Italiaantje

Mijn vriendin en ik staan op de pont, op weg naar huis na een geslaagde ‘date night’. Als je eindelijk een oppas hebt weten te regelen staat er toch wat extra druk op zo’n avond, dus we zijn allebei opgelucht dat het ook echt gezellig was.

Ik kijk kalm om me heen. Op een paar meter van ons staat een groepje jonge toeristen – twee van hen filmen de nachtelijke overtocht. Eentje heeft zo’n oerlelijke Amsterdam-muts op. Ze praten hard in het Italiaans.

Opeens maakt mijn lome tevredenheid plaats voor diepe haat. Dit groepje staat voor mij, nu, symbool voor alles wat er mis is met de wereld. Hun kleding, hun gadgets, hun quasi-ongeïnteresseerde houding en de manier waarop ze mijn stad als entertainment behandelen: dit alles is onderdeel van het domme, zelfingenomen consumentisme waar de hele wereld aan kapotgaat.

Dat gevoel overkomt me de laatste tijd vaker, vooral als ik me onder de mensenmassa op het Centraal Station beweeg, en zeker als ik moe ben. Iedereen lijkt alleen maar bezig met kopen, met uiterlijk vertoon, met het delen van lege ervaringen – waarom denken ze daar niet kritischer over na? Al die kennis is nu toch ruimschoots voorhanden? Rustig Rut, denk ik dan, liefde, tranquillo. Jij koopt zelf ook graag mooie kleren. Maar het is al te laat, ik ben volledig in paniek over alles.

Een van de filmende Italianen draait zich nu om en richt haar telefoon op de passagiers van de boot; ze verblindt ons even met het licht van haar camera. Nu is mijn irritatie ook nog eens echt gerechtvaardigd. Ik denk aan hoe laatst een andere toerist op de pont opeens mijn zoon in zijn kinderzitje begon te filmen alsof hij een zeldzaam dier was. “Say hi to the camera little guy!”

Mijn agressie richt zich vooral op een kleine, magere Italiaan met een strakke coupe en een glimmend jasje aan, die opgefokt heen en weer loopt over het dek, alsof hij de fucking kapitein is. Zijn machismo is de druppel. “Kom op, raak m’n fiets aan, geef me een reden,” mompel ik als hij vlak voor ons langs marcheert. Mijn vriendin moet lachen. Maar ik meen het: als hij nog verder mijn ruimte binnendringt, zal ik hem bij zijn kraag grijpen en buitenproportioneel hard overboord smijten.

De pont komt aan, het moment lijkt voorbij te gaan. Maar als we ons door de mensenbrij hebben gewerkt, loopt het magere Italiaantje opeens zelfverzekerd op het fietspad, een paar meter voor mijn wiel. Ik roep “Hé!” en ga tegelijkertijd in volle vaart op hem af. Hij stapt net op tijd opzij, maar ik steek mijn arm uit en raak hem met mijn elleboog.

“Voel je je nu beter?” vraagt mijn vriendin even later. Ze is sarcastisch, dat hoor ik ook wel. En ze heeft gelijk: het elleboogje was zinloos en laf. Maar als ik mijn gevoel peil, merk ik tot mijn eigen verbazing dat ik me inderdaad een stuk beter voel.

Extravagante poepluier

Ik was in opperste concentratie een overvolle, ik zou zelfs zeggen extravagánte poepluier aan het verwijderen – spartelende beentjes omhooghouden, met andere hand billendoekje pakken, wasbare luier in het kakbakje leggen, en dit alles in hoog tempo om zo snel mogelijk van de stank af te zijn – toen ik vanuit mijn ooghoek zag dat Tinus iets aan het eten was. “Hé lieverdje, ben je lekker aan smikkelen?” zei ik. “Hoe kom je daar aaaaAAAAAAAH? Oh nee. Oh nee.”

Het was gebeurd. Mijn zoon had zijn eigen poep gegeten. Hij glimlachte erbij.
Een paar seconden later begon hij echter heel hard te huilen, alsof hij besefte wat hij had gedaan. “Ja schat, dat moet je een keer meemaken,” zei ik terwijl ik hem vlug naar de badkamer droeg om zijn tanden te poetsen.

Ze vertellen je zoveel dingen niet. Dat je tijdens het eten nauwelijks met elkaar kunt praten omdat hij overal doorheen gilt (een babyhuiltje is echt niets in vergelijking met het oorverdovende gegil van een peuter), dat hij nú al soms overal ‘nee’ op zegt en alles wegduwt (inclusief zijn vader), dat hij zo ontzettend woedend kan worden, een woede die je daarvoor alleen bij dieren hebt gezien.

Mijn vriendin en ik hebben regelmatig ruzie over hoe ‘moeilijk’ Tinus nou precies is. Ik heb geen vergelijkingsmateriaal, maar ik vermoed dat hij niet de makkelijkste is. Mijn vriendin verdedigt hem dan vol overgave, als een echte moeder, een dynamiek die we waarschijnlijk de rest van ons leven zullen volhouden – hij heeft immers ook niet de meest makkelijke ouders. Inmiddels hebben we een compromis gevonden: Tinus is ‘temperamentvol’.

En zo is het ook. Hij is altijd al fysiek sterk geweest (ik zweer het je, over een jaar verslaat hij me met armpje drukken), maar mentaal is hij net zo krachtig. Als hij met twee treden tegelijk de trap beklimt terwijl ik hem op de voet volg, draait hij zich opeens ferm om en zegt met een terechtwijzend vingertje: “Nee nee nee.” Ik was hem niet eens aan het helpen, maar hij claimt nu al zijn eigen ruimte.

Niemand vertelt je dat zo’n afscheid al zo vroeg begint, maar het maakt me ook trots. Net zoals ik trots ben op zijn grapjes, zijn nieuwsgierigheid en hoe hij keihard “KOE” roept als hij een plaatje van een koe ziet. Hij gaat later rusteloos worden, absoluut, maar hij zal ook vooropgaan in de strijd (tegen de aliens die onze zonne-energie komen stelen).

Want ja, er gebeurt zoveel meer dan ze je vertellen, maar dit is ook echt pas het begin. Als ik hem midden in de nacht vasthoudt terwijl hij vol overgave zijn frustraties eruit krijst, fluister ik: “Rustig, rustig, je maakt het jezelf zo moeilijk.” Maar dan denk ik tegelijkertijd: het heeft mij 33 jaar gekost om dat te leren, en het lukt me nog steeds niet altijd om rustig te blijven.

Laat hem dus nog maar even duwen, krijsen en zijn eigen kak eten. Ik zal er altijd zijn om na afloop zijn tanden te poetsen.

Emmy

Vlak voor de ceremonie begon, vroeg Stephane me om hem ervan te overtuigen dat we niet gingen winnen. Ik keek hem strak aan en zei: “Wij zijn een kleine film van nieuwe makers, die ze er alleen maar bij hebben gezet om aan te geven dat ze experiment steunen. De nominatie is een aanmoedigingsprijs. Er is nul kans dat we winnen. Nul.” Hij knikte. “Ok.”

Twintig minuten later klonk het: “And the Emmy goes to… Etgar Keret: Based on a True Story.”

Misschien had ik geprobeerd om mezelf in te dekken. Ik had vroeger vaak te hoge verwachtingen; nu was ik de andere kant op geschoten.

Ik kon ook oprecht niet goed inschatten wat die International Emmy Awards precies voorstelden. Aangezien alleen de regisseur en iemand van de productie werden uitgenodigd, moest er voor mij een kaartje van liefst 600 dollar gekocht worden. Per mail werd me aangeboden om een eigen nominatie-medaille te kopen (150 dollar), begeleid door een Tell Sell-achtige foto van de glimmende koopwaar. Was het een soort geldklopperij, inspelend op de ijdelheid van buitenlandse film- en tv-makers?

Maar toen we de enorme balzaal in New York binnenkwamen, beseften we opeens: dit is echt. Een echte award ceremony, met dezelfde beeldjes.

De avond ervoor had een dronken Britse tv-producent me op het hart gedrukt om alsnog zo’n medaille te kopen: “Frame it, stick it on the wall. As a creative you have good days and bad days, right? Now, when you’ll have a bad day, you can just point at the wall and say: I got nominated for a fuckin’ Emmy.”

Nadat we dan toch wonnen, moest ik steeds denken aan die middag tijdens de montage-fase van de film, toen ik koortsachtig rondjes door het bos bij ons de buurt liep, terwijl ik mezelf hardop moed probeerde in te praten, om te voorkomen dat ik volledig zou doordraaien (dat doorgedraaide mensen vaak hardop tegen zichzelf praten, liet ik even buiten beschouwing). De film leek nergens op, de vriendschap met Stephane stond op springen.

Het is moeilijk, misschien wel onmogelijk, om ego en artistieke urgentie van elkaar te scheiden. Maar op de een of andere manier (door pure uitputting waarschijnlijk) besloten we toen om alle persoonlijke bewijsdrang opzij te zetten en gewoon een zo goed mogelijke film te maken.

Als je zo’n prijs wint, ligt ijdelheid alsnog op de loer. Maar door die herinnering kon ik dit keer vrij kalm van het moment genieten. Gewoon even dat beeldje vastpakken en grijnzend mijn vriend, die wonderwel nog steeds mijn vriend is, op de schouder slaan.
Nu weet ik weer niet goed wat het betekent. Maar toen werd aangeboden om een extra beeldje te kopen, heb ik het toch maar gedaan. De volgende keer dat ik de behoefte voel om hardop pratend door een bos te lopen, kan ik daar dan even naar kijken. En denken: waarom heb ik in godsnaam 600 dollar voor dat ding betaald?

Lievelingsdier

Tijdens de zwangerschap keken we ontzettend veel tv. Zeven seizoenen van The Good Wife bijvoorbeeld, waardoor we op een gegeven moment alleen nog maar in het jargon van de Amerikaanse rechtspraak konden praten – ‘Objection, your honor – relevance?!’ – maar ook alle BBC-natuurseries van sir David Attenborough – Planet Earth, Life, etc.

In een van zijn epische voice-overs sprak Attenborough zo teder over olifanten, dat ik besloot te googelen of het eigenlijk zijn lievelingsdier was. Sowieso een leuke vraag voor iemand die een respectabel deel van de 8.7 miljoen diersoorten op aarde van dichtbij heeft meegemaakt.

Niet de olifant, maar een tien maanden oude mensenbaby bleek Attenboroughs favoriete organisme: “Ik kan er eindeloos naar blijven kijken. Hoe snel het leert, groeit en woorden verzamelt. Geen enkel ander dier is zo complex en zo fascinerend,” zei hij in een interview.

Een jaar later heb ik nauwelijks nog tijd om tv te kijken, maar begrijp ik precies wat Attenborough bedoelt: het is eindeloos fascinerend om een kind van tien maanden bezig te zien. De manier waarop mijn zoon in innige concentratie met een lichtknopje speelt, terwijl hij prevelt: “Uit… uit…” Of hoe hij juist totaal rusteloos het balkon verkent, telkens weer afgeleid door nóg een spannend stuk karton. Voortdurend mompelt hij: “Deze, dit, dat, die,” overweldigd door wat hij allemaal nog moet ontdekken, als iemand die voor het eerst XTC heeft gebruikt.

Eigenlijk begint zijn leven nu pas echt. Een jonge baby is enorm kwetsbaar, en dat haalt een diep soort liefde in ons naar boven, maar het stelt nog niks voor – de eerste negen maanden probeer je als mensenouders vooral de omstandigheden van een baarmoeder na te bootsen. Giraffen lachen ons uit: hun baby’s galopperen in één keer het geboortekanaal uit. Nu pas kunnen wij ons mensenkind een beetje loslaten en van een afstandje begluren, met een begeleidende Britse voice-over in ons achterhoofd.

Van de week haalde ik mijn zoon op bij het kinderdagverblijf. In de deur zit een observatieraam – een Robert M.-venster, zullen we maar zeggen – waar ik altijd even blijf staan om hem in een onbewaakt moment te kunnen bekijken. Het is hartverwarmend (en geruststellend) om ons diertje dan vol enthousiasme achter een van de leidsters aan te zien kruipen, of rustig te zien spelen.

“Lekker dagje gehad weer hoor,” zei de leidster toen ik binnen was en hem had opgepakt. Ze deelde een baby-anekdote: op een gegeven moment was ze even om de hoek bezig geweest, toen ze gegiechel hoorde. Vervolgens zag ze dat Tinus in een elektrisch wipstoeltje was geklommen, die een bevriende baby heen en weer aan het duwen was, terwijl ze de grootste lol hadden.

Ik keek naar Tinus, die ondeugend lachte. Tien maanden oud en nu al een privéleven. Het moet verdomme niet gekker worden.

McCain

John McCain is dood. U heeft zich misschien verbaasd over de aandacht die dit genereerde, zeker als u geen idee had wie die kale witte man met zijn geniepige grijns eigenlijk was. Ik ken McCain vooral dankzij The Daily Show, het satireprogramma dat ik jarenlang religieus volgde. Ik geloofde destijds écht dat presentator Jon Stewart met zijn redelijkheid en zijn grappen de wereld kon veranderen.

Tijdens de verkiezingsstrijd van 2008 tussen Barack Obama en John McCain was Stewart in absolute topvorm. Hij liet haarfijn zien hoe ongemakkelijk McCain zich voelde binnen de Republikeinse partij, die op het punt stond om over te koken. Het hoogtepunt vond plaats toen een verwarde vrouw tijdens een evenement door de microfoon zei dat McCain zijn opponent niet moest vertrouwen, omdat hij “an Arab” was. McCain onderbrak haar: “No ma’am, he’s a decent family man, who I just happen to have disagreements with.”

Als ik dat fragment nu kijk, moet ik niet lachen, maar springen de tranen juist in mijn ogen. De moed waarmee McCain de door Fox News gegenereerde gekte van zijn eigen aanhang probeerde in te dammen, in plaats van uit te buiten – dat is tien jaar later gewoon ondenkbaar. (McCain koos wel Sarah Palin als ‘running mate’, een knieval waar hij later spijt voor betuigde.)

Tegelijkertijd was McCain een typisch voorbeeld van hoe onze politieke overtuigingen gevormd worden door onze omstandigheden. Nadat hij als soldaat in Vietnam gemarteld werd, toonde hij zich een fel tegenstander van de martelmethodes van de regering-Bush. Het overleven van het gevangenschap maakte McCain bovendien dankbaar en nederig, waardoor hij niet bang was om zijn standpunt te wijzigen, en tot vlak voor zijn dood als van de weinige Republikeinen tegen het cynische beleid van Trump bleef vechten.

Dat zie je vaker: een conservatieve politicus die het homohuwelijk steunt nadat zijn dochter uit de kast is gekomen, of een linkse politicus die voor zero tolerance is nadat hij straatgeweld heeft meegemaakt. Ik las eens over een racistische, antisemitische politicus uit Hongarije die erachter kwam dat hij eigenlijk zélf Joods was. Vervolgens bekeerde hij en werd ultra-orthodox (het extreme bleef toch wel echt zijn ding).

Daarom is het bijna onmogelijk om iemand van je standpunt te overtuigen: omdat we allemaal – links én rechts – vergeten dat ons perspectief ook maar toevallig zo ontstaan is. En ze zeggen wel: “Don’t judge a man before you’ve walked a mile in his shoes”, maar wie heeft daar nog tijd voor? Onze persoonlijke ervaringen worden steeds nauwer, steeds voorspelbaarder. En het debat dus ook.

Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen relativist. Er zijn wel degelijk kernwaarden. Maar empathie is misschien wel de belangrijkste daarvan, en daar is juist zo’n ongelofelijk gebrek aan. De kracht om mee te voelen met een verwarde medestander, en tegelijk tegen haar xenofobie in te gaan, omdat je erkent dat de ander ook gewoon een fatsoenlijk mens is. Ik geef het je te doen.

Lekker Rut!

Sinds kort heb ik een werkplek buiten de deur, in een ‘ondernemershuis’ bij ons in de buurt. Het is goedkoop, de koffie is gratis en er is bijna nooit iemand. De enige voorwaarde is dat je de ruimte schoonhoudt en beschikbaar moet zijn om te netwerken, maar er is dus zelden iemand om mee te netwerken. Met andere woorden: het is perfect.

Vandaag kwam er echter een andere freelancer binnen, met harde muziek op zijn koptelefoon, een grote jongen met een kinderlijke blik en een brede kaak, die recht tegenover me ging zitten. We knikten even naar elkaar. Ik kende hem ergens van – ook dat nog. Maar gelukkig leek hij mij niet te herkennen en werd het contact niet uitgebouwd.

Toen ik me weer over mijn laptop boog, herinnerde ik me opeens wie hij was. Vorige zomer had ik een kickboksles bij hem gevolgd, in een garage die tot dojo was omgebouwd. Hij zat hier dus als kickboks-ondernemer.

De jongen pakte twee broodjes uit het meest krakerige zakje ter wereld. Vervolgens haalde hij twéé Johma-bakjes tevoorschijn – huzarensalade en krabsalade – en begon de broodjes uitgebreid te smeren, terwijl hij naar iets staarde op zijn laptop. Tijdens het eten stopte hij steeds wel vier happen tegelijk in zijn enorme hoofd, en smakte luid. Ik kromp ineen.

Vorig jaar zaten we in de laatste fase van de zwangerschap. Ik was al maandenlang zo ongelofelijk moe – soms kon ik om twee uur ‘s middags al nauwelijks mijn ogen open houden. Meezwangeren noemen ze dat, maar in feite schijnt het te komen door het stresshormoon cortisol. Iemand raadde me aan om op kickboksen te gaan: “Je moet echt topfit zijn als de baby komt.”

Op een zaterdagochtend meldde ik me dus in de garage. De andere deelnemers waren een dikkige nerd, een studente, twee dames met veel tatoeages, en Arie: een enorme kerel met een kaalgeschoren hoofd en een lichte bochel. Hij had als enige zo’n echt kickboksbroekje aan.

De leraar kwam binnen en zei: “Oké jongens, eerst de warming-up!” We deden jumping jacks, kikkersprongen, squats, sit-ups, push ups. Er kwam verdomme geen einde aan. Een voor een kregen we de taak om af te tellen voor de groep: “En nu Rutgerrrr: twintig leg raises graag!” Ik haalde met moeite de twaalf, en moest daarna hijgend doortellen voor de rest van de klas. Na de warming-up was ik al bijna aan het kotsen.

Ik hou van sport, ik kan bloedfanatiek zijn, maar kapotgaan om het kapotgaan heb ik nooit begrepen. Je door de modder laten schreeuwen door een gespierde sadist: waarom zou je jezelf dat in godsnaam aandoen?

Nu moesten we gaan sparren. De paartjes werden gevormd; Arie en ik bleven over. “Geen zorgen vriend, we doen het rustig aan,” zei de man die zeker anderhalve kop groter was dan ik.

Arie ging eerst. Ik moest het stootkussen vasthouden, draaien van been naar been, en me schrap zetten. “Goed recht houden Rut, anders breek ik zo je elleboog,” zei Arie ernstig. Het leek hem goed te doen om eens iemand de les te lezen. Maar hij had gelijk: het kostte me al mijn kracht om de klappen op te vangen, hij trapte zo beestachtig hard dat ik elke keer een halve meter achteruitvloog. “Recht houden Rut! Recht houden!” schreeuwde Arie tussendoor.

Toen was het mijn beurt. Ik trapte uit alle macht op het kussen in, tot hij me onderbrak om op vaderlijke toon tips te geven. “Hóger trappen Rut! Hóger!” Ik knikte en ging weer verder. “Lekker Rut!” riep Arie nu. “Lekker!” Ik was een en al zweet, zelfs mijn gedachten waren nat en zout.

De oneindige les eindigde met de zaktraining. Dat woord alleen al. Maar goed, het kwam erop neer dat we vijf minuten lang non-stop op de zak moesten trappen en beuken, tot we niet meer konden. “Even tot het gaatje jongens!” riep de leraar. Ik probeerde de zak recht te houden terwijl Arie als een losgeslagen stier tekeerging. Ik weet niet aan wie hij dacht terwijl hij die zak toetakelde, maar God beware hen.

“Doe het voor je baby!” schreeuwde Arie tijdens mijn beurt – tussendoor had ik hem piepend en hijgend mijn hele levensverhaal verteld – “Doe het voor die baby Rut!” Het hielp even: ik gaf de onverzettelijke zak een paar goede klappen en trappen. Maar al snel werden mijn stoten plichtmatig. “Nog eentje Rut!” riep Arie tijdens de laatste tien seconden. Ik gaf de zak een tikje met die debiele bokshandschoen, en stortte naar de grond.

In de kleedkamer zei Arie vrolijk: “En, lekker of niet?” Ik knikte traag, oprecht dankbaar voor zijn hulp. Er was een band ontstaan tussen ons, en dat had hem ook goed gedaan. Toch dacht ik alleen maar: fuck deze shit.

Dat was dus wat ik ook voelde bij mijn smakkende kantoorgenoot, naast mijn ergernis over zijn lompheid: vernedering. Hij wist precies hoe slap ik was. Als ik wat van zijn gedrag zou zeggen, zou hij maar een blik op me hoeven werpen – size me up, zoals de Engelsen zeggen – om te weten dat hij me makkelijk aankon.

Uiteindelijk zette de kickboksleraar zijn vuile vaat op het aanrecht en ging ervandoor. Ik staarde naar het bordje, het mes en het kopje. Toen stond ik op om het af te wassen. Zoals vaders doen. “Lekker Rut!” hoorde ik Arie roepen in mijn achterhoofd. “Lekker!”

Heb je alles?

“Hebben jullie alles?” vroeg de overbezorgde moeder voor we uit haar vakantiehuisje vertrokken. “Opladers, zonnebrillen, babykleertjes?” Jaaahaaa, wilde ik zuchten.

Toen we ons huis naderden, realiseerde ik me dat mijn sleutels nog op het hoektafeltje van het huisje lagen, waar ik ze een paar dagen eerder meteen bij binnenkomst had neergelegd, terwijl ik dacht: “Dit is een handige plek. Hier zal ik ze niet vergeten.”

Onze schoonmaker had de sleutels van mijn vriendin door de bus gegooid. We overlegden dus voor onze deur: terugrijden of bij onze overbuurman Patrick vragen of hij een hengeltje kon maken? Ik gluurde door onze brievenbus.

“Hier is toch niet gebeurd wat ik denk dat er gebeurd is hè?” klonk de rokerige stem van Patrick al. Hij hing kalm uit het raam van zijn benedenwoning. “Wacht effe,” zei hij en ging naar binnen. Drie minuten later overhandigde hij me een bezemsteel waar hij een kistenhaak aan vast getapet had. Het zag eruit als een wapen voor tijdens de zombie-apocalyps.

De geïmproviseerde zeis paste niet door de brievenbus, maar Patrick stak alweer een nieuwe constructie naar buiten: een doucheslang met een haak die hij van een klerenhanger had gesloopt: “Probeer déze es.” Ook hiermee lukte het niet. Maar met de bezemsteel kon ik wel de post opzij duwen zodat ik de sleutels zag liggen: rechts tegen de muur – vanuit onze verticale brievenbus was het onmogelijk om die hoek te maken.

“Wacht, nu heb ik het!” riep Patrick en hij bracht me een afgeknipte stroomdraad waar hij een koelkastmagneet aan had vastgeboden. “Je bent een soort McGyver!” zei ik, maar hij begreep het niet en ging snel weer naar binnen, naar zijn keihard tetterende tv.

De magneet pakte niet. Ik was klaar om het op te geven. Toen stond opeens Patrick naast me, met zijn grote, oude, betatoeëerde lijf. “Déze wordt het,” zei hij en hij stak een rieten stok met een ijzerdraadhaak de brievenbus in, die hij met zijn lange vingers kon besturen. “Hou jij die klep open voor me.” Ik had nog nooit zo dichtbij hem gestaan, maar nu bevonden we ons opeens in de vreemde intimiteit van de fysieke samenwerking. Zijn geur van oude man, bier en nicotine was prettig.

“Hij ligt te plat…” mompelde Patrick, in innige concentratie. In gedachten reed ik al terug naar het huisje, maar ik baalde niet, omdat het zo’n grappige situatie was geweest. “Ik hóór wel iets,” zei ik plagerig.” “Ja, omdat ik ’em héb toch,” antwoordde hij kordaat, terwijl hij voorzichtig de sleutels omhoog takelde. “Wow serieus?” Hij legde ze in mijn handen en zei: “Ik kom niet voor níks naar de overkant hè.”

“Geweldig man,” zei ik en klopte hem op de schouder, maar hij verzamelde vlug al zijn gelegenheidsgereedschap, draaide zich om zonder oogcontact te maken en verdween weer zijn huis in.

Is uw broertje echt groter?

Het lukt me nooit zo goed om met kinderen te praten. Op de dagen dat ik Tinus ophaal van de opvang, staren de andere baby’s altijd met grote ogen naar me. Als ik dan op mijn hurken ga zitten en alleen maar “Hallo Fenne, ben jij het vriendje van Tinus?” zeg, begint langzaam het onderlipje te trillen (Ik: “Oh nee, oh nee, nee joh lieverd”) – tot de ogen zich met tranen vullen en Fenne het op een krijsen zet. “Het ligt niet aan jou hoor,” zegt de leidster die snel het jongetje oppakt.

Maar met oudere kinderen gaat het niet veel beter. Gisteren liep ik bijvoorbeeld langs een paar voetballende jongetjes, toen een lomp, bol ventje een kleinere speler een duw gaf. “Dat zag ik,” zei ik, “gele kaart voor jou.” Ik stak de denkbeeldige kaart in de lucht. Ze keken me aan alsof ik gek was.

De praatjes met de buurtkinderen laat ik dus meestal aan mijn vriendin over, die veel beter is in simpele, oprechte opmerkingen als “Wat ben jij een stoer meisje zeg!”. Ik begrijp niet hoe kinderen denken: de wilde associaties, de onnavolgbare gedachtesprongen, hun kleine wereld. Als ik zeg: “Hoe gaat het op school?” dan is het antwoord: “Ik zag gisteren een naaktslak.” Tja, daar stokt het gesprek. Daar kan ik gewoon niets mee.

Maar sinds kort heb ik eindelijk aansluiting gevonden. Vorige week kwam ik de straat in lopen en zag dat het jongste zoontje van de Ghanees-Nederlandse buurvrouw op de grond zat te huilen. Zijn oudere broer Joshua stond erbij te kijken, samen met een ander buurjongetje.

“Moet je je broertje niet helpen?” vroeg ik. “Hij is gevallen,” zei Joshua schouderophalend. “Weet je,” zei ik, “je moet wel lief zijn voor je broertje hoor. Het is niet makkelijk, maar je moet het echt doen.” De kleinste was stil geworden, ze keken me nu alledrie met grote ogen aan. “Ik was ook niet altijd lief voor mijn broertje,” vervolgde ik, “maar later werd hij groter dan ik, en toen nam hij wraak.”

Ik vertelde over de keer dat mijn broertje me voor het eerst versloeg met stoeien. Hij was een jaar of twaalf en opeens heel sterk geworden. We stoeiden zoals altijd op zijn bed, en tot mijn grote verrassing belandde ik tussen het bed en de muur, waar hij me stevig vasthield. Ik zat volledig vast, maar ik kon het niet accepteren. Een half uur lang probeerde ik me met woede-aanvallen los te rukken, om de tijd terug te draaien, maar hij had me. Mijn vanzelfsprekende dominantie was voorbij.

Sinds ik dat verhaal heb verteld, word ik telkens als ik naar buiten ga omringd door buurjongetjes. Ze vragen: “Is uw broertje echt groter?” “Wie van jullie wint met judo?” “Bent u nu wel lief voor hem?” “Wanneer komt hij langs?”

De antwoorden: hij is reusachtig, hij wint sowieso met judo, ik ben nu héél lief voor hem en hij komt binnenkort langs om jullie stuk voor stuk een kilometer de lucht in te gooien.

Hittegolf

Er wordt de laatste tijd veel geschreeuwd in onze straat. Meer dan gewoonlijk, want in een arme wijk hoort geschreeuw er een beetje bij, zeker in zo’n opeengepakt buurtje als het onze. Laatst stond ik met de overburen te praten, toen ik een hels gegil hoorde. Pas na een paar seconden besefte ik dat het van mijn eigen zoon kwam. “Dit horen jullie dus ook?!” vroeg ik. Ze haalden gelaten hun schouders op.

Tinus zit in een fase waarin hij zijn stembanden en zijn invloed op ons aan het uittesten is. Volgens verschillende babysites moet je geen reactie tonen op zo’n oerschreeuw, dan gaat het vanzelf over. Maar zelfs als we niet boos op hem worden, moet hij merken dat we verkrampen. Een keihard geluid doet iets met je, zo zijn we geprogrammeerd. En het doet gewoon pijn aan je oren.

Volwassenen zijn over het algemeen beschaafder, maar de afgelopen weken lijkt iedereen dicht tegen zijn kookpunt aan te zitten. “Je kan nog niet eens een ei bakken!” hoorde ik de onderbuurvrouw gisteren tieren. “Het is al de hele week gezeik met jullie!” raasde de linkerbuurman tegen zijn vier kinderen. Wat de buurvrouw aan de overkant van het hof net krijste, kon ik niet precies verstaan, maar ik hoorde wel duidelijk het geluid van brekend glas.

Worden mensen agressiever als het heter wordt? Meerdere wetenschappelijke onderzoeken (onder andere van de VU uit 2016) lijken dit te bevestigen. Als het extreem heet is, bouwt je frustratie zich op, en heb je bovendien geen energie meer over om je woede onder controle te houden. Een warm klimaat zorgt ervoor dat mensen zich meer op de korte termijn focussen – water, schaduw, een briesje! – en dus gehaaster leven. Koortsachtiger.

Het doet me denken aan Do The Right Thing, de geniale film van Spike Lee uit 1989, over een multiculturele buurt die geteisterd wordt door een hittegolf, waardoor iedereen steeds bozer en racistischer wordt, tot het eindigt in een absurd gewelddadige climax. Naarmate de film vordert en de hitte toeneemt, gebruikt Lee steeds benauwdere close-ups van de hevig zwetende personages, die steeds meer als paniekerige Neanderthalers uit hun ogen kijken.

Het gaat misschien te ver om klimaatverandering en de toenemende agressie en frustratie in de wereld – op straat en op Twitter – met elkaar te verbinden. Dat verhaal zou te simpel en te rond zijn, alsof we met de CO2-uitstoot ook het racisme zouden kunnen terugbrengen. Meer regen, minder Trump! Briesjes tegen Baudet! De werkelijkheid is geen film.

Maar er is wel iets aan het gebeuren, en deze twee ontwikkelingen helpen elkaar niet. Ik zou willen dat ik slim genoeg was om te begrijpen hoe het allemaal in elkaar grijpt. Om überhaupt te snappen waarom de kans op een hittegolf nu vier keer zo groot is. Maar het lukt me maar niet om er helder over na te denken. Om mijn hoofd koel te houden.

RAAAAAAAAAAAAH!

Klagerig

Als ik mijn stukjes over het vaderschap van de afgelopen tijd teruglees, dan vind ik mezelf een beetje klagerig. Dat vond u vast ook. ‘Een vakántie met baby? Wat dacht je van vluchten voor oorlog met een baby, meneertje?’ Daar heeft u een punt. Bovendien hoorde ik van meerdere stellen dat ze na het lezen van mijn verhalen niet meer met hun baby op vakantie durven of zelfs überhaupt geen kinderen meer willen, en dat is ook weer niet de bedoeling.

Laatst ging ik op bezoek bij een vriend die onlangs vader is geworden, in de hoop dat we verhalen over de ellende zouden kunnen uitwisselen. Hij reageerde echter broodnuchter: “Mijn leven is eigenlijk helemaal niet zo anders,” zei hij. “Er is iemand bij gekomen, natuurlijk, maar dat is het dan ook.” Toen ik doorvroeg, bleek dat zijn vriendin en hij precies zulke ervaringen hadden gehad als wij – een huilende baby in een vol restaurant, een moeizame vakantie – en toch gebruikte hij bij deze herinneringen geen enkele keer woorden als ‘rampzalig’, ‘kapotgaan’ of ‘de hel’. Hij was kalm en relativerend.

En doodsaai.

De reden waarom ik graag het negatieve van een ervaring benadruk, is dat daar vaak de spanning van een grap of een goed verhaal zit. Een probleemloze vakantie-met-baby is samen te vatten in een zin als: “Ach ja, het was wel leuk hoor.” Daarbij val ik direct in slaap (ik val tegenwoordig sowieso snel in slaap).

Bovendien is het mijn heilige overtuiging dat eerlijkheid over dit soort belangrijke levensfasen ons kan helpen om ze beter te doorstaan, om ons minder alleen te voelen. Niemand vertelt je bijvoorbeeld dat 75% van de ouders met kinderen onder de vier jaar de afgelopen twee maanden geveld is geweest door de griep (bron: CBS). Ah, denk je dan, het is dus heel normaal dat ik me al maanden van infectie naar infectie sleep. Ik kan nu stoppen met googelen op ‘symptomen leukemie’.

Maar juist op die vakantie-met-baby realiseerde ik me dat je die eerlijkheid ook kunt overdrijven. Als je voortdurend tekortkomingen benadrukt, liggen klagerigheid en melodrama op de loer. Dan staat je openheid niet meer in dienst van een tragikomisch verhaal vol zelfspot, maar wordt het al snel het narratief van je depressie. Een self-fulfilling prophecy: “Oi oi, oi, zul je zién dat hij straks het hele vliegtuig bij elkaar krijst!” Wat dat betreft is de instelling van mijn vriend veel beter.

Daarnaast is het ook gewoon heel moeilijk om de schoonheid van het ouderschap te beschrijven, omdat een baby zich niet gedraagt volgens de wetten van het verhaal: hij snapt nog niet eens de volgorde van een simpele blokkentoren, laat staan het schema introductie-middenstuk-slot. De ontroering over je kind zit hem in blikken, geluidjes, kleine momenten. Een intimiteit die ik, toegegeven, ook gênant vind om te beschrijven. Als we met z’n drieën uitbundig dansen op een nummer van Kendrick Lamar bijvoorbeeld, terwijl hij kraait van plezier. Als hij intens tevreden zit te smikkelen van een stukje mozzarella. Of gewoon, als hij volop zit te kletsen in de kinderwagen.

En geloof me: op zulke momenten ben ik juist één met dat intense geluk, dat zich nergens mee laat vergelijken. Misschien wel juist dankzij die diepe dalen. Opeens begrijp ik het leven pas echt. Het leven! Daar kún je toch niet nuchter over zijn?

Vakantie-met-baby

Is een vakantie met een baby eigenlijk wel een vakantie? Die vraag houdt de Westerse filosofie al eeuwenlang bezig. In eerste instantie zou je denken: natuurlijk, een vakantie is een vakantie. Maar als je vervolgens de definitie in de Van Dale opzoekt – “1. toegekende vrije tijd voor werkenden 2. reis naar en verblijf elders voor plezier” – dan slaat de twijfel toe. Want: vrije tijd? Plezier?

Normaliter kun je op vakantie even afstand nemen van je zorgen en verantwoordelijkheden, maar als je een baby hebt, reizen ze gewoon met je mee. Het is alsof je opdringerige baas of je luidruchtige buren meegaan in het vliegtuig. Bij je op schoot. Bovendien ben je op een vakantie-met-baby paradoxaal genoeg veel drukker dan thuis, omdat je opeens niet de beschikking hebt over een kinderdagverblijf of opa’s en oma’s. Er is geen pauze meer. Tel daar de gebruikelijke reis-stress bij op, en je hebt eigenlijk een vakantie nodig om bij te komen van je vakantie.

We waren met andere jonge ouders achterin het vliegtuig geplaatst – vlakbij de motor, om het gehuil te overstemmen. Tijdens de vlucht moesten we in de benauwde ruimte alles inzetten om Tinus stil te houden: speeltjes, speentjes, borsten, de kaart met veiligheidsinstructies. Elke minuut duurde een uur.

Het stel voor ons leek alles veel gemakkelijker af te gaan. Tot ze plots in een fluisterruzie over een poepluier belandden en de vrouw keihard begon te huilen – al snel gevolgd door haar dochter. Ze wiegde zichzelf en haar baby van voren naar achteren als een orthodoxe Jood bij de Klaagmuur; mijn vriendin gebruikte haar vrije hand om haar lotgenoot langs de stoelrand te aaien. Pas toen de deuren van het vliegtuig opengingen, konden we weer ademen.

We zitten in een prachtig vakantiehuis. Gelukkig maar, want veel meer van het land zullen we niet zien. Tinus is maximaal drie uur wakker en zit weer eens middenin een sprongetje-tandje-griep-fase, dus als we eropuit willen, moeten we dat plannen als een militaire operatie (met evenzoveel proviand). Eén fout – een gemiste afslag, een te ambitieuze wandeling, de baby die pas op het laatst in de auto in slaap dommelt – en het hele dutjesschema is in de war. De heenweg is vaak vol optimisme, maar als je een stel met een lege kinderwagen en een woedende baby in hun armen in paniek een natuurgebied uit ziet rennen – dan zijn wij dat.

En die dutjes zijn van levensbelang. Dat zijn de mini-vakanties. Dan kunnen we eindelijk even lezen in de zon, net als vroeger, drie kwartier lang. Maar eerst nog naar de WC. Dan snel iets eten. Onszelf insmeren met zonnebrandcrème natuurlijk – we willen ontspannen, maar we zijn niet roekeloos. En dan, dan eindelijk het boek. Na twee zinnen hoor je het geblèr alweer door de babyfoon. Ja hoor, dat wordt weer drie uur lang de meest ingenieuze torens bouwen, zodat hij ze kan omgooien.

Uit eten? Ha, mallerd, vergeet het maar. Naar het strand? No way José: een baby mag niet in de zon, en het zeewater is te koud. Een stedentrip? Als je écht gek wilt worden, ja.

Het probleem is, zoals wel vaker, dat mijn verwachtingen niet overeenkomen met de realiteit. Ik heb nog altijd niet geaccepteerd dat alles anders is – zelfs mijn uitwegen. Tinus hoort bij ons, hij heeft ons nodig; vakantie in de klassieke zin des woords bestaat voorlopig niet meer. Het doet me denken aan de zusters van de kraamafdeling, die ik een paar uur na de bevalling hoorde roddelen over een andere moeder: “Ze wil niet naar huis. Ze is moe zegt ze,” vertelde de een. “Tja, ze gaat de komende vijf jaar moe zijn,” zuchtte de ander.

In dat ‘tja’ zit alles. Voor een jonge ouder staat het woord ‘tja’ gelijk aan een trip naar een luxe resort op Bali.