Hier pijn

Elke massage is anders. Misschien ‘neem’ ik daarom wel zo vaak een massage: ook als het tegenvalt zit er wel een verrassend moment bij, een techniek die ik niet kende of een spiergroep waarvan ik me niet realiseerde dat hij bestond.

Dus toen er een nieuwe optie op het menu van mijn Chinese massagesalon stond, was ik meteen geïntrigeerd. Ik had overal pijn nadat ik anderhalve week was geteisterd door een motherfucker van een griep. Er stond al een masseuse, een meisje met paarsgeverfd haar, glimlachend te wachten.

“Is die massage goed na griep?” vroeg ik aan de mevrouw achter de balie. Ze keek me met grote ogen aan. “Oooh, Tuina heel hard.” Ze zei iets in het Chinees tegen het meisje, dat teleurgesteld afdroop. In haar plaats verscheen een potige vrouw van middelbare leeftijd. Zij glimlachte niet.

“Met guasha hè,” zei de baliemevrouw ernstig. “Zwart… Drie dagen… Pijn… Ik jou niet bang maken…” Ik begreep haar maar half, en zei: “Oké, oké.”

Even later kleedde ik me uit en ging oprecht benieuwd op de massagetafel liggen. Op de achtergrond klonk de vaste pling-plong-muziek met de hoge Chinese zang.

De massage begon met de intensiteit van een Wagner-stuk. Het was alsof ik gemasseerd werd door de sterkste vrouw ter wereld, die tegelijk enorm veel haast had. Ze pakte de knopen in mijn nek van alle kanten aan, in moordend tempo, met de doeltreffendheid van een slager. “Hier pijn?” “Ja.” “Hier pijn?” “Ja.” “Hier pijn. Hier pijn, hier pijn.”

Telkens als ik dacht dat ik het niet meer aankon, dat ik echt mijn safe word moest inzetten, stopte ze even om olie te pakken, waarop ik een paar tellen uithijgen, voor ze zich weer op me stortte. “Hier pijn, hier pijn, hier pijn.” “Jaaaaargh.” Het was alsof ik gemasseerd werd door een enorm gespierd Duracell-konijn.

Er ontstond een band. Soms moest ze lachen vanwege mijn gekreun, soms maakte ze een afkeurend geluid met haar tong. Ze was vooral teleurgesteld over de staat van mijn heupen.

Na een tijdje fluisterde ze: “Jij teveel pijn. Jij moet extra: negentig minuten.” Ik vond dat een vreemde zinscombinatie, maar ik knikte. Toen pakte ze een zenuw in mijn onderarm vast en had ik meteen spijt.

Vervolgens kwam de guasha. Met een klein schelpvormig schijfje begon ze als een malle over mijn rug en schouders te schrapen. Weer maakte ze het afkeurende geluid.

Tijdens het laatste deel nam het tempo af. Ik lag uitgeteld op mijn rug, zodat ik haar kon aankijken. “Eén week, dan jij goed,” bezwoer ze me terwijl ze het zweet van haar voorhoofd veegde. Ze boog zich naar me toe en fluisterde: “Anderen hier, niet goed.” Daarna wees ze agressief op haar eigen borst, als een voetballer na een doelpunt, en zei met een felle blik: “Alléén ik Tuina.” De boodschap was duidelijk: I own this bitch. Ik geloofde haar meteen.

Thuis liet ik mijn rug aan mijn vriendin zien. Ze sloeg verschrikt een hand voor haar mond. In de spiegel zag ik dat ik inderdaad onder de donkerrode striemen zat. Het voelde alsof ik in elkaar was geslagen. Voor honderd euro. Ik zou weer een week moeten herstellen.

Maar goed, ik had wel iets nieuws meegemaakt. 

Helaas niet meneer

Volgens Google kon ik het nét halen, dus toen er geen tram in zicht was, wist ik dat ik te laat zou komen. Ik moest een taxi pakken, en verdomd, daar reed er net eentje voorbij. Ik stak mijn hand op alsof ik een yellow cab op Fifth Avenue in New York aanhield – in feite was het een oude Skoda van een onbekend taxibedrijf.

“Naar De Plantage alstublieft,” zei ik tegen de chauffeur, een bleke jongeman met een strak verzorgd zwart baardje. Ik stapte achterin, zo kwam dat nou eenmaal uit.

“Gaat u naar Artis meneer?” vroeg de chauffeur met een zachtaardigheid die me verraste. Zijn open, nieuwsgierige ogen verschenen even in de achteruitkijkspiegel.

De laatste keer dat ik een taxi had genomen, was de chauffeur (die geen oogcontact maakte) de hele rit bezig geweest met een telefoongesprek via zijn AirPods. Een traag en eenzijdig gesprek, want telkens als hij na een lange tussenpose reageerde – “Ben jij oké ermee?” – dacht ik dat hij het tegen mij had, waardoor we steeds in hetzelfde misverstand terechtkwamen, tot hij vroeg (de blik strak vooruit gericht): “Hier goed?” en ik ervan overtuigd was dat hij zich dit keer tot zijn vriend had gericht.

“Nee,” zei ik tegen de bleke taxichauffeur, “maar ik was dinsdag nog in Artis. Met mijn zoontje.” “Het is leuk daar hè?” “Ja,” zei ik geamuseerd. Het was een kort ritje, praten was niet echt nodig, maar ik waardeerde zijn poging om contact te maken. “Heb jij kinderen?” vroeg ik. “Helaas niet meneer.”

In dat woordje ‘helaas’ zat heel veel, begreep ik: onvruchtbaarheid misschien, of een overleden vrouw. In elk geval leek het een verklaring voor zijn behoefte aan een echt gesprek.

We praatten even over de route, hij zou een illegale U-turn moeten maken, maar dat was geen probleem. “Wij taxichauffeurs zijn natuurlijk de ergsten op de weg, maar vergeet de fietsers niet hoor,” zei hij met een zelfbewustzijn dat opnieuw mijn vooroordelen onderuit haalde.

Na zijn voortreffelijke U-turn was het een paar tellen stil. Toen zei hij: “Ze is overleden, onze dochter. Na twaalf dagen.” Hij keek me via de spiegel aan met betraande ogen. “Te vroeg geboren. Vijfentwintig weken. Ze was sterk weet je. Echt een sterk meisje. Maar op dag twaalf was ze toch te moe.” “Jeetje man. Wat vreselijk.” “Ja.” We zwegen.

“Dit was recent dus,” zei ik. Hij knikte. “Juli.” Ik keek naar buiten. Het maakte niet meer uit of ik te laat kwam. “In het begin zit je thuis. Maar ik ben toch maar weer gaan werken hè. Afleiding.” “Ja.” Ik moest denken aan mijn eigen dochter, veilig in de buik van mijn vriendin.

“We zijn er.” Misschien wilde hij wel niet dat ik wegging. Maar we moesten door. Ik betaalde en legde nog even mijn hand op zijn schouder. “Sterkte man,” zei ik. “Dank u wel meneer,” zei de bleke taxichauffeur.

Uw beleving

Toegegeven, ik was al geïrriteerd toen we met de kinderwagen over het smalle dijkje bij ons in de buurt liepen. Mijn vriendin en ik hadden ruzie gemaakt omdat ze vond dat ik te veel op mijn telefoon zat – maar het ging om wérk! – en nu liepen we zwijgend naar huis.

Ik duwde de kinderwagen – met kind erin, voor de duidelijkheid – en was net bij een bocht beland waar de stoep zo smal was dat ik op de weg moest lopen, toen ik merkte dat er een auto achter me reed, die zacht doch dwingend aandrong ter hoogte van mijn elleboog. Ik begon de kinderwagen dus toch op het stoepje te tillen, maar halverwege trok de auto al agressief op, waarbij hij mij en de kinderwagen op een haar na miste.

“HÉ!” riepen mijn vriendin en ik woedend.

De auto stopte meteen, en even was er het moment van anticipatie: wie zou er uit de auto stappen, en zou dat onze reactie beïnvloeden?

Er schoot een nette man van eind dertig omhoog als een stokstaartje: halflang donkerblond haar, een poloshirt en een uitstraling die niet anders als ‘hautain’ beschreven kan worden. Hij stak zijn neus half de lucht in, en keek ons vanuit die positie aan.

“Wat is dat voor geschreeuw?” vroeg hij met een kalme beschaafdheid die zijn trillende stem moest maskeren, een beschaafdheid die moest bewijzen dat hij beter was dan wij. “U scheurt opeens vlak langs ons!” riep mijn vriendin. “Oh, dat had ik niet door,” zei de man. “Dat was dan uw beleving.”

“U stopte dus niet om uw excuses aan te bieden?” vroeg ik met een cynisch lachje. “Nee, ik stopte om te kijken waar die consternatie vandaan kwam.” “U biedt uw excuses aan!” eiste mijn vriendin. “Geen sprake van,” zei de man en hij stapte alweer in, naast zijn vrouw, die hij er vast ook regelmatig van overtuigde dat iets aan haar ‘beleving’ lag. “Fijne dag lul!” schreeuwde ik voordat de auto wegreed.

Terwijl we doorliepen analyseerde ik de hele uitwisseling in razend tempo, om te bedenken wat ik beter had kunnen kunnen zeggen.

Ik kreeg verrassend snel een herkansing. “Daar heb je hem,” mompelde mijn vriendin. En inderdaad, de man had honderd meter verderop geparkeerd en liep nu met opgeheven kin onze richting op. Vlak voor hij ons passeerde zei hij: “Nog steeds niet!”

Nu wist ik wat ik hem moest naroepen: “Nooit je excuses aanbieden, het ligt aan de ervaring van anderen – wat een goede levensfilosofie man! Veel succes daarmee! Veel succes met je leven!”

“Dat was oké toch?” vroeg ik even verderop aan mijn vriendin, nog nahijgend van de adrenaline. “Dat was oké schatje,” zei ze. “Wát een lul.” Ik pakte haar hand.

Ik hoopte dat de man ‘s avonds in bed, als hij zijn verdediging even liet zakken, zou inzien dat hij zo niet verder kon leven. Ergens wist hij dat hij fout zat – ik had het in zijn ogen gezien. Maar dat was misschien mijn beleving.

Mr Marcel

The first time I met Etgar Keret, on the terrace of one of Tel Aviv’s many laid-back white cafés, he told me: “When you order a pasta, but the waiter brings you a cheese sandwich, and you say: ‘Ah, no matter, I’ll just eat the sandwich’ – that’s not the essence of life. But it contains a bit of that essence, and if I describe it really well, I might convey it to the reader.”

I thought about that as I was waiting at a check-in desk, while a middle manager from United Airlines was trying to solve a problem with my ticket to Philadelphia, where I was supposed to show our documentary about Etgar. The film festival had apparently made a mistake while booking my flight: they’d put my third name where my last name was supposed to be, so that the reservation was made out for Mr Rutger Stephan MARCEL, while I was trying to check in as Mr Rutger Stephan Marcel LEMM.

“I’m sorry Mr Marcel,” said the middle manager, a tall, lean guy with a business-like appearance that suggested he could solve anything, “I don’t think we’ll be able to solve this for you.” The flight was booked through Orbitz, offered by Lufthansa and operated by United, so it was unclear who was responsible. He handed me my passport and suggested I’d call Orbitz, before turning to another passenger with a problem. In Philadelphia everybody was asleep of course, and I had about an hour left to board the plane.

The Orbitz customer service employee spoke told me with his upbeat Indian accent that he could only change the name if I could prove that I got divorced, and then it would still take 24-48 hours for the change to get through. He connected me with the Lufthansa customer service, where an American lady told me that she could only change two letters. That was not enough. I needed to change all five of them.

In the middle of these futile phone calls, as I was listening to psychedelic hold music, I again thought about what Etgar had said. There was an essence in this weird, but also quite uneventful situation. But what was it? And how could I tell it right?

Actually, I was too tired to really think about that, because I’d spend two nights comforting our two-year-old son, who turned out to have a persistent ear infection. I’d spend the day before comforting my 7-months-pregnant girlfriend, who was close to a nervous breakdown at the prospect of me leaving. As I’d walked through the airport entrance hall that morning, I’d cried a little bit, out of sheer desperation.

But what now? Did I have to book another flight, hoping the festival would reimburse it? Should I just go, keep going? I noticed the rushed and panicky feeling in my belly, that ticklish feeling that puts everything in sharp focus and exhausts you at the same time, and I realised that I hadn’t felt this way in a long, long time. When I was in my twenties, I lived by this feeling, this exciting energy of always being too late. It pushed me forward, until it left me depleted. Nowadays, I’m seldom in a hurry.

Maybe it was Mr Marcel’s stress that I was experiencing. Maybe Mr Marcel still needed this speedy, relentless drive towards new experiences. Maybe it really was Mr Marcel who needed to go to Philadelphia, not me.

Another friend, a big handsome man who always wears a calm smile on his face, told me recently: “You should strive for a balance between two things: what you want, and what’s your responsibility.” It’s simple, but I live by it.

So I turned away from the check-in desk, and went back home to my family.

——-
Yes, this stukje was in English. Bite me. And subscribe to my goddamn news letter: https://www.rutgerlemm.com/nieuwsbrief.

Tractor

Aangezien ik een kind van twee heb, ben ik een expert op het gebied van landbouw. Tinus wijst moeiteloos de maaidorser en de vorkheftruck in zijn plaatjesboek aan. Tijdens de ellenlange dagen van buikgriepjes of oorontstekingen keken we urenlang naar YouTube-series waarin het boerenleven vakkundig wordt geromantiseerd met klassieke muziek en drone-shots.

Met name ’12 Months on a UK Farm’ is hartverwarmend. Hierin keert stadse hipster Rufus terug naar de boerderij van zijn moeder Sarah, om te leren over het boerenleven. Elke aflevering verandert het seizoen. Rufus is onhandig, maar niet karikaturaal zoals in andere reality-tv, en hij bewondert zijn moeder oprecht: niemand werkt zo hard als Sarah, en niemand houdt zoveel van dieren. De zoon-moeder-interviews geven het programma een unieke intimiteit (“Papa huílen!”).

Misschien dat ik daarom bevooroordeeld ben over de stikstofprotesten. Milieu-activisten klagen over de disproportionele aandacht voor de boeren, maar iedereen begrijpt toch dat een colonne tractoren gaver is dan 25.000 mensen met bordjes? Vraag maar aan een peuter! (Die peuter ziet overigens ook meteen wanneer het te ver gaat: “Wat doet die tractor nou?” zei mijn zoon bij het filmpje van het Groningse boerenprotest.)

Het probleem is dat die boeren vaak helemaal niet meer op de kinderplaatjes of zelfs boer Sarah lijken. De boerderijen zijn tegen wil en dank veranderd in gigantische boerenbedrijven, waar geen hooivork meer aan te pas komt.

In de kern zijn we namelijk nog steeds peuters: we willen groter, sneller, méér. Als ik mijn zoontje nu ’12 Months on a UK Farm’ laat zien, zegt hij al snel: “Niet die. Andere!” Tot we bij een filmpje uitkomen waarin een Amerikaanse macho-boer zijn mega-tractor showt.

Opportunistische rechtse partijen doen intussen beloften die zelfs een kind niet zou geloven. “Minder mensen!” is de oplossing van rechts Twitter. Ja, een beetje genocide, altijd een goed idee.

Maar later dacht ik: misschien is dat wel de kern. We leven in een klein land, in overvolle tijden, terwijl steeds duidelijker wordt dat ons systeem van eeuwige groei niet houdbaar is. Iedereen voelt dat, iedereen is erdoor in de war, maar het uit zich op verschillende manieren.

Mijn zoon is de laatste tijd ook regelmatig overweldigd. Hij wil alles tegelijk: boekje lezen, rennen, chocomelk tijdens het ontbijt. Als blijkt dat iets niet kan, raakt hij volledig overstuur, of wil hij opeens helemaal niets meer. Volslagen melodramatisch werpt hij zich dan op de bank: “Ik wíl niet melk! Ik wil ándere melk!”

De stikstofcrisis biedt een kans op verbinding. Iedereen vindt tractors gaaf, maar we willen ook andere melk. We willen alles, maar tegelijkertijd hebben we zoveel behoefte aan mínder. Iedereen wil de realiteit van ’12 Months on a UK Farm’. Als ik een politicus was, zou ik hard gaan werken aan een kinderboek over stikstof. Met heel veel gave plaatjes.

Lekker moe

Ik ben al jaren geobsedeerd met voetbalnieuws, maar onlangs besefte ik dat het meer is dan alleen een guilty pleasure: het is leerstof. Zoals ik gretig interviews met mijn favoriete schrijvers, filmmakers en comedians tot me neem, zo kan ik ook iets leren van de voetballers die ik bewonder.

In een op het oog niksig interviewtje na VVV-Ajax schuilt namelijk meer wijsheid dan je denkt. Als Daley Blind zegt dat hij ‘van wedstrijd tot wedstrijd leeft’, dan lijkt dat misschien een cliché, maar in feite zegt hij: laat je niet overdonderen, pak je problemen één voor één aan. Als Mathijs de Ligt erkent dat hij een mindere eerste helft speelde, maar dat er genoeg is om op voort te bouwen, dan hoor ik: wees zelfkritisch, maar maak er ook geen drama van.

Het liefst luister ik naar Dušan Tadić, de Servische aanvoerder van Ajax die een aandoenlijke slis en dito Nederlandse uitspraak combineert met een zeldzaam soort vastberadenheid. Niemand traint zo bewust als Tadić. Topsporters worden vaak als dom beschouwd, maar ze staan volledig in contact met hun lichaam, een expertise waar we in onze hyper-rationele maatschappij graag op neerkijken.

Tadić heeft het altijd over rust. “Het gaat om presteren, maar tussendoor moet je goed eten en uitrusten,” zegt hij dan. Ook daar zit meer in dan je denkt. Als er tegenwoordig ergens op wordt neergekeken, dan is het wel op stilstand, op niet meedoen. Er is nooit eens een influencer die op Instagram schrijft: “Net zooooo’n lekker dutje gedaan!”

Ik ken niemand die goed is in uitrusten, of die het überhaupt als prioriteit beschouwt. Mijn vrienden plamuren hun agenda’s dicht of zijn juist verlamd door schuldgevoelens over hun gebrék aan productiviteit: linksom of rechtsom maken we onszelf kapot. We verwarren onzekerheid met liefde en we zijn doodsbang voor stabiliteit. En dat is allemaal natuurlijk precies de bedoeling – het kapitalisme wil dat we altijd beschikbaar zijn om volledig uitgeknepen te kunnen worden.

Ja, het is belangrijk om bezig te blijven en om hard te kunnen werken, maar denk ook eens aan de Wet van Tadić: zonder slaap, zonder pauze, presteer je niets. Of althans, niets van waarde. Bovendien houdt niemand dat lang vol. Ze noemen een depressie niet voor niets ‘de vloek van de sterksten’: de mensen die het langste doorbikkelen, die alles in hun eentje dragen, vallen in het diepste gat.

Mijn laatste therapeut zei het ook: “Jij moet leren om van vermoeidheid te genieten. Gewoon op de bank zitten en lekker moe zijn.” Elke gaap is een hapje zuurstof: hmmm. En noem het vooral geen ‘power nap’, want dat ondermijnt het hele idee. Als je je écht kan overgeven aan niets doen, dan kun je een hele grote worden.

Nu denk je misschien: ja hallo, ik heb jonge kinderen. Ik kán helemaal niet moe zijn, laat staan dat ik tijd heb voor zo’n Tadić-dutje. Maar wist je dat we sinds de jaren ’70 anderhalf keer zoveel tijd aan onze kinderen zijn gaan besteden?

Gun die kinderen ook een momentje voor zichzelf. In godsnaam.

Steeds feller

Vroeger hield ik ervan om in de zon te bakken. Dan zat ik voor het open raam van mijn studentenflat met mijn voeten op de vensterbank en een studieboek op schoot lekker te zweten, drinking it all in zoals de Engelsen zeggen.

Het is een familietrekje: mijn half-Hongaarse opa werkte in de scheepvaart en zat zich dus vaak op het dek aan de zon te laven. Zijn kinderen, waaronder mijn moeder, zijn stuk voor stuk echte zonaanbidders die in mum van tijd superbruin kunnen worden.

Zonnen is altijd een ijdele bezigheid geweest: met gesloten ogen je blik naar de spotlight richten, obsessief bezig met je eigen pigment, zoals de surfer-soldaat Lance B. Johnson in Apocalypse Now. Voor mij had het ook iets stoers: als op studiereis in Libië alle medestudenten zich onder een afdakje voor de woestijnzon verscholen, ging ik juist in de volle zon staan. Als mijn vrienden op Interrail-reis in Rome klaagden over de hitte, beet ik ze toe: “Dan hadden we maar naar Noorwegen op vakantie moeten gaan!”

Ik smeerde me ook nooit in. Ik verbrandde toch niet “met mijn huidtype”, zei ik vol jeugdige (oliedomme) bravoure. Een paar jaar geleden kreeg mijn opa huidkanker op zijn neus.

Rond die tijd begon ik te merken dat de zon feller werd. Ik kon het niet bewijzen, maar het voelde steeds minder prettig om in de zon te zitten. Misschien kwam het doordat ik ouder werd, maar opeens verbrandde ik. Sindsdien geef ik de voorkeur aan de schaduw.

Gisteren was letterlijk de heetste dag ooit. Overal werd bericht over hitterecords, strandgangers en slaap-tips, maar nergens werd de link met klimaatverandering gelegd. Dat is absurd. De wetenschap is het erover eens dat wij voor een klimaatcrisis hebben gezorgd, die steeds extremer weer tot gevolg zal hebben, maar niemand heeft het erover.

Misschien komt het doordat het weer een van onze laatste a-politieke, onschuldige gespreksonderwerpen is: je kunt met iederéén een praatje over het weer maken; het weerbericht vormde met zijn voorspelbare voorspellingen de vaste, saaie afsluiting van het journaal. Ik bedoel, wie had gedacht dat fucking Gerrit Hiemstra een van de meest urgente stemmen van onze tijd zou worden?

Tegelijkertijd is het protest onschadelijk gemaakt door de zakelijke elite die overal ter wereld de macht in handen heeft: Saudi-Arabië en de Verenigde Staten blokkeren steevast de klimaatcrisis als VN-agendapunt; het kabinet Rutte-III zegt dat we gewoon vaker onze bandenspanning moeten controleren, en blijft intussen pleiten voor uitbreiding van Schiphol.

Ik weet niet zo heel veel. Ik ben een gast die zonder zonnebrandcrème gaat zonnen in de Libische woestijn. Het heeft me veel te lang gekost om de ernst van klimaatverandering in te zien, en ik begrijp nog steeds niet alles. Daarom is het zo belangrijk dat het goed wordt uitgelegd, dat de boodschap zich verspreidt, met dezelfde urgentie waarmee je gisteren naar de koelkast rende voor een koud drankje. Want uiteindelijk telt dat het meeste: onze directe ervaring. Hoe fel de zon voélt.

Dus als de buurman straks zegt: “Heet hè?”, dan kan dat de aanleiding zijn voor een ongemakkelijk, maar belangrijk eerste gesprek.

Smiling at strangers

De laatste weken hadden we steigers voor de deur: op anderhalve meter van onze ontbijttafel stonden schilders het houtwerk te schuren. Het vreemdste was nog wel dat ze ons niet groetten; ze kletsten honderduit zonder te erkennen dat wij daar zaten te ontbijten, in onze badjassen, met een peuter die steeds “Mannen!” naar ze riep.

Ik vermoedde dat het beleid was, dat hun voorman had gezegd: “Laat die mensen lekker met rust.” Maar nu ontstond de ongemakkelijke situatie waarin we allebei deden alsof de ander niet bestond. Tot mijn vriendin op een ochtend de balkondeur opendeed en demonstratief “Goedemorgen!” naar ze zong. “Goedemorrege,” mompelden de schilders enigszins verlegen terug. Ik probeerde het de volgende ochtend ook, maar bij mij kwam het er meteen veel te agressief uit: “GOEDEMORGEN! HALLO!”

Terwijl onze straat minimaal wordt onderhouden door de wooncoöperatie, wordt verderop een moderne woontoren gebouwd, in een luxe wijk die volledig in handen van een Israëlische zakenman schijnt te zijn. Mijn vriendin wees me erop dat het gebouw zo hoog is dat je het vanuit onze straat kunt zien; de nieuwe bewoners kijken letterlijk op ons neer.

In die luxe wijk bevindt zich ook een Jumbo foodmarkt waar ik steeds vaker heen ga, ook al is alles er drie keer zo duur als bij de Dirk. Waarom ga ik dan toch? Het fruit is beter, maar het voélt vooral goed om daar rond te lopen, om verse producten te kiezen als een adelman in 1673.

In tegenstelling tot de Dirk wordt de foodmarkt uitsluitend bezocht door witte mensen. Soms zijn het types zoals onze schilders, steeds vaker zijn het de yuppen uit de nieuwe wijk, maar de overeenkomst is dat niemand daar oogcontact maakt. Als je een hippe moeder met strak gestylde kids in een versmald gangpad voor laat gaan, loopt ze je straal voorbij. Het is aanstekelijk; al snel vergeet ik zelf ook te glimlachen naar de caissière.

In de Dirk is er sprake van een gemoedelijke laagdrempeligheid, en maak je altijd een praatje bij de kassa. In de foodmarkt zit iedereen vast in zijn eigen narcistische consumentenervaring. Maar ja, die verse vis hè.

Ooit zei premier Balkenende dat we elkaar moesten groeten op straat. Dat vond ik van een stuitende truttigheid. Maar mijn vriendin leerde me dat het belangrijk is om simpelweg “Fijne dag!” te zeggen als je een winkel verlaat. Het is veel makkelijker om het niét te doen, maar zoals Joan As Policewoman zingt in ‘Human Condition’: “Good living requires smiling at strangers.”

Op een bloedhete avond liep opeens onze buurman Murat langs ons balkon, met een paar flesjes frisdrank. “Voor die gasten, ze hebben zo hard gewerkt,” verklaarde hij. Even later zag ik hoe de buurkinderen aan de overkant ook de steigers gebruikten om naar elkaars balkon over te lopen. De zon ging onder in een spectaculair soort roze. De huren stegen snel. Maar even was alles goed.
——————-
Hoe meer stukjes-abonnees, hoe meer vreugd: https://www.rutgerlemm.com/nieuwsbrief.

Oudere broer

Elke tiener heeft een oudere broer nodig, iemand die je als familie kunt vertrouwen en die tegelijk volledig los staat van de saaiheid van je ouders. Een gids die je nonchalant naar de meest opwindende boeken, films en albums leidt. Voor mij was dat Jan, die twee klassen boven mij zat en die ik leerde kennen via het schooltoneel.

Jan woonde in een oud huis in het centrum van Amsterdam (zijn ouders waren klassieke muzikanten, maar dit verhaal speelt zich af vóór de neoliberale revolutie van 2010 lieve kinderen; toen kon dat nog). Hij had de zolderkamer, een grote romantische ruimte met dwarsbalken, houten boekenkasten vol versleten klassiekers, en een verzameling van honderden CD’s.

Op die kamer liet hij me het ene na het andere nummer horen terwijl we traag sigaretten rookten en het me al snel duizelde van de nicotine en de nieuwe kennis. Eén keer vielen we in slaap bij ‘Echoes’ van Pink Floyd. Soms, als onze pretenties echt op het toppunt waren, las hij me voor uit Sartre. Ik denk niet dat ik ooit zo gelukkig ben geweest als op die zolderkamer, waar voor het eerst (en het laatst) mijn veel te poëtische verwachtingen van het leven samenvielen met de realiteit.

Ik raakte verslaafd aan het kopen van CD’s. Op weg van school naar het Centraal Station, waar ik de bus naar mijn dorp moest nemen, stapte ik vaak al op de Dam uit, om in de Fame door de ‘2 voor 17,50’ te bladeren. Soms wandelde ik dan nog door naar de Boudisque (wat een heerlijk slechte naam is dat toch). Er zat altijd wel iets bij wat ik moest hebben; ik schat dat ik door de jaren heen zo’n 3000 euro aan CD’s heb uitgegeven.

Op de WC van Jans huis hing een cartoon van een man die tussen enorme stapels boeken zit, waarop een sceptische man zegt: “Zal ik de hele boel maar even voor je op een CD’tje branden?” De boodschap was duidelijk: er is niets platter dan het opeen persen van kunst.

Toch is dat nu gebeurd. Mijn CD-verzameling, ooit mijn grote trots, ligt nu stof te verzamelen op zolder. Voor 9,99 per maand kan ik elk nummer dat ooit gemaakt is in mijn bezit krijgen. Als er een nieuw album uitkomt, hoef ik het alleen maar aan te klikken. De uitgebreide collector’s edition? Waarom niet. De B-sides? Hoppa, daar zijn ze.

Op een bepaalde manier is dat een droom die uitkomt, maar gek genoeg lukt het me maar niet om ervan te profiteren. Het is te veel. Ik verlies het overzicht. Vroeger moest ik een album zorgvuldig verkennen op mijn discman, waarna het naar de volgende band leidde (als ik genoeg geld had). Nu is er zoveel dat ik het niet meer uit elkaar kan houden, en de tips van mijn streamingservice helpen niet. Ik heb een oudere broer nodig, geen algoritme. (En tijd).

Ja, oudemannenpraat. Straks word ik nog nostalgisch over de huistelefoon, of over vieze boekjes (vroéger had je pas goede porno, jongens!). Ik wilde het gewoon even kwijt. Laat me met rust oké? Tijd voor een dutje.

Lekker weer

Terwijl Tinus in bad zat, bespraken zijn moeder en ik wie hem naar bed zou brengen. Ouderschap is: voortdurend onderhandelen. Als jij stofzuigt, dan verschoon ik zijn luier. Doe jij de afwas? Dan geef ik jou vanavond orale seks. “Ik doe het wel, ga jij maar even op de bank liggen,” zei ik nu.

Maar toen mengde onze zoon van bijna twee zich opeens in de discussie: “Nee,” zei hij, “mama naar bed brengen.” We keken hem verbaasd aan. Om zijn argument kracht bij te zetten knikte hij kalm: “Ja. Ja. Mama doen.” Daar konden we niet tegenop.

Tinus kan ontzettend goed praten, maar de laatste tijd neemt het wel heel volwassen vormen aan. Als mijn vriendin de planten de planten water geeft, zegt hij: “Goed zo mama.” Zodra we naar buiten gaan, zegt hij tegen de buren: “Lekker weer!” Als we met z’n drieën naar het park fietsen, merkt hij op: “Gezellig.”

Hij praat ons ook voortdurend na, dus dat is oppassen geblazen. “Godverredomme!” roept hij soms enthousiast. En als een duplo-blokje niet past: “Kut.” Als ik hem dan half lachend vermaan, gaat hij het natuurlijk alleen maar herhalen: “Kuttt. Kuttt. Kuttt.” Het grappigste vind ik nog dat hij geluidjes nadoet die helemaal geen betekenis hebben. Als ik hem voor het slapen gaan vraag welk boekje hij wil lezen, zegt hij eerst: “Ehmmm…”

Maar er schuilt ook een groter risico in. Het is heel verleidelijk om hem steeds gelijkwaardiger te gaan behandelen, terwijl hij eigenlijk nog gewoon een peuter is die geen fuck van de wereld begrijpt. Mijn vader zei laatst nog: “Hij lijkt op jou. De kinderpsycholoog zei over jou ook dat je ratio veel verder ontwikkeld was dan je emotionele kant.” Alice Miller, anyone?

De kinderpsycholoog. Als zevenjarige bemiddelde ik in de relatiecrisis van mijn ouders; de jaren erna voelde ik me verdrietig zonder dat ik begreep waarom. Vervolgens moest ik maandenlang inktvlekken interpreteren, waarna de conclusie was dat het gewoon aan mijn emóties lag. Dat we daar niet eerder op gekomen waren!

Maar ja, daar hebben we nu eenmaal een ongemakkelijke relatie mee, hier in Noord-Europa. Al mijn vrienden lopen bij psychologen, yoga-leraren of haptonomen om te leren wat dat eigenlijk is, voelen. Cabaretier Daniël Arends vertelde bij ’24 Uur Met’: “Mijn psycholoog zei: de volgende keer gaan we kleurentherapie proberen, want als jij praat, hóór ik veel over emoties, maar ik zie ze niet.” Hij zweeg. “Toen ben ik dus niet meer teruggegaan.”

Dat is het probleem: woorden zijn krachtig, maar ze zijn vruchteloos tijdens de dierlijke momenten van het leven, als we overvallen worden door rauwe verlangens. Ik zie het ook aan mijn zoon, die zich soms simpelweg geen raad weet met wat hij allemaal wil. “Niet die aardappel, dié! Dié! Niet papa pakken, Tinus dooeeeeeen!” huilt hij dan, in een wanhopige poging om zijn wereld weer in woorden te vangen.

Het enige wat je dan kan doen, is zwijgen, er voor hem zijn en wachten tot het overgaat. Tot hij oud genoeg is om naar een meditatie-retraite te gaan.

Respect

Onze overbuurman Patrick kijkt alle wedstrijden van het WK vrouwenvoetbal. Na de verloren WK-finale van de mannen in 2010 gooide hij letterlijk zijn TV uit het raam en stopte hij met voetbal kijken: “Ik was ‘r helemaal klaar mee.” Dat was balen voor mij toen we hier kwamen wonen: ik dacht dat het een van de weinige dingen was waar we over konden praten.

Na vijf jaar is het wantrouwen van de oude bewoners uit de straat en ons ongemak grotendeels verdwenen, zeker sinds we een kind hebben. We horen er nu helemaal bij. Patrick is onze vriend. Nu zijn wij degenen die aan nieuwe bewoners vragen: “Zijn jullie nou yuppen?”

Patrick vindt het prachtig, die voetballende meiden. Hij wilde ook de wedstrijden van Marokko op de Afrika Cup kijken – “Voor de Marokkaanse buren, ja toch?” maar tot zijn teleurstelling hadden de buren geen interesse. “Ik woon nu toch in Nederland,” zeiden ze. Dat vond hij maar raar.

Volgens mijn vriendin is Patrick een feminist zonder dat hij het doorheeft. Misschien is hij nog wel feministischer dan progressieve deugmannen zoals ik, juíst omdat hij het niet doorheeft. Hij past vaak op zijn vele kleinkinderen, grotendeels meisjes, die overal mee mogen slepen en klooien in zijn voortuin. Ik hoorde hem laatst met zijn galmende basstem tegen een kleindochter zeggen: “Je bent niét dik. Je bent mooi.” Zijn motto is: “Iedereen is lief.”

Vorig weekend keken we Nederland-Italië in zijn voortuin. “Ik ben zo trots op die meiden,” zei Patrick, die bloedzenuwachtig was. “Godver, waarom halen ze die Van de Sanden er niet uit! Beerensteyn moet erin! Beerensteyn!”

Natuurlijk zijn er nog wel verschillen. “Waarom drinken jullie eigenlijk biologisch bier?” vroeg Patricks zus Nel over de Gulpener witbiertjes die ik had meegenomen. Al snel kreeg ik gewoon een Grolsch beugelfles in mijn handen geduwd, die ik niet helemaal op kreeg omdat ik voelde dat ik dan dronken zou worden. Na de wedstrijd gaf ik iedereen een overwinnings-high five en liet mijn halve biertje onder mijn tuinstoel achter.

Woensdag keek ik Nederland-Zweden bij Patrick thuis. Nadat ik was gaan zitten, liep hij naar de keuken en zette even later zonder iets te zeggen mijn half opgedronken Grolsch-fles van afgelopen zaterdag voor me neer – koud, dat wel. Zo werkt dat bij hem: geen gedoe, maar wél even iets duidelijk maken.

“Zo mooi dit,” zei hij terwijl hij zijn zoveelste sigaret opstak en koortsachtig naar het scherm staarde. “Mijn pa had het moeten zien. In zijn tijd moesten de dames binnenblijven. Maar hij zei al-tijd: vrouwen moet je respecteren. Toen mijn nichie ging voetballen, was het nog helemaal niks. En kijk ze nu.”

Toen Jackie Groenen in de verlenging de 1-0 scoorde, sprongen we op en omhelsden elkaar extatisch. Na mijn halve biertje kreeg ik een blikkie cola. Ik rookte twee sigaretten. Het was een top-avond.

Bunny

In een briljante openingsscène van Friends zegt Ross tegen zijn vrienden: “Hey, remember when I had a monkey?” “Oh, yeah…” reageren de anderen welwillend: ze verwachten dat Ross nu herinneringen zal gaan ophalen aan Marcel, het kapucijnaapje dat hij in seizoen 1 als huisdier had. “Yeah…” zegt Ross. “What was I thinking?”

Zoiets zeggen mijn vriendin en ik ook vaak tegen elkaar als we een kapot gekauwde kabel tegenkomen: “Holy shit, we hadden gewoon een koníjn! Waarom in godsnaam?”

Ik kreeg Benny als ongevraagd cadeau bij de presentatie van mijn eerste boek. Die avond waarschuwde een collega-schrijver al: “Konijnen mag je eigenlijk echt niet alleen houden hè. Dat is zielig. Het zijn groepsdieren.” “Ja hallo,” zei ik met het beestje in mijn armen, totaal overdonderd, “moet ik er nu ook nog zelf een konijn bij kopen?”

Het ging lange tijd goed: Benny dacht dat wij een soort enorme konijnen waren, met belachelijk kleine oren weliswaar, maar toch. We aaiden haar en verschoonden haar intens gore konijnen-toilet. Soms staarden we samen naar haar als ze iets schattigs deed.

En toen kwam de baby.

Baby’s maken meer kapot dan je lief is. Je vrije tijd, je seksleven, je huisdieren (kabels laten ze meestal heel). Soms dacht ik ‘s avonds: shit, ik heb Benny niet geaaid vandaag. Dan telde ik tien aaitjes over haar koppie en ging ik snel naar bed. Mijn vriendin bekende dat ze hetzelfde deed.

Benny zat hele dagen stil in haar hoekje. We zetten haar op Marktplaats: Knap Blond Konijn Zkt Maatje. Tot onze verrassing kwamen er vele reacties van mannetjeskonijnen, inclusief foto’s. Beer, Luigi, Snuf: ze wilden allemaal wat graag met Benny op date.

Het werd Beer, een groot zwart konijn, woonachtig in een enorm konijnenren (inclusief konijnenkasteel) in Noord-Brabant. We reden erheen op een snikhete dag.

Je moet konijnen eerst koppelen, en dat moet op neutraal terrein. Monique, de intens zenuwachtige eigenares van Beer, had in de tuin van haar moeder een gelegenheidsren opgezet. Ze stond klaar met een strandhanddoek, om over de konijnen heen te gooien als het uit de hand zou lopen: konijnen vechten niet in het donker. Haar zoontje zei steeds: “Straks is Benny van ons hè?”

Benny en Beer werden losgelaten en begonnen onmiddellijk wild over elkaar heen te springen. “Nu gaan ze kijken wie de dominante is…” fluisterde Monique. Beer probeerde Benny te berijden, maar ze glipte telkens weg: ze had nog nooit een ander volwassen konijn gezien. Het was een soort bokswedstrijd: tussen de rondes door aaiden we onze hijgende, angstige konijnen, waarna de worsteling weer begon. De plukken vacht vlogen in het rond.

Uiteindelijk was de hiërarchie vastgesteld (Beer won) en konden de trillende konijnen samen in een bench mee naar het kasteel.

Thuis wilde het zoontje al zijn speelgoed aan ons laten zien: “Kijk ik heb een mountainbike. Kijk ik heb skeelers. Kijk ik heb een MacBook Pro.” Benny en Beer werden in het ren losgelaten en namen meteen afstand van elkaar. Wij kregen iets te drinken. “Jullie mogen allebei één vlierbes,” zei het jongetje terwijl hij ons een bakje voorhield.

Toen we in de auto stapten zei het zoontje: “Benny is nu van ons, toch mama?” Zijn moeder knikte, nog natrillend van alle spanning. “Hebben jullie maar één auto?” vroeg hij toen aan ons, met een beetje een vies gezicht. “Nou, Tobias!” zei zijn moeder. Om het goed te maken vroeg hij: “Misschien willen jullie een keer mee varen op onze boot?”

We reden weg met een schuldgevoel. Hadden we Benny misbruikt? Als personage, als oefen-baby? Om haar nu te dumpen bij deze materialistische neuroten?

Maar een paar dagen later stuurde Monique een filmpje van Beer en Benny, die samen aan een wortel knaagden. Vervolgens maakte ze een sprongetje van plezier. Na een tijdje vergaten we haar. En dat was dat.