedereen een smoothie te maken, of een eitje te koken, of desnoods een beetje komijn over dat godvergeten bammetje smeerkaas te strooien. Iets vers, iets warms. Iets extra’s.

Tijdens deze weken zouden we allemaal wel een Saartje kunnen gebruiken. Nu moeten we het zelf maar doen. Dat hoeft niet duur te zijn. Je hoeft er ook geen pasta voor te hamsteren. En het hoeft zich natuurlijk niet tot eten te beperken. Maar als je daar begint, volgt de rest vaak vanzelf.

Wat er moet gebeuren

Ik heb vanochtend mijn vriendin ten huwelijk gevraagd. Ik geloof niet dat ze doorhad dat ik het meende. Dat kwam deels doordat ik te lang had nagedacht over mijn kleine ontbijt-speech, en deels doordat ze tussendoor een hoestbui kreeg.

Sowieso heeft ze deze week moeite om me serieus te nemen, omdat ik nogal dramatisch ben aangelegd en niet kan stoppen met Corona-nieuws lezen (het is nu ook nog eens mijn werk). In de Whatsapp-groep van haar nuchtere familie word ik steeds bespot. “Maar misschien is dit wel een van die unieke situaties waarin mijn paranoia preciés de juiste respons is!” typte ik.

Ik voelde de Corona-crisis al aankomen, waarmee ik niet wil zeggen dat ik het heb voorspeld. Maar er hing al tijden iets in de lucht, toch? In november schreef ik nog een stukje getiteld ‘Alles Valt’, waarin één gemene griep mijn hele leven op losse schroeven zette. De afgelopen maanden sloeg de ene na de andere storm tegen de ramen, alsof iemand ons wakker wilde schudden. Op straat waren mensen gefrustreerd en agressief.

Veel mensen, links en rechts, hebben al tijden het gevoel dat er iets grondig mis is met onze wereld. Dat het weleens helemaal uit de hand zou kunnen lopen. Vandaar dat de supermarkten zo snel worden leeggegraaid: iedereen had al eens over dat doemscenario nagedacht. Het Corona-virus test nu al de limieten van onze huidige manier van samenleven. Het speelt zich af op een schaal die de meesten van ons nog nooit hebben meegemaakt, en die nauwelijks te bevatten is.

Ik voel me al weken alsof ik ben losgezongen van de werkelijkheid, waardoor ik gek genoeg helemaal niet zo paniekerig ben. Ik zie juist opeens heel helder wat belangrijk is; wat er gedaan moet worden. Ik werd ook niet ziek, terwijl ik normaal gesproken door elke griepgolf word meegesleurd.

Een paar dagen geleden trok ik de deur achter me dicht na een ochtend waarop mijn vriendin had gerocheld als een oude man, mijn eveneens zieke peuter me constant had geschoffeerd (“Jij mag niet naar mij kíjken papa!”), en de baby had ge-baby’d. Het gevecht ging nog even verder in mijn koptelefoon, toen ze inbraken op mijn Spotify-account en ik opeens naar ‘Nijntje, een lief klein konijntje’ luisterde (of zoals mijn vriendin dat extreem aanstekelijke nummer noemt: ‘Nijntje, tering-konijntje’).

Maar ik miste ze al zodra ik de straat uit fietste. Het lukte me eindelijk om Elbow op te zetten, Guy Garvey zong “Just this morning alone with you worth/A lifetime alone on this earth” en opeens wist ik zeker dat ik met hen alledrie wilde trouwen. Dat ik nergens liever wilde zijn dan bij hen. Noem het liefde in tijden van Corona.

We mogen hopen dat we hier (na een diepe recessie) Trumploos uitkomen, met meer waardering voor zorgmedewerkers, leraren, kunstenaars, de natuur etc. In de tussentijd moeten we maar dicht tegen diegenen aankruipen, die we toch wel zouden aansteken.

Verhaaltje

“Het hoeft niet altijd goed af te lopen hè,” schreef een redacteur laatst in haar commentaar. Het was een goede redacteur, want ze betrapte me op iets dat me zelf ook al was opgevallen, maar waarvan ik hoopte dat niemand het nog doorhad. Wat dat betreft is een goede redacteur net een goede psycholoog.

Natuurlijk is een schrijver niets zonder lezers (hoi, dank, welkom terug), maar uiteindelijk is alles wat ik schrijf een soort brief aan mezelf. Een manier om helderheid te vinden, zoals Joan Didion zei. Of was het Zadie Smith? Ach, voor deze stukjes heb ik toch geen redacteur.

Met een goed einde stel ik mezelf gerust. En dat is iets waar ik de laatste jaren extra veel behoefte aan heb. Zeker als ik over het ouderschap schrijf, snak ik ernaar om het rond te maken, om optimistisch af te sluiten.

We besteden allemaal een groot deel van onze dagelijkse energie aan zelfbedrog, aan het overeindhouden van een kloppend verhaaltje. We moeten wel, als de zelfbewuste apen die we zijn: het alternatief is depressie. Er is niets mis met je groothouden, of met een relativerende grap. Maar soms overdrijven we het een beetje, waarop een goede redacteur voelt: dit is onecht. Vaak staat je verhaal dan op barsten.

Het verhaaltje dat ik de laatste tijd vertelde, ging ongeveer zo: “Ik vind het mákkelijker, een tweede kind. Het voelt nu compleet. Natuurlijk is het druk, maar het is overzíchtelijk druk. Bij de eerste verlangde ik terug naar mijn oude leven, nu weet ik: dit is het.”

Het was een goed verhaaltje. Er zat ook veel waarheid in. Maar ik verzweeg dat babygehuil me nog steeds tot waanzin kan drijven. Dat ik soms schrok van mijn woedeuitbarstingen naar onze peuterpuber.

Dat ik laatst alleen thuis was met de kinderen na een lange slopende dag waarop het even niet was gelukt om alle zorgen over onze stijgende huur buiten de deur te houden, toen Frenkie opeens toch nog honger bleek te hebben en begon te krijsen, waarna ik ontdekte dat we alleen nog maar ingevroren melk hadden. Dat Tinus op dat moment besloot om op de woonkamervloer te plassen.

Dat ik kalm probeerde te blijven terwijl ik de ijsmelk in de flesopwarmer deed en Frenkie nóg harder begon te huilen en Ajax met 1-0 achterkwam tegen de meest vreselijke Spaanse schopploeg aller tijden en Tinus vrolijk maar onophoudelijk tegen me kletste terwijl hij eigenlijk naar bed moest. Dat ik op de grond stampte van woede als een machteloos kind.

Dat ik na het langzaamste half uur uit mijn leven eindelijk Frenkie een flesje (ijskoude) melk kon geven en toen uit pure uitputting begon te huilen. Dat op dat moment mijn vriendin thuiskwam, waarop ik nog harder begon te grienen en dingen zei als: “Je mag echt nooit meer weggaan, ik kan dit helemaal niet.”

Dat Tinus stond toe te kijken en toen fijntjes tegen zijn moeder zei: “Papa heeft geen borsten mama. Helaas!”

Hypocriet

De laatste tijd probeer ik te leven volgens de filosofie van de Stoa, door me niet druk te maken over dingen waar ik geen controle over heb. Dat betekent ook weer niet dat je lekker achterover mag leunen – je moet je vol inzetten voor alles waar je wél iets aan kunt doen. Daarom kocht ik een afvalgrijper via Bol.com.

Ik ergerde me al tijden aan het zwerfafval in ons volksbuurtje, met name het plastic natuurlijk, dat het nabijgelegen water in waait en over twintig jaar zal terugkeren in de kibbeling van de viskraam op de hoek, om ons tenslotte allemaal onvruchtbaar te maken. Even overwoog ik om overal campagneposters op te hangen met de slogan “Laat je chipszak niet zomaar vallen, straks zit-ie in je ballen”, maar in plaats daarvan kocht ik de grijper.

Zo wandelde ik dus op een druilerige dag met mijn zoon door ons buurtje, met de grijper en twee vuilniszakken: één voor huisvuil en één voor plastic. Ik dacht dat het een leuk uitje zou zijn (mijn zoon loopt toch ontzettend langzaam), en bevredigend bovendien, maar Tinus had geen zin om plastic te spotten en ik voelde me eigenlijk vooral een sukkel terwijl ik een patatbakje met verregende satésaus uit andermans tuin stond te wurmen.

Toen we bij de huisvuilcontainer aankwamen, bleek deze vol te zijn. Er lag al een hoopje vuilniszakken naast. Ik had spierpijn in mijn hand van het grijpen (een heel specifieke beweging, zo blijkt), Tinus smeekte “Jij mij draaaaaagen”, dus ik legde onze zak er ook bij. Ik breng eerst het plastic weg, dacht ik nog. Op de terugweg was die gedachte al geëvolueerd naar: ik kan er verdomme toch óók niets aan doen dat die container vol zit?

Een week later kregen we een kaartje in de bus waarop vermeld stond dat we we een boete kregen voor verkeerd geplaatst vuilnis. Er zat blijkbaar een envelop met ons adres in die zak. Zoals iedereen met grote woorden en principes ben ik onvermijdelijk hypocriet, een vegetariër met leren schoenen, een klimaatstrijder op vliegvakantie, een Joaquin Phoenix met een milkshake. Maar dit was wel heel ironisch. Ik overwoog om het geldbedrag met mijn grijper bij het gemeentehuis af te geven.

Op het kaartje stond dat we op dinsdag of donderdag tussen 10 en 12 konden bellen als we wilden reageren. Een 06-nummer van de heer Uiterwijk. Ik bestudeerde het handschrift van dit ingevulde deel. Streng en priegelig, als van een oude man. Nu moest ik wel bellen.

“Goedemiddag, Jens Uiterwijk, Gemeente Amsterdam.” “Goedemiddag, ik bel over de boete voor het huisvuil. Ik ben het er op zich mee eens hoor, maar ik moet zeggen dat het wel erg ironisch is…” Ik vertelde het verhaal, maar al snel besefte ik dat ambtenaren en ironie een ongelukkige combinatie zijn.

“De container was inderdaad vol meneer, maar in ons onderzoek hebben wij geconstateerd dat er binnen 150 meter nog een lege container stond,” was zijn lauwe reactie op mijn hilarische anekdote. “Snap ik, maar ik heb dus speciáál een grijper…” “Mag ik misschien meteen een documentnummer noteren voor het proces-verbaal? De boete bedraagt 95 euro.” “95?!” “Ja meneer, ik bepaal die bedragen niet helaas.” “Jezus.” “Wilt u een verklaring geven?” “Dat heb ik u net verteld.” “Kunt u het misschien herhalen? Dan noteer ik het als officiële verklaring.” Ik had net zo goed met de vuilniscontainer zelf in gesprek kunnen gaan.

“Heeft u nog vragen?” zei hij tenslotte. “Hoe reageren de meeste mensen als ze bellen?” vroeg ik oprecht nieuwsgierig. “Tja, ze worden kwaad. En meestal geven ze anderen de schuld.”

Kon ik dat ook maar, dacht ik, anderen de schuld geven. Maar dat mag niet van de Stoa.

Poep

In de buurtboerderij waar we met mijn broer hebben afgesproken, blijkt een harp-concert bezig te zijn, waardoor we met onze peuter en baby buiten moeten wachten (harp-concerten en kinderen zijn een slechte combinatie). Mijn broer appt dat hij later komt – zijn zoontje is pas net wakker uit zijn dutje. We willen er pissig over worden, maar we kunnen ons zijn situatie te goed voorstellen.

Het begint donker te worden. “Waar zijn de dieren mama?” vraagt de peuter. We hadden hem dieren beloofd. “Kijk daar!” roep ik. Er glipt een enorme rat uit een vuilnisbak. Mijn zoontje mist hem net, maar is toch tevreden: “Er was daar een rát mama!”

Als het harp-concert eindelijk klaar is, bestellen we snel thee om op te warmen. Nadat de drankjes zijn gearriveerd vragen we om menu’s. “Ah nee sorry,” zegt de barvrouw, vanavond hebben we geen eten. En we gaan ook zo dicht.”

Mijn broer stelt een ander restaurant voor. “Dan moeten we nú gaan,” zeg ik met een blik op de klok, waarna ik mijn bek brand aan mijn dampende muntthee. We laden vlug alles en iedereen weer in de auto. De baby huilt bij elk stoplicht, en is stil als we weer rijden.

In het café-restaurant spot ik de ene BN’er na de andere. Er loopt zelfs een acteur uit mijn favoriete serie Succession langs. Maar mijn broer heeft een hoek in een iets rommeliger familie-deel geclaimd, waar we zonder schaamte met onze troep kunnen neerzijgen.

Ik ben sowieso de schaamte voorbij. Vroeger vond ik mensen met kinderen asociaal als ze een ruimte overnamen met hun rommel en lawaai, nu begrijp ik: je moet wel. Kinderen spelen nu eenmaal met autootjes die van tafel flikkeren. Natuurlijk corrigeer je ze, maar dat heeft zijn beperkingen. Ik voel de blikken van de andere restaurantgangers, en denk: tja, zo zijn we.

Halverwege mijn hamburger zegt mijn zoon verschrikt: “Poep.” Ik sta als eerste op.

Tinus wil niet op de uitklapbare verschoontafel liggen, dus blijft hij staan terwijl ik zijn tuinbroek naar beneden trek. Ik slik. Een zee van diarree is langs zijn benen gelopen. “Oké,” zucht ik, “dat is oké.” Er moeten nu pijlsnelle beslissingen genomen worden. “Die broek kunnen we opgeven,” mompel ik. Hij knikt. Maar dan moet hij gaan zitten, en daarvoor moeten eerst zijn billen schoon zijn. Operatie-Stronthoop gaat van start.

Ik hoor opgewonden vrouwenstemmen aan de andere kant van de deur, moeders die ook hun kinderen willen verschonen, dus ik zeg op luide toon: “Jeetje wat een diarree! Dit gaat nog wel even duren zeg!”

Nu moet ik de wasbare luier in de wc uitspoelen. Intussen is mijn zoon met zijn poepvoeten over het verschoonkussen aan het paraderen. “Niet bewegen!” roep ik over mijn schouder. Ik gebruik een halve wc-rol om alles af te vegen: luier, broek, zoon, wc en het verschoonkussen, dat helemaal onder zit. Ik trek wel acht keer door en was mijn handen zestien keer. “Heel veel poep papa,” zegt mijn zoon. We moeten er samen om lachen.

Even later loopt hij slechts gekleed in een rompertje en schoenen parmantig door het chique restaurant. Een ouder stel kijkt hoofdschuddend toe.

Mijn vriendin schiet in de lach als ze ons ziet. Zodra ik weer aan mijn hamburger wil beginnen, zie ik dat mijn trui op buikhoogte nog onder de poep-korrels zit. 

We rijden door het donker naar huis, sommigen met broek, anderen zonder. Het was zwaar, maar het is gelukt, en nog zonder irritaties ook. En ik kan je zeggen: ook al stinkt alles naar kak, er is geen bevredigender gevoel dan dat.

Snor

“De populairste scholen zijn er niet,” fluistert een andere vader. We staan op de scholenmarkt; zoals verwacht is het er ontzettend druk. Noord barst van de kinderen, de jaarlijkse basisschool-loting schijnt een grote soap te zijn.
Toch lukt het me niet om het serieus te nemen. Thuis zeiden mijn vriendin en ik al tegen elkaar dat we naar een ‘partnerruil-markt’ gingen, waar alle ouders vooral naar elkaar kijken. “We nemen gewoon de school waar de knapste mensen staan, oké?”
En inderdaad, nu staan we vooral met andere (knappe) ouders te praten. De vader tegenover me is een acteur met een snor, die ik meteen mag. Zodra ik doorheb dat hij het ouderschap net zo ironisch benadert als ik, haal ik opgelucht adem. Mijn beste vrienden zijn allemaal kinderloos; ik snak naar iemand met wie ik grappen kan maken over de hand-mond-voetziekte.
“Jezus, die school geeft Engels vanaf groep 1!” zeg ik, wijzend naar een kraampje. “Ja, die moeten wel, ze zitten heel ver weg,” verklaart de acteur. Hij laat me een kaart met de 34 scholen zien.
Hij wijst op een stipje niet ver van ons huis: “Daar zitten de kinderen van Marjolijn van Heemstra. Schijnt een leuke, diverse plek te zijn.” “Natuurlijk, als Marjolijn haar kinderen daar heeft…” De acteur kijkt me speels, bijna flirty aan terwijl hij quasi-serieus knikt: “De basisschool van Marjolijn van Heemstra: dáár wil je je kinderen hebben.”
Dan laat hij me alleen. “De tiger dad komt in me los,” zegt hij gespannen.
Mijn vriendin en ik duiken er ook in en raken aan de praat met een juf van de school bij ons om de hoek – met een slechte reputatie, zo weten we. Haar glimlach grenst aan het wanhopige terwijl ze haar optimistische verhaal afratelt, en wij al weten dat we een andere keuze zullen maken.
Naast de juf staat een directrice van een snel groeiende school. Het is alsof iemand een plaatje van een basisschooldirecteur uit een kinderboek heeft geknipt: piekfijne krullenbos, grote bril, stevige houding. “Onze zoon is pas twee, dus dit voelt erg vreemd,” bekent mijn vriendin. “U krijgt een brief waar alles in staat,” zegt de directrice. “Staat er ook in wie we allemaal moeten omkopen?” vraag ik. “Ja,” antwoordt ze met een glazige blik. Het duurt drie seconden voor ze toch in de lach schiet.
Aan het eind van de krappe gang staat de acteur samen met een stel andere ouders de Montessorischool-directrice te ondervragen. “Bieden jullie continuïteit voor de klas?” vraagt hij, terwijl hij naar mij knipoogt. Ze zucht. “Dat is moeilijk in deze tijd. Ik kan niets garanderen.”
Opeens is daar de realiteit: terwijl er talloze ouders langskomen om scholen te shoppen, zijn er niet genoeg mensen die zélf voor de klas willen staan.
Als de markt wordt opgedoekt, hebben we nog geen keuze gemaakt. Op weg naar de uitgang zegt de acteur: ” Misschien kunnen we een keer met onze zoons naar een zandbak ofzo?” Ik probeer niet te gretig te klinken als ik zeg: “Ja, leuk.”

Speech

Niets is zo mindful als een dag met een peuter. Op straat moet alles benoemd worden (“Kijk papa, twee hóndjes!”), een rij witte tegels verandert in een rails waar hij als een trein overheen moet rijden, etc.

Als we eindelijk het cafeetje bereikt hebben, kan ik godzijdank even een blik op mijn dopamine-machine werpen. Maar een tafeltje verderop zie ik een vader tegenover zijn dochter ook op zijn telefoon zitten, terwijl zij “Papa, papa?” zegt, en die schaamtespiegel zorgt ervoor dat ik het ding toch weer in mijn zak stop.

Dat meisje zit in de opvang-groep van mijn zoon, trouwens. Ze glimlachen verlegen naar elkaar. Dat is me al vaker opgevallen: peuters kunnen een dag enthousiast met elkaar spelen, maar buiten de context van de crèche is het contact opeens weer ongemakkelijk.

Ik ken alle kinderen uit Tinus’ klasje en op de fiets naar huis vraag ik altijd met wie hij vandaag heeft gespeeld – nu al stimuleer ik zijn vermogen om personages te onderscheiden. Maar ik vergeet steeds dat dit niet voor andere ouders geldt, en dat het best wel vreemd is als een wildvreemde vent in de supermarkt hun kind uitgebreid groet. Toch zwaai ik nu naar het meisje.

We eten zwijgend onze croissantjes. Hij begint moe te worden, al zal hij dat ontkennen. Ik luister naar het gesprek aan de tafel naast ons. Hier gaat het stukje eigenlijk over, dus zet je schrap.

Het zijn twee verzorgde Amerikaanse vrouwen van eind dertig. Terwijl ze hun salades eten praten ze over wat ze verder allemaal eten – en niet meer eten. Met hun vette Amerikaanse accent ratelen ze over hun leventjes, waarbij ze elkaar constant in de rede vallen, alsof de stilte tussen hun zinnen een afgrond is waar ze in zullen storten.

“I don’t do breakfast anymore,” zegt de een. “No?” “Uh-uh: intermittent fasting. And no carbs, obviously.” Nu valt me pas op dat ze zich als een hongerige wolf op haar salade heeft gestort. Behalve dat wolven geen salades eten, maar goed.

De vrouwen zijn irritant. Hun obsessie met eten is irritant, hun manier van praten is irritant, en even later blijkt dat ze ook nog rijk zijn – super-irritant. Ze hebben huizen in het centrum van de stad, waren net nog in Parijs – the real Paris – blablabla. Ze hebben alles, maar vervelen zich kapot.

In mijn hoofd bereid ik – al net zo verveeld – een speech voor. Hun schaamteloze veeleisendheid is precies wat deze stad kapotmaakt. De exacte tekst weet ik nog niet, maar er moet sowieso “You guys deserve Trump!” in. Ik zie hun geschokte gezichten al voor me.

Op dat moment worden mijn gedachten onderbroken doordat Tinus – sowieso een en al kruimels – appelsap over zichzelf heen gooit. Terwijl ik hem dep, kijkt de vastende vrouw oordelend toe – ook vanwege al die carbs natuurlijk.

Terwijl ik opsta om te betalen, besluit ik het simpel te houden. Ik zal expres iets in het Nederlands tegen ze zeggen, en als ze dan fijntjes antwoorden met “Sorry, we don’t speak Dutch”, zal ik met opgetrokken wenkbrauwen zeggen: “Why not? You guys live here, right?” Ja. Perfect.

Maar als ik Tinus z’n jas aantrek en mezelf klaarmaak voor de confrontatie, hoor ik een van hen met een charmant Amerikaans accent tegen de barjongen zeggen: “Pardon, mag ik nog een cappuccino met havermelk alstublieft?”

“Die mevrouw zegt ‘havermelk’, papa!” roept Tinus triomfantelijk. “Ja,” zeg ik, “kom op, we moeten gaan.”

Alles valt

Ik denk regelmatig aan een kop van The Onion: ‘Man gets life in order for 36 precious minutes’. Leven is zo verschrikkelijk moeilijk, zeker nu, zeker als freelancer met artistieke ambities en zéker als je ook nog kinderen hebt: je bent voortdurend dingen aan het regelen, constant aan het opruimen, en dan zijn er nog de zorgen over je werk, familie en vrienden.

Afgelopen zomer werkte ik de achterstand eindelijk weg en voelde ik me een tijdje als de Onion-man. Ik was tevreden over mijn spullen en niemand was ziek. Maar toen ging het rap: een interview werd afgezegd, mijn zoon kreeg een oorontsteking, het hele gezin werd lamgelegd door de griep. Opeens donderde alles in elkaar, het was bijna lachwekkend om te merken dat niets, maar dan ook niets nog volgens plan verliep.

Ken je dat moment dat alles valt? Letterlijk: je trekt een keukenkastje open en meteen springt er een suïcidale zak rode linzen naar buiten, die natuurlijk niet goed dichtzat. Als je de linzen-invasie geïrriteerd wilt opvegen, stoot je je favoriete koffiekan omver, die onmiddellijk in duizend stukjes uiteenbarst, alsof hij er ook genoeg van had. Op dat moment gooit je zoon zijn melk om.

Alles faalt. Samenwerkingen worden opeens beëindigd, er zit lood in onze waterleiding, mijn telefoon is stuk, de auto piept, mijn peuterpuber wil niet slapen, de schimmelinfectie op mijn arm is terug en mijn hoogzwangere vriendin ligt de hele nacht te hoesten. Werken komt er niet van. Binnen een paar weken is al het plezier uit mijn leven verdwenen en ben ik alleen nog maar bezig met onderhoud.

Het is zo moeilijk om alles bij te houden, om overeind te blijven, en dan mag ik nog niet eens klagen met mijn opeenstapeling van kleine problemen (wat ik alsnog doe natuurlijk). Kijk naar de schandalige toeslagenaffaire en je ziet meteen hoe kwetsbaar we zijn in ons uitgeholde VVD-land. Lees Lieke Marsmans Twitter-relaas over terminale kankerpatiënten die op dezelfde manier getreiterd worden door de overheid. Denk aan de ouders van een gehandicapt kind.

(Het is ook vreemd om te merken hoe je die ‘ieder voor zich’-mentaliteit incorporeert. Tijdens zo’n chaotische periode komt het nauwelijks in me op om hulp te vragen. Al mijn vrienden zijn toch te druk met hun eigen problemen, denk ik dan.)

Sommige mensen kiezen er daarom maar voor om het leven zo lang mogelijk uit te stellen. Om te klagen over hun gebrekkige libido als een relatie ‘serieus’ wordt, of om hun ouders overal de schuld van te geven. Ik heb dat puberale denken zelf ook lang volgehouden. Dat is de tragiek: toen ik deze verantwoordelijkheden nog niet had, deed ik niets met mijn vrijheid, en nu ik eindelijk de urgentie gevonden heb, is er nooit genoeg tijd.

Alles waar ik bang voor was, is ook echt uitgekomen. Toch heb ik geen spijt. Dit leven is zoveel gelaagder dan ik me toen kon voorstellen. Mensen zijn ongelofelijk veerkrachtig (zelfs als we denken dat we het alleen moeten doen). En hoe moeilijk het vaak ook is: het is echt.

In de buik van mijn vriendin wacht intussen onze dochter, tot ze alles nog meer in de war kan gaan schoppen. Dat is oké. Ze hoort bij ons.

Hier pijn

Elke massage is anders. Misschien ‘neem’ ik daarom wel zo vaak een massage: ook als het tegenvalt zit er wel een verrassend moment bij, een techniek die ik niet kende of een spiergroep waarvan ik me niet realiseerde dat hij bestond.

Dus toen er een nieuwe optie op het menu van mijn Chinese massagesalon stond, was ik meteen geïntrigeerd. Ik had overal pijn nadat ik anderhalve week was geteisterd door een motherfucker van een griep. Er stond al een masseuse, een meisje met paarsgeverfd haar, glimlachend te wachten.

“Is die massage goed na griep?” vroeg ik aan de mevrouw achter de balie. Ze keek me met grote ogen aan. “Oooh, Tuina heel hard.” Ze zei iets in het Chinees tegen het meisje, dat teleurgesteld afdroop. In haar plaats verscheen een potige vrouw van middelbare leeftijd. Zij glimlachte niet.

“Met guasha hè,” zei de baliemevrouw ernstig. “Zwart… Drie dagen… Pijn… Ik jou niet bang maken…” Ik begreep haar maar half, en zei: “Oké, oké.”

Even later kleedde ik me uit en ging oprecht benieuwd op de massagetafel liggen. Op de achtergrond klonk de vaste pling-plong-muziek met de hoge Chinese zang.

De massage begon met de intensiteit van een Wagner-stuk. Het was alsof ik gemasseerd werd door de sterkste vrouw ter wereld, die tegelijk enorm veel haast had. Ze pakte de knopen in mijn nek van alle kanten aan, in moordend tempo, met de doeltreffendheid van een slager. “Hier pijn?” “Ja.” “Hier pijn?” “Ja.” “Hier pijn. Hier pijn, hier pijn.”

Telkens als ik dacht dat ik het niet meer aankon, dat ik echt mijn safe word moest inzetten, stopte ze even om olie te pakken, waarop ik een paar tellen uithijgen, voor ze zich weer op me stortte. “Hier pijn, hier pijn, hier pijn.” “Jaaaaargh.” Het was alsof ik gemasseerd werd door een enorm gespierd Duracell-konijn.

Er ontstond een band. Soms moest ze lachen vanwege mijn gekreun, soms maakte ze een afkeurend geluid met haar tong. Ze was vooral teleurgesteld over de staat van mijn heupen.

Na een tijdje fluisterde ze: “Jij teveel pijn. Jij moet extra: negentig minuten.” Ik vond dat een vreemde zinscombinatie, maar ik knikte. Toen pakte ze een zenuw in mijn onderarm vast en had ik meteen spijt.

Vervolgens kwam de guasha. Met een klein schelpvormig schijfje begon ze als een malle over mijn rug en schouders te schrapen. Weer maakte ze het afkeurende geluid.

Tijdens het laatste deel nam het tempo af. Ik lag uitgeteld op mijn rug, zodat ik haar kon aankijken. “Eén week, dan jij goed,” bezwoer ze me terwijl ze het zweet van haar voorhoofd veegde. Ze boog zich naar me toe en fluisterde: “Anderen hier, niet goed.” Daarna wees ze agressief op haar eigen borst, als een voetballer na een doelpunt, en zei met een felle blik: “Alléén ik Tuina.” De boodschap was duidelijk: I own this bitch. Ik geloofde haar meteen.

Thuis liet ik mijn rug aan mijn vriendin zien. Ze sloeg verschrikt een hand voor haar mond. In de spiegel zag ik dat ik inderdaad onder de donkerrode striemen zat. Het voelde alsof ik in elkaar was geslagen. Voor honderd euro. Ik zou weer een week moeten herstellen.

Maar goed, ik had wel iets nieuws meegemaakt. 

Helaas niet meneer

Volgens Google kon ik het nét halen, dus toen er geen tram in zicht was, wist ik dat ik te laat zou komen. Ik moest een taxi pakken, en verdomd, daar reed er net eentje voorbij. Ik stak mijn hand op alsof ik een yellow cab op Fifth Avenue in New York aanhield – in feite was het een oude Skoda van een onbekend taxibedrijf.

“Naar De Plantage alstublieft,” zei ik tegen de chauffeur, een bleke jongeman met een strak verzorgd zwart baardje. Ik stapte achterin, zo kwam dat nou eenmaal uit.

“Gaat u naar Artis meneer?” vroeg de chauffeur met een zachtaardigheid die me verraste. Zijn open, nieuwsgierige ogen verschenen even in de achteruitkijkspiegel.

De laatste keer dat ik een taxi had genomen, was de chauffeur (die geen oogcontact maakte) de hele rit bezig geweest met een telefoongesprek via zijn AirPods. Een traag en eenzijdig gesprek, want telkens als hij na een lange tussenpose reageerde – “Ben jij oké ermee?” – dacht ik dat hij het tegen mij had, waardoor we steeds in hetzelfde misverstand terechtkwamen, tot hij vroeg (de blik strak vooruit gericht): “Hier goed?” en ik ervan overtuigd was dat hij zich dit keer tot zijn vriend had gericht.

“Nee,” zei ik tegen de bleke taxichauffeur, “maar ik was dinsdag nog in Artis. Met mijn zoontje.” “Het is leuk daar hè?” “Ja,” zei ik geamuseerd. Het was een kort ritje, praten was niet echt nodig, maar ik waardeerde zijn poging om contact te maken. “Heb jij kinderen?” vroeg ik. “Helaas niet meneer.”

In dat woordje ‘helaas’ zat heel veel, begreep ik: onvruchtbaarheid misschien, of een overleden vrouw. In elk geval leek het een verklaring voor zijn behoefte aan een echt gesprek.

We praatten even over de route, hij zou een illegale U-turn moeten maken, maar dat was geen probleem. “Wij taxichauffeurs zijn natuurlijk de ergsten op de weg, maar vergeet de fietsers niet hoor,” zei hij met een zelfbewustzijn dat opnieuw mijn vooroordelen onderuit haalde.

Na zijn voortreffelijke U-turn was het een paar tellen stil. Toen zei hij: “Ze is overleden, onze dochter. Na twaalf dagen.” Hij keek me via de spiegel aan met betraande ogen. “Te vroeg geboren. Vijfentwintig weken. Ze was sterk weet je. Echt een sterk meisje. Maar op dag twaalf was ze toch te moe.” “Jeetje man. Wat vreselijk.” “Ja.” We zwegen.

“Dit was recent dus,” zei ik. Hij knikte. “Juli.” Ik keek naar buiten. Het maakte niet meer uit of ik te laat kwam. “In het begin zit je thuis. Maar ik ben toch maar weer gaan werken hè. Afleiding.” “Ja.” Ik moest denken aan mijn eigen dochter, veilig in de buik van mijn vriendin.

“We zijn er.” Misschien wilde hij wel niet dat ik wegging. Maar we moesten door. Ik betaalde en legde nog even mijn hand op zijn schouder. “Sterkte man,” zei ik. “Dank u wel meneer,” zei de bleke taxichauffeur.